Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2011:BT1538

2011-09-16 Bestuursrecht; Belastingrecht 10/02528
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2011-09-16
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
10/02528
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N 2011/44.12 | V-N Vandaag 2011/2283 | BNB 2011/258 | NTFR 2011/2119 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE | FutD 2011-2192 | Viditax (FutD) 2011091609

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 15a, lid 1, letter a, Wet LB 1964, Art. 8, lid 2, letter b, UB LB 1965. 30%-regeling. Werkzaamheden als ondernemer in Nederland direct voorafgaand aan dienstbetrekking in Nederland: niet uit het buitenland aangeworven.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (5)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.389 tekens)
Nr. 10/02528
16 september 2011


Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 mei 2010, nr. 09/00241, betreffende een na te melden ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking.

1. Het geding in feitelijke instanties


Bij beschikking van 12 november 2007 heeft de Inspecteur afwijzend beslist op een verzoek van belanghebbende als bedoeld in artikel 9h, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Besluit). Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/3210) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.


2. Geding in cassatie


Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.


3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is radiologe. Zij heeft haar opleiding gevolgd in België, en is daar vervolgens enige jaren werkzaam geweest. Daarna is zij op 1 mei 2002 toegetreden tot de maatschap radiologen van A te Q. In het kader van deze maatschap was zij als ondernemer werkzaam in Nederland. Op 15 december 2006 heeft belanghebbende B B.V. (hierna: de B.V.) opgericht. Zij heeft per 1 januari 2007 haar maatschapsaandeel in de B.V. ingebracht. Op diezelfde datum is zij als directeur in dienst getreden van de B.V. Sindsdien verricht zij haar werkzaamheden als radiologe in A te Q in dienstbetrekking bij de B.V.

3.1.2. Belanghebbende woonde in de periode waarin zij in Nederland werkzaamheden voor A verrichtte in België.

3.1.3. Zij heeft de Inspecteur verzocht de bewijsregel als bedoeld in artikel 15a, lid 1, letter j, van de Wet op de loonbelasting 1964 (de zogenoemde 30%-regeling) met ingang van 1 januari 2007 op haar toe te passen. De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende aangemerkt kan worden als ingekomen werknemer in de zin van artikel 8, lid 2, letter b, van het Besluit. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Hiertegen richt zich het eerste middel.

3.3.1. In aanmerking genomen dat op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en de B.V. is aangegaan geen sprake was van een situatie als opleiding of stage, is voor beantwoording van de in 3.2 bedoelde vraag beslissend of belanghebbende op dat tijdstip buiten Nederland woonde en niet in Nederland werkzaam was (zie o.a. HR 28 april 2006, nr. 41084, LJN AW4064, BNB 2006/262, en HR 24 oktober 2008, nr. 07/12637, LJN BD3167, BNB 2008/309).

3.3.2. Aan de eis dat zij niet in Nederland werkzaam was, voldoet belanghebbende niet nu zij op het moment waarop de arbeidsovereenkomst met de B.V. tot stand kwam in Nederland werkzaam was als ondernemer. De bedoelde eis ziet, anders dan belanghebbende betoogt, niet alleen op werkzaamheden in dienstbetrekking. Het Hof heeft de in 3.2 bedoelde vraag dan ook terecht ontkennend beantwoord, zodat het eerste middel faalt.

3.4. De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2011.