Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2009:BH0046
2009-04-07
Strafrecht
08/00846 E
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2009:BH0046 → ECLI:NL:PHR:2009:BH0046
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Pv niet overeenkomstig art. 152 Sv: bewijsuitsluiting? Begrippen “gezondheidscertificaat”, “zenden” en “vergezellen” a.b.i. art. 8 lid 3 van de EG verordening nr. 1774/2002. Strafmotivering. HR: 81 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.066 tekens)
7 april 2009
Strafkamer
nr. 08/00846 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 3 april 2007, nummer 21/000186-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Klaassen, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de oplegging van straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het zesde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, is overschreden omdat de totale duur van de behandeling van de strafzaak in feitelijke aanleg te lang is geweest en omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Voor zover het middel ziet op de totale duur van de behandeling van de strafzaak in feitelijke aanleg, kan het niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het Hof dat het aangevoerde niet meebrengt dat in het onderhavige geval de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.
3.3. Voor zover het middel ziet op de overschrijding van de inzendtermijn voor de stukken naar de Hoge Raad is het gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 2.500,-.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete in die zin dat deze € 2.375,- bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 40 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 april 2009.
Strafkamer
nr. 08/00846 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 3 april 2007, nummer 21/000186-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Klaassen, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de oplegging van straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het zesde middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, is overschreden omdat de totale duur van de behandeling van de strafzaak in feitelijke aanleg te lang is geweest en omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Voor zover het middel ziet op de totale duur van de behandeling van de strafzaak in feitelijke aanleg, kan het niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het Hof dat het aangevoerde niet meebrengt dat in het onderhavige geval de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.
3.3. Voor zover het middel ziet op de overschrijding van de inzendtermijn voor de stukken naar de Hoge Raad is het gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 2.500,-.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete in die zin dat deze € 2.375,- bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 40 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 april 2009.