Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:BA0487
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2007:BA0487 → ECLI:NL:PHR:2007:BA0487
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Het middel klaagt dat het hof heeft gehandeld i.s.m. de beginselen van een goede procesorde, het vertrouwensbeginsel en art. 6 EVRM door uit te gaan van een berekeningswijze waarop de verdediging niet bedacht hoefde te zijn en waarop zij haar verweer niet heeft kunnen richten. HR verwijst naar conclusie AG vzv. inhoudende: een keuze voor een methode van voordeelsberekening waarop de verdediging in redelijkheid niet bedacht behoefde te zijn, is i.s.m. de beginselen van een behoorlijke procesorde als met art. 6 EVRM. I.c. mocht de verdediging er in redelijkheid niet op vertrouwen dat het hof het onderzoek zou heropenen als het zou kiezen voor de ‘klassieke’ methode van voordeelsberekening i.p.v. de methode van vermogensvergelijking waarover de procespartijen hadden gedebatteerd. Daarbij weegt zwaar dat het financieel verslag waarop de vordering was gebaseerd, zich niet beperkte tot de methode van voordeelsvergelijking maar daarin ook een aanzet was gegeven voor een klassieke berekening, gebaseerd op de eigen verklaringen van veroordeelde.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (11)
- ECLI:NL:PHR:2024:1030 Parket bij de Hoge Raad 25-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1023 Parket bij de Hoge Raad 25-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2021:987 Parket bij de Hoge Raad 19-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:605 Parket bij de Hoge Raad 16-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:605 Parket bij de Hoge Raad 16-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2017:1002 Parket bij de Hoge Raad 29-08-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:949 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:949 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:949 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:187 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:187 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.403 tekens)
Strafkamer
nr. 01209/06 P
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 november 2005, nummer 21/002173-00, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Arnhem van 23 februari 2000 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 234.000,-.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. B.A.F. van Drimmelen, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede proces-orde, het vertrouwensbeginsel en art. 6 EVRM, door uit te gaan van een berekeningswijze waarop de verdediging niet bedacht hoefde te zijn en waarop zij haar verweer niet heeft kunnen richten.
4.2. Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 15 tot en met 29.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 mei 2007.