Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2008:BF3301

2008-11-18 Strafrecht 07/11966
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2008-11-18
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
07/11966
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | JOL 2008, 842 | RvdW 2008, 1076

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Redelijke termijn. Verdachte bevond zich t.t.v. de betekening van de aanzegging in voorlopige hechtenis. HR doet meer dan 16 mnd na het instellen van het beroep uitspraak. Als gevolg van de vertraging bij de inzending van de stukken heeft de HR de zaak pas in behandeling kunnen nemen nadat al meer dan 19 mnd waren verstreken. Daarin vindt de HR aanleiding de opgelegde gs met 7 mnd te verminderen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (3)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.187 tekens)
18 november 2008
Strafkamer
nr. 07/11966


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest


op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 maart 2006, nummer 23/005916-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden, locatie Zoetermeer" te Zoetermeer.


1. Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.


2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

2.2. De verdachte werd veroordeeld, voor zover hier van belang, tot een gevangenisstraf van zes jaren.

2.3. Het middel is gegrond. De verdachte, die zich ten tijde van de betekening van de aanzegging in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 8 maart 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in aanzienlijke mate is overschreden.

2.4. In de omstandigheid dat de Hoge Raad als gevolg van de vertraging bij de inzending van de stukken van het geding de zaak pas in behandeling heeft kunnen nemen nadat al meer dan negentien maanden waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad in dit geval aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zeven maanden.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:


vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en vijf maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.


Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 18 november 2008.