Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BD0469
2008-04-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
43871
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2008:BD0469 → ECLI:NL:GHARN:2006:AZ7691 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
Bewijslast ter zake van verschoonbaarheidsgronden bij overschrijding termijn voor bezwaar tegen boete respectievelijk aanslag, 6:11 Awb, 6 EVRM.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (45)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1359 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-05-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:672 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:152 Parket bij de Hoge Raad 06-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4081 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4081 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4082 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4082 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4083 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4083 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:CBB:2023:476 College van Beroep voor het bedrijfsleven 07-09-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3142 Gerechtshof Amsterdam 27-10-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3142 Gerechtshof Amsterdam 27-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:5895 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-07-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:5898 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-07-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:5410 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11530 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-12-2021
- ECLI:NL:HR:2021:1648 Hoge Raad 05-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1010 Parket bij de Hoge Raad 29-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2215 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:1038 Rechtbank Oost-Brabant 19-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:65 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-01-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3521 Gerechtshof Den Haag 18-12-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1102 Hoge Raad 05-07-2019
- ECLI:NL:OGEAA:2019:286 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 17-05-2019
- ECLI:NL:RBZWB:2018:7224 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1447 Parket bij de Hoge Raad 04-12-2018
- ECLI:NL:RVS:2018:1152 Raad van State 04-04-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:11209 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:10224 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-11-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2016:5280 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:6660 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-08-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:5224 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-06-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:6021 Rechtbank Den Haag 19-05-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:4087 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-05-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:706 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2016
- ECLI:NL:GHARL:2015:7131 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-09-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:1849 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-03-2015
- ECLI:NL:GHARL:2014:4213 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-05-2014
- ECLI:NL:RBZWB:2014:3038 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-04-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:2582 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-03-2014
- ECLI:NL:RBGEL:2014:1198 Rechtbank Gelderland 27-02-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:642 Parket bij de Hoge Raad 26-07-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.320 tekens)
Nr. 43.871
25 april 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 maart 2007, nr. 06/00024, betreffende aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het tegen de navorderingsaanslag, de aanslag en de boetebeschikkingen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De Rechtbank te Arnhem heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de Inspecteur opgedragen om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslagen en de boetebeschikkingen.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. De Inspecteur heeft belanghebbende wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de aanslagen en tegen de boetes die vermeld zijn op de desbetreffende aanslagbiljetten.
3.2. Belanghebbende heeft in (hoger) beroep gesteld dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen; de Inspecteur heeft verklaard de onjuistheid van de stellingen van belanghebbende niet te kunnen bewijzen. Op grond van dat een en ander heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen de boetes. Dat oordeel is in cassatie terecht niet bestreden (vgl. onderdeel 3.4 van HR 22 juni 1988, nr. 24998, BNB 1988/292).
3.3. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boetes noodzakelijkerwijs meebrengt dat belanghebbende tevens ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen de aanslagen. Daartegen keert zich het middel.
3.4. Het middel slaagt. Overeenkomstig het sedert 1 januari 1998 geldende (boete)recht zijn de aanslagen en de boetes bij afzonderlijke beschikkingen vastgesteld. Dat brengt mee dat de ontvankelijkheid van het bezwaar ten aanzien van elk van beide beschikkingen afzonderlijk beoordeeld dient te worden. Aangezien artikel 6 EVRM niet toepasselijk is op de procedure met betrekking tot de aanslagen, geldt artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre onverkort, zodat in zoverre belanghebbende de bewijslast draagt van hetgeen hij heeft gesteld ten betoge dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.
3.5. Anders dan het Hof heeft geoordeeld doet daaraan niet af dat de hoogte van de vergrijpboete is vastgesteld op een percentage van de geheven belasting. In dit verband verdient opmerking dat die omstandigheid de rechter niet ontslaat van zijn verplichting om te beoordelen of de boete, gelet op de omstandigheden van het geval, een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de (eventuele) omstandigheid dat de aanslag onherroepelijk is geworden zonder inhoudelijk te zijn beoordeeld door de rechter (vgl. onderdeel 3.6.8 van HR 18 januari 2008, nr. 41832, V-N 2008/6.4).
3.6. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, doet aan het hiervoor in 3.4 overwogene evenmin af dat de boete is vermeld op het aanslagbiljet, en aldus tezamen en gelijktijdig met de aanslag aan de belastingplichtige is bekendgemaakt. Immers, niet valt in te zien dat de omstandigheid dat een aanslagbiljet tevens een boete vermeldt, enig argument oplevert tegen toepassing van de ten aanzien van bezwaar tegen een aanslag geldende regel met betrekking tot de bewijslastverdeling ter zake van (kort gezegd) verschoonbaarheidsgronden.
3.7. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof dient de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de aanslagen opnieuw te onderzoeken, thans met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen. Indien het oordeelt dat dat bezwaar ontvankelijk was, dient het toepassing te geven aan de regel dat aan de Inspecteur moet worden opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, tenzij goede grond bestaat om daarvan af te wijken (HR 9 juni 2006, nr. 41130, BNB 2006/290). Ook voor zover de procedure betrekking heeft op de boetes valt niet uit te sluiten dat zich (alsnog) goede grond voordoet om van die regel af te wijken.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor zover daarbij de uitspraak op het bezwaar tegen de boetes is vernietigd, en behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.
25 april 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 maart 2007, nr. 06/00024, betreffende aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het tegen de navorderingsaanslag, de aanslag en de boetebeschikkingen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De Rechtbank te Arnhem heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de Inspecteur opgedragen om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslagen en de boetebeschikkingen.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. De Inspecteur heeft belanghebbende wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de aanslagen en tegen de boetes die vermeld zijn op de desbetreffende aanslagbiljetten.
3.2. Belanghebbende heeft in (hoger) beroep gesteld dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen; de Inspecteur heeft verklaard de onjuistheid van de stellingen van belanghebbende niet te kunnen bewijzen. Op grond van dat een en ander heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen de boetes. Dat oordeel is in cassatie terecht niet bestreden (vgl. onderdeel 3.4 van HR 22 juni 1988, nr. 24998, BNB 1988/292).
3.3. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boetes noodzakelijkerwijs meebrengt dat belanghebbende tevens ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen de aanslagen. Daartegen keert zich het middel.
3.4. Het middel slaagt. Overeenkomstig het sedert 1 januari 1998 geldende (boete)recht zijn de aanslagen en de boetes bij afzonderlijke beschikkingen vastgesteld. Dat brengt mee dat de ontvankelijkheid van het bezwaar ten aanzien van elk van beide beschikkingen afzonderlijk beoordeeld dient te worden. Aangezien artikel 6 EVRM niet toepasselijk is op de procedure met betrekking tot de aanslagen, geldt artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre onverkort, zodat in zoverre belanghebbende de bewijslast draagt van hetgeen hij heeft gesteld ten betoge dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.
3.5. Anders dan het Hof heeft geoordeeld doet daaraan niet af dat de hoogte van de vergrijpboete is vastgesteld op een percentage van de geheven belasting. In dit verband verdient opmerking dat die omstandigheid de rechter niet ontslaat van zijn verplichting om te beoordelen of de boete, gelet op de omstandigheden van het geval, een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de (eventuele) omstandigheid dat de aanslag onherroepelijk is geworden zonder inhoudelijk te zijn beoordeeld door de rechter (vgl. onderdeel 3.6.8 van HR 18 januari 2008, nr. 41832, V-N 2008/6.4).
3.6. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, doet aan het hiervoor in 3.4 overwogene evenmin af dat de boete is vermeld op het aanslagbiljet, en aldus tezamen en gelijktijdig met de aanslag aan de belastingplichtige is bekendgemaakt. Immers, niet valt in te zien dat de omstandigheid dat een aanslagbiljet tevens een boete vermeldt, enig argument oplevert tegen toepassing van de ten aanzien van bezwaar tegen een aanslag geldende regel met betrekking tot de bewijslastverdeling ter zake van (kort gezegd) verschoonbaarheidsgronden.
3.7. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof dient de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de aanslagen opnieuw te onderzoeken, thans met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen. Indien het oordeelt dat dat bezwaar ontvankelijk was, dient het toepassing te geven aan de regel dat aan de Inspecteur moet worden opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, tenzij goede grond bestaat om daarvan af te wijken (HR 9 juni 2006, nr. 41130, BNB 2006/290). Ook voor zover de procedure betrekking heeft op de boetes valt niet uit te sluiten dat zich (alsnog) goede grond voordoet om van die regel af te wijken.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor zover daarbij de uitspraak op het bezwaar tegen de boetes is vernietigd, en behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2008.