Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2012:BV0277
2012-01-06
Bestuursrecht; Belastingrecht
11/01476
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2012:BV0277 → ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2857 niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie
N-O Cassatieberoep tegen mondelinge uitspraak uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Tegen vervangende schriftelijke uitspraak is niet opnieuw cassatieberoep mogelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (24)
- ECLI:NL:GHARL:2025:7358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-11-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1983 Rechtbank Noord-Nederland 17-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1754 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-02-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1850 Rechtbank Noord-Nederland 07-06-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11525 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-12-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11216 Rechtbank Den Haag 05-10-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2020:10316 Rechtbank Noord-Holland 01-12-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9104 Rechtbank Noord-Holland 20-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:584 Parket bij de Hoge Raad 09-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1706 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-06-2020
- ECLI:NL:GHARL:2018:8809 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-10-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1069 Gerechtshof Amsterdam 08-02-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:127 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1001 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:RBOBR:2017:1017 Rechtbank Oost-Brabant 14-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:954 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:955 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2015:3313 Gerechtshof Den Haag 27-10-2015
- ECLI:NL:RBNHO:2015:4840 Rechtbank Noord-Holland 17-06-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2014:3939 Gerechtshof Amsterdam 10-09-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:9317 Rechtbank Den Haag 01-07-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:9315 Rechtbank Den Haag 01-07-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:2051 Rechtbank Den Haag 13-02-2014
- ECLI:NL:GHSHE:2014:161 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-01-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (2.847 tekens)
6 januari 2012
nr. 11/01476
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 februari 2011, nr. 10/00091, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
1.1. Het Hof heeft op 10 december 2010 bij mondelinge uitspraak het hoger beroep van belanghebbende wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld.
1.2. Het Hof heeft naar aanleiding daarvan de mondelinge uitspraak op de voet van artikel 28b, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervangen door een schriftelijke uitspraak, die is gedaan op 16 februari 2011. Ingevolge voormelde bepaling wordt het beroep in cassatie geacht gericht te zijn tegen deze schriftelijke uitspraak.
1.3. Bij brief van 28 februari 2011 schreef belanghebbende aan de Hoge Raad:
"Hierbij deel ik u mede dat ik het beroep in cassatie intrek."
1.4. Vervolgens heeft belanghebbende bij schrijven van 24 maart 2011 andermaal beroep in cassatie ingesteld, ditmaal tegen de vervangende schriftelijke uitspraak van het Hof.
1.5. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van dit beroep in cassatie moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 6:24 in verbinding met artikel 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep in cassatie door de indiener schriftelijk worden ingetrokken. De verklaring dat het beroep wordt ingetrokken dient, evenals de verklaring dat een grief wordt ingetrokken, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te zijn (vgl. HR 17 maart 2006, nr. 40770, LJN AV5026, BNB 2006/250).
1.6. In het onderhavige geval heeft belanghebbende het beroep in cassatie door zijn hiervoor in 1.3 vermelde verklaring uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Hij heeft zich niet beroepen op enige grond voor aantastbaarheid van die intrekking. Dit brengt mee dat op het rechtsgeldig ingetrokken beroep in cassatie niet beslist hoeft te worden. Het hiervoor in 1.4 bedoelde beroep in cassatie tegen de vervangende schriftelijke uitspraak moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het bij schrijven van 24 maart 2011 ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2012.
nr. 11/01476
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 februari 2011, nr. 10/00091, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
1.1. Het Hof heeft op 10 december 2010 bij mondelinge uitspraak het hoger beroep van belanghebbende wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld.
1.2. Het Hof heeft naar aanleiding daarvan de mondelinge uitspraak op de voet van artikel 28b, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervangen door een schriftelijke uitspraak, die is gedaan op 16 februari 2011. Ingevolge voormelde bepaling wordt het beroep in cassatie geacht gericht te zijn tegen deze schriftelijke uitspraak.
1.3. Bij brief van 28 februari 2011 schreef belanghebbende aan de Hoge Raad:
"Hierbij deel ik u mede dat ik het beroep in cassatie intrek."
1.4. Vervolgens heeft belanghebbende bij schrijven van 24 maart 2011 andermaal beroep in cassatie ingesteld, ditmaal tegen de vervangende schriftelijke uitspraak van het Hof.
1.5. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van dit beroep in cassatie moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 6:24 in verbinding met artikel 6:21 van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep in cassatie door de indiener schriftelijk worden ingetrokken. De verklaring dat het beroep wordt ingetrokken dient, evenals de verklaring dat een grief wordt ingetrokken, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig te zijn (vgl. HR 17 maart 2006, nr. 40770, LJN AV5026, BNB 2006/250).
1.6. In het onderhavige geval heeft belanghebbende het beroep in cassatie door zijn hiervoor in 1.3 vermelde verklaring uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Hij heeft zich niet beroepen op enige grond voor aantastbaarheid van die intrekking. Dit brengt mee dat op het rechtsgeldig ingetrokken beroep in cassatie niet beslist hoeft te worden. Het hiervoor in 1.4 bedoelde beroep in cassatie tegen de vervangende schriftelijke uitspraak moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het bij schrijven van 24 maart 2011 ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2012.