Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2011:BP4673

2011-04-22 Civiel recht 10/01166
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2011-04-22
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
10/01166
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2011/567 | NJ 2011/186 | NJB 2011, 981 | JWB 2011/251 | JOR 2011/207 met annotatie van mr. dr. A.J. Tekstra

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Faillissement. Verzoek tot omzetting faillissement in schuldsanering; afwijzing in verband met ontbreken goede trouw ontstaan belastingschulden; art. 15b, 288 F. Hof heeft gemotiveerd beroep schuldenaar op art. 288 lid 3 F. ten onrechte onbesproken gelaten.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.012 tekens)
22 april 2011
Eerste Kamer
10/01166
EV/AS


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:


[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.


Verzoekster tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1. Het geding in feitelijke instanties


Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 09/511 F van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2010,
b. het arrest in de zaak 200.055.102/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 5 maart 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie


Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het cassatieberoep.


3. Beoordeling van het middel

3.1 [Verzoekster] heeft vanaf 2005 een eigen onderneming op het vlak van logistiek gehad. Zij is door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 30 juni 2009 op eigen verzoek failliet verklaard.


3.2.1 [Verzoekster] heeft een verzoek ingediend tot opheffing van het faillissement en tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij beschikking van 19 januari 2010 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.
De rechtbank was van oordeel dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de aanwezige schulden - grotendeels belastingschulden, ontstaan in de uitoefening van haar onderneming - en dat geen omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken die aanleiding geven tot toepassing van art. 288 lid 3 F.


3.2.2 Het hof heeft deze beslissing bekrachtigd. Het oordeelde dat [verzoekster] in elk geval bij het ontstaan van belastingschulden niet te goeder trouw is geweest (rov. 2.3).

3.3 De onderdelen 4.1-4.5 en 4.7-4.9 van het hiertegen gerichte middel kunnen geen van alle tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4 Onderdeel 4.6 houdt, zakelijk weergegeven, de klacht in dat het hof ten onrechte, althans zonder enige motivering, is voorbijgegaan aan de in appel voorgedragen grief II tegen de beschikking van de rechtbank. Hiermee werd een beroep gedaan op het bepaalde in art. 288 lid 3 F. Dit beroep werd aldus toegelicht dat de slechte financiële positie waarin [verzoekster] verkeerde is veroorzaakt doordat zij niet in staat is geweest de administratie van haar onderneming op orde te krijgen en te houden. Deze onderneming is echter inmiddels beëindigd en [verzoekster] heeft haar (thans beperkte) administratie onder controle gekregen, aldus nog steeds de grief.

3.5 Het onderdeel treft doel. De hiervoor weergegeven stellingen van [verzoekster] kunnen, indien juist, meebrengen dat zij ondanks ontbrekende goede trouw ten aanzien van het ontstaan van belastingschulden in de uitoefening van haar onderneming, toch tot de schuldsanering wordt toegelaten. Indien het hof dit heeft miskend, heeft het van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Indien het hof van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is zijn arrest in dit opzicht onvoldoende gemotiveerd.

4. Beslissing


De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 5 maart 2010;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.


Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 22 april 2011.