Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2012:BV9539
2012-06-08
Civiel recht
11/00723
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2012:BV9539 → ECLI:NL:PHR:2012:BV9539
- verwijzing ECLI:NL:GHAMS:2014:973 → ECLI:NL:HR:2012:BV9539
Inhoudsindicatie
Beëindiging affectieve relatie zonder samenlevingscontract. Draagplicht vrouw met betrekking tot hypotheekrente en premies levensverzekering. Beoordelingsmaatstaf; Haviltex (vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876, NJ 2012/75). Stilzwijgende afspraken, feitelijk gegroeide taakverdeling. Natuurlijke verbintenis? Maatstaf van HR 1 oktober 2004, LJN AO9558, NJ 2005/1.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (45)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:6779 Rechtbank Limburg 09-07-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:2683 Rechtbank Overijssel 30-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:761 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-03-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:1094 Rechtbank Limburg 05-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8882 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3619 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-11-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3790 Rechtbank Noord-Nederland 25-09-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:1982 Rechtbank Midden-Nederland 20-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2356 Rechtbank Rotterdam 26-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:139 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2023:7978 Rechtbank Amsterdam 13-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2974 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:496 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:496 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:3755 Rechtbank Noord-Holland 26-04-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2022:6172 Rechtbank Gelderland 09-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6041 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:500 Parket bij de Hoge Raad 20-05-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5358 Rechtbank Den Haag 20-01-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12934 Rechtbank Noord-Holland 29-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1256 Parket bij de Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1963 Gerechtshof Den Haag 06-10-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:2534 Rechtbank Noord-Holland 24-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:241 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:241 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:2390 Rechtbank Den Haag 10-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2020:913 Gerechtshof Den Haag 21-04-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:409 Gerechtshof Den Haag 04-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:90 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3802 Gerechtshof Den Haag 10-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1270 Parket bij de Hoge Raad 06-12-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3319 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-09-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3319 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-09-2019
- ECLI:NL:RBOVE:2019:2466 Rechtbank Overijssel 03-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:472 Parket bij de Hoge Raad 03-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1444 Parket bij de Hoge Raad 21-12-2018
- ECLI:NL:RBROT:2018:6225 Rechtbank Rotterdam 27-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:627 Parket bij de Hoge Raad 08-06-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2376 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-06-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:886 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-03-2018
- ECLI:NL:RBMNE:2017:209 Rechtbank Midden-Nederland 25-01-2017
- ECLI:NL:PHR:2014:425 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:347 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:1144 Parket bij de Hoge Raad 01-11-2013
- ECLI:NL:PHR:2013:1144 Parket bij de Hoge Raad 01-11-2013
Volledige tekst
Volledige tekst (6.367 tekens)
8 juni 2012
Eerste Kamer
11/00723
DV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 286878/HA ZA 07-1613 van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2008 en 22 oktober 2008;
b. het arrest in de zaak 200.023.552/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 november 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in haar beroep dan wel verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
De advocaat van de man heeft bij brief van 30 maart 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen hebben in de periode 29 januari 1992 tot 1 augustus 2005 een affectieve relatie gehad.
(ii) Op 1 juni 1993 zijn partijen gaan samenwonen.
(iii) Op 8 juni 1996 hebben partijen gezamenlijk de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de woning) betrokken.
(iv) Partijen hebben de woning in gemeenschappelijke eigendom.
(v) Op achtereenvolgens [geboortedatum] 1996 en [geboortedatum] 2002 zijn de kinderen van partijen geboren.
(vi) Partijen hebben gedurende hun relatie geen samenlevingscontract gesloten.
3.2 In cassatie gaat het om de vraag in hoeverre de vrouw dient mee te betalen aan de door de man met betrekking tot de woning betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering. Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw draagplichtig is wat betreft de helft van de door de man in de periode 1 september 2002 tot en met 1 april 2009 betaalde hypotheekrente en wat betreft de helft van de door hem in die periode betaalde premie levensverzekering.
3.3 Blijkens rov. 16-22 heeft het hof dit oordeel gegrond, verkort weergegeven, op de vaststelling dat de gelijke draagplicht van de man en de vrouw met betrekking tot de hypotheekrente en de premies levensverzekering, zoals die gold voor de geboorte van het tweede kind, niet is gewijzigd doordat de vrouw is gestopt met werken na die geboorte, omdat dit berust op haar eigen keuze die uitsluitend voor haar rekening en risico komt. De vrouw heeft voorts, ondanks het feit dat zulks op haar weg lag, geen afspraken met de man gemaakt ter afwijking van genoemde gelijke draagplicht. Ook dit komt voor haar risico. Niet kan gezegd worden dat in deze situatie de man voldeed aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, aldus het hof. Onderdeel A richt zich tegen deze overwegingen.
3.4 In gevallen als het onderhavige dient zowel de vraag of bepaalde afspraken zijn gemaakt, alsook de vraag welke inhoud die afspraken hebben, te worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Bovenstaande maatstaf geldt ook bij beantwoording van de vraag of afspraken (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd (vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876, NJ 2012/75).
3.5 De klachten van de onderdelen A1-A4 slagen.
Het hierboven in 3.3 weergegeven oordeel van het hof komt erop neer, dat sprake is van door de vrouw gemaakte keuzes die alleen voor haar risico komen. Daarbij heeft het hof niet kenbaar aandacht besteed aan hetgeen door de vrouw in dit verband is aangevoerd, dat erop neerkomt dat zowel de man als zijzelf zich heeft gedragen in overeenstemming met door hen stilzwijgend gemaakte afspraken en de tussen hen feitelijk gegroeide taakverdeling. Indien het hof deze stellingen niet van belang heeft geacht, heeft het de hiervoor in 3.4 bedoelde beoordelingsmaatstaf miskend en is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof wel de juiste beoordelingsmaatstaf voor ogen heeft gehad, heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
3.6 Met betrekking tot de vraag of sprake was van een natuurlijke verbintenis heeft het hof wel de juiste maatstaf (van HR 1 oktober 2004, LJN AO9558, NJ 2005/1) onder ogen gezien, doch bij de toepassing deze maatstaf onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd door uitsluitend genoemde aan de vrouw toegeschreven en voor haar risico gebrachte keuzes aan zijn oordeel ten grondslag te leggen.
3.7 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.8 Na verwijzing zal opnieuw moeten worden bezien of en in welke mate, doch in ieder geval voor ten hoogste de helft, de vrouw voor de periode van 1 september 2002 tot en met 1 april 2009 dient bij te dragen wat betreft de hypotheekrente en de premies levensverzekering met betrekking tot de woning.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 november 2010;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 8 juni 2012.
Eerste Kamer
11/00723
DV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 286878/HA ZA 07-1613 van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2008 en 22 oktober 2008;
b. het arrest in de zaak 200.023.552/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 november 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in haar beroep dan wel verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
De advocaat van de man heeft bij brief van 30 maart 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen hebben in de periode 29 januari 1992 tot 1 augustus 2005 een affectieve relatie gehad.
(ii) Op 1 juni 1993 zijn partijen gaan samenwonen.
(iii) Op 8 juni 1996 hebben partijen gezamenlijk de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de woning) betrokken.
(iv) Partijen hebben de woning in gemeenschappelijke eigendom.
(v) Op achtereenvolgens [geboortedatum] 1996 en [geboortedatum] 2002 zijn de kinderen van partijen geboren.
(vi) Partijen hebben gedurende hun relatie geen samenlevingscontract gesloten.
3.2 In cassatie gaat het om de vraag in hoeverre de vrouw dient mee te betalen aan de door de man met betrekking tot de woning betaalde hypotheekrente en premie levensverzekering. Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw draagplichtig is wat betreft de helft van de door de man in de periode 1 september 2002 tot en met 1 april 2009 betaalde hypotheekrente en wat betreft de helft van de door hem in die periode betaalde premie levensverzekering.
3.3 Blijkens rov. 16-22 heeft het hof dit oordeel gegrond, verkort weergegeven, op de vaststelling dat de gelijke draagplicht van de man en de vrouw met betrekking tot de hypotheekrente en de premies levensverzekering, zoals die gold voor de geboorte van het tweede kind, niet is gewijzigd doordat de vrouw is gestopt met werken na die geboorte, omdat dit berust op haar eigen keuze die uitsluitend voor haar rekening en risico komt. De vrouw heeft voorts, ondanks het feit dat zulks op haar weg lag, geen afspraken met de man gemaakt ter afwijking van genoemde gelijke draagplicht. Ook dit komt voor haar risico. Niet kan gezegd worden dat in deze situatie de man voldeed aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, aldus het hof. Onderdeel A richt zich tegen deze overwegingen.
3.4 In gevallen als het onderhavige dient zowel de vraag of bepaalde afspraken zijn gemaakt, alsook de vraag welke inhoud die afspraken hebben, te worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. Bovenstaande maatstaf geldt ook bij beantwoording van de vraag of afspraken (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd (vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876, NJ 2012/75).
3.5 De klachten van de onderdelen A1-A4 slagen.
Het hierboven in 3.3 weergegeven oordeel van het hof komt erop neer, dat sprake is van door de vrouw gemaakte keuzes die alleen voor haar risico komen. Daarbij heeft het hof niet kenbaar aandacht besteed aan hetgeen door de vrouw in dit verband is aangevoerd, dat erop neerkomt dat zowel de man als zijzelf zich heeft gedragen in overeenstemming met door hen stilzwijgend gemaakte afspraken en de tussen hen feitelijk gegroeide taakverdeling. Indien het hof deze stellingen niet van belang heeft geacht, heeft het de hiervoor in 3.4 bedoelde beoordelingsmaatstaf miskend en is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof wel de juiste beoordelingsmaatstaf voor ogen heeft gehad, heeft het zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
3.6 Met betrekking tot de vraag of sprake was van een natuurlijke verbintenis heeft het hof wel de juiste maatstaf (van HR 1 oktober 2004, LJN AO9558, NJ 2005/1) onder ogen gezien, doch bij de toepassing deze maatstaf onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd door uitsluitend genoemde aan de vrouw toegeschreven en voor haar risico gebrachte keuzes aan zijn oordeel ten grondslag te leggen.
3.7 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.8 Na verwijzing zal opnieuw moeten worden bezien of en in welke mate, doch in ieder geval voor ten hoogste de helft, de vrouw voor de periode van 1 september 2002 tot en met 1 april 2009 dient bij te dragen wat betreft de hypotheekrente en de premies levensverzekering met betrekking tot de woning.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 november 2010;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 8 juni 2012.