Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2011:BT1852
2011-12-02
Civiel recht
10/03856
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2011:BT1852 → ECLI:NL:PHR:2011:BT1852
Inhoudsindicatie
Echtscheiding. Verrekening ingevolge huwelijkse voorwaarden. Door man aangevoerde latente inkomstenbelastingclaims niet door hof verworpen. Man mag deze claims bij verrekening wederom naar voren brengen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (13)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:3174 Rechtbank Limburg 03-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:729 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1163 Parket bij de Hoge Raad 15-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:971 Parket bij de Hoge Raad 03-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:770 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2820 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-09-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:11181 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-12-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2749 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-08-2022
- ECLI:NL:RBROT:2021:11476 Rechtbank Rotterdam 27-10-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:9534 Rechtbank Rotterdam 30-09-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2286 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3157 Gerechtshof Den Haag 03-12-2019
- ECLI:NL:OGHACMB:2017:167 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19-09-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (2.977 tekens)
2 december 2011
Eerste Kamer
Nr. 10/03856
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 135177/07-1634 (echtscheiding) en 139724/07-3430 (verdeling) van de rechtbank Haarlem van 22 januari 2008 en 16 september 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.051.198/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 1 juni 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 22 september 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Deze zaak gaat in cassatie uitsluitend nog om de vraag of het hof in zijn rov. 4.3 en in het daarop voortbouwende dictum de in het middel bedoelde latente inkomstenbelastingclaims ten laste van de man ten onrechte heeft genegeerd, of zonder voldoende motivering heeft verworpen.
3.2 In genoemde overweging en het daarop aansluitende dictum heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, overwogen en beslist dat de vrouw, met als peildatum 1 juli 2006, aanspraak heeft op verrekening ten aanzien van het gehele aanvullend melkquotum en wat betreft een weiland en een machineloods van bepaalde gedeelten van de waarde daarvan.
3.3 In het licht van de gedingstukken verstaat de Hoge Raad de bestreden overweging en het dictum aldus dat deze niet een verwerping betreffen van de door [verzoeker] onder 32 van zijn verweerschrift aan de orde gestelde latente inkomstenbelastingclaims. Het staat [verzoeker] dus vrij deze claims bij de verrekening ingevolge de huwelijkse voorwaarden wederom naar voren te brengen.
3.4 Het middel, dat van een andere lezing van het bestreden arrest uitgaat, mist feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 2 december 2011.
Eerste Kamer
Nr. 10/03856
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 135177/07-1634 (echtscheiding) en 139724/07-3430 (verdeling) van de rechtbank Haarlem van 22 januari 2008 en 16 september 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.051.198/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 1 juni 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 22 september 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Deze zaak gaat in cassatie uitsluitend nog om de vraag of het hof in zijn rov. 4.3 en in het daarop voortbouwende dictum de in het middel bedoelde latente inkomstenbelastingclaims ten laste van de man ten onrechte heeft genegeerd, of zonder voldoende motivering heeft verworpen.
3.2 In genoemde overweging en het daarop aansluitende dictum heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, overwogen en beslist dat de vrouw, met als peildatum 1 juli 2006, aanspraak heeft op verrekening ten aanzien van het gehele aanvullend melkquotum en wat betreft een weiland en een machineloods van bepaalde gedeelten van de waarde daarvan.
3.3 In het licht van de gedingstukken verstaat de Hoge Raad de bestreden overweging en het dictum aldus dat deze niet een verwerping betreffen van de door [verzoeker] onder 32 van zijn verweerschrift aan de orde gestelde latente inkomstenbelastingclaims. Het staat [verzoeker] dus vrij deze claims bij de verrekening ingevolge de huwelijkse voorwaarden wederom naar voren te brengen.
3.4 Het middel, dat van een andere lezing van het bestreden arrest uitgaat, mist feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 2 december 2011.