Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BF0201
2008-11-04
Strafrecht
01780/07
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2008:BF0201 → ECLI:NL:PHR:2008:BF0201
Inhoudsindicatie
Art. 365b.1 Sv, ondertekening arrest. De aanvulling op het verkorte arrest is bij ontstentenis van het lid van de Enkelvoudige Kamer dat het arrest heeft gewezen – in strijd met art. 365b.1 Sv – niet ondertekend door de voorzitter van het Hof, maar door de voorzitter van de strafsector. De opvatting dat door dat niet-naleven van art. art. 365b.1 Sv een zodanig essentieel vormvoorschrift is geschonden, dat dit nietigheid van de bestreden uitspraak meebrengt, is onjuist.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:PHR:2021:676 Parket bij de Hoge Raad 06-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:599 Parket bij de Hoge Raad 11-05-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.545 tekens)
4 november 2008
Strafkamer
nr. S 01780/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 augustus 2006, nummer 23/000689-06, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat het bestreden arrest nietig is, omdat de aanvulling op het verkorte arrest bij ontstentenis van het lid van de Enkelvoudige Kamer dat het arrest heeft gewezen - in strijd met art. 365b, eerste lid, Sv - niet is ondertekend door de Voorzitter van het Hof, maar door de voorzitter van de strafsector.
2.2. Het middel faalt. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat door het bedoelde niet naleven van art. 365b, eerste lid, Sv een zodanig essentieel vormvoorschrift is geschonden, dat dit de nietigheid van de bestreden uitspraak meebrengt. Die opvatting is onjuist.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 november 2008.
Strafkamer
nr. S 01780/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 augustus 2006, nummer 23/000689-06, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat het bestreden arrest nietig is, omdat de aanvulling op het verkorte arrest bij ontstentenis van het lid van de Enkelvoudige Kamer dat het arrest heeft gewezen - in strijd met art. 365b, eerste lid, Sv - niet is ondertekend door de Voorzitter van het Hof, maar door de voorzitter van de strafsector.
2.2. Het middel faalt. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat door het bedoelde niet naleven van art. 365b, eerste lid, Sv een zodanig essentieel vormvoorschrift is geschonden, dat dit de nietigheid van de bestreden uitspraak meebrengt. Die opvatting is onjuist.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 november 2008.