Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:AZ9098
2007-10-05
Bestuursrecht; Belastingrecht
43268
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2007:AZ9098 → ECLI:NL:PHR:2007:AZ9098
Inhoudsindicatie
Artikel 6:7 Awb; artikel 65 AWR; artikel 10 EG. Kan de belanghebbende die zich erop beroept dat in overeenstemming met een arrest van de Hoge Raad doch – blijkens latere jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG – in strijd met gemeenschapsrecht een heffing is opgelegd, worden tegengeworpen dat hij niet tijdig een rechtmiddel heeft aangewend tegen de heffing? Emmot- en Kühne en Heitzrechtspraak van het Hof van Justitie van de EG.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (35)
- ECLI:NL:RBROT:2025:2563 Rechtbank Rotterdam 24-02-2025
- ECLI:NL:RBROT:2024:13061 Rechtbank Rotterdam 19-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:540 Parket bij de Hoge Raad 17-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:571 Parket bij de Hoge Raad 09-06-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1734 Hoge Raad 25-11-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:2946 Rechtbank Rotterdam 28-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:6288 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-06-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2021:3091 Rechtbank Amsterdam 31-03-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2020:3889 Rechtbank Amsterdam 27-07-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:545 Parket bij de Hoge Raad 22-05-2019
- ECLI:NL:RBROT:2018:4382 Rechtbank Rotterdam 06-06-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2018:1077 Rechtbank Gelderland 12-03-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2017:6363 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-09-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:1708 Rechtbank Gelderland 30-03-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:1711 Rechtbank Gelderland 30-03-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2016:5075 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-08-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:1974 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-03-2016
- ECLI:NL:HR:2015:3588 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:HR:2015:3589 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:HR:2015:3465 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:HR:2015:3465 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:HR:2015:3590 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:RBGEL:2015:4123 Rechtbank Gelderland 30-06-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:377 Gerechtshof Amsterdam 29-01-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:377 Gerechtshof Amsterdam 29-01-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:375 Gerechtshof Amsterdam 29-01-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:375 Gerechtshof Amsterdam 29-01-2015
- ECLI:NL:GHARL:2014:10018 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-12-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:10017 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-12-2014
- ECLI:NL:GHAMS:2014:4400 Gerechtshof Amsterdam 23-10-2014
- ECLI:NL:GHAMS:2014:4400 Gerechtshof Amsterdam 23-10-2014
- ECLI:NL:GHDHA:2014:2527 Gerechtshof Den Haag 25-07-2014
- ECLI:NL:GHSHE:2013:5079 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-10-2013
- ECLI:NL:RBGEL:2013:3996 Rechtbank Gelderland 24-10-2013
- ECLI:NL:GHAMS:2013:3684 Gerechtshof Amsterdam 17-10-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.561 tekens)
Nr. 43.268
5 oktober 2007
gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 4 april 2006, nr. AWB 05/2121, betreffende na te melden beslissing, gegeven op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting.
1. Verzoek, bezwaar en geding voor de Rechtbank
Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht haar ambtshalve teruggaaf van omzetbelasting te verlenen over de jaren 2000 tot en met 2003. Dit verzoek is door de Inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de ingediende aangiften omzetbelasting over de desbetreffende perioden, welk bezwaarschrift hij bij uitspraak niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de voor het indienen van een bezwaarschrift gestelde termijn. De Inspecteur heeft voorts geweigerd ambtshalve overeenkomstig het verzoek te beslissen
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 4 januari 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat de Inspecteur gehouden was het verzoek van belanghebbende om aanvullende teruggaaf van omzetbelasting over de jaren 2000 tot en met 2003 te beoordelen en daarop te beslissen als ware dit verzoek ingediend binnen de termijn die - naar nationaal recht - gold voor het kunnen verkrijgen van een voor bezwaar of beroep vatbare beslissing. Die gehoudenheid vloeit, aldus het middel, in het onderhavige geval voort uit het gemeenschapsrecht.
3.2. Voor zover het middel in dit verband een beroep doet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1991 en 1 december 1998, respectievelijk Emmott, C-208/90, AB 1992/1, en Levez, C-326/96, Jurispr. blz. I-7835, faalt het op de gronden vermeld in HR 18 februari 2005, nr. 37690, BNB 2005/283. Ook indien juist zou zijn de stelling van het middel dat het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2000, nr. 35167, BNB 2000/131, niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is gewezen, en indien belanghebbende zich door dat arrest heeft laten leiden bij de onderhavige aangiften, volgt daaruit immers niet dat het belanghebbende moeilijk is gemaakt destijds te onderkennen dat zij een rechtsmiddel kon aanwenden en dat, indien zij dat achterwege zou laten, de rechtmatigheid van de heffingen later niet meer in rechte aan de orde zou kunnen worden gesteld.
3.3. Het middel betoogt voor het overige dat uit de arresten van het Hof van Justitie van 13 januari 2004 en 16 maart 2006, respectievelijk Kühne & Heitz, C-453/00, Jurispr. blz. I-837, en Kapferer, C-234/04, Jurispr. blz. I-02585, in verbinding met het bepaalde in artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), volgt dat de Inspecteur de onderhavige teruggaven had moeten verlenen. Het middel faalt in zoverre reeds op de gronden vermeld in onderdeel 6.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Opmerking verdient nog dat een beslissing van de inspecteur waarbij deze toepassing geeft aan artikel 65 AWR, door de wetgever niet is aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Derhalve zou, ook indien de Inspecteur in het voorliggende geval reden had moeten vinden gebruik te maken van de hem in artikel 65 AWR toegekende bevoegdheid, zijn beslissing op het in geding zijnde verzoek van belanghebbende niet de weg hebben geopend voor een toetsing door de belastingrechter van de juistheid van die beslissing en van de onderhavige heffingen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.
5 oktober 2007
gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 4 april 2006, nr. AWB 05/2121, betreffende na te melden beslissing, gegeven op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting.
1. Verzoek, bezwaar en geding voor de Rechtbank
Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht haar ambtshalve teruggaaf van omzetbelasting te verlenen over de jaren 2000 tot en met 2003. Dit verzoek is door de Inspecteur aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de ingediende aangiften omzetbelasting over de desbetreffende perioden, welk bezwaarschrift hij bij uitspraak niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de voor het indienen van een bezwaarschrift gestelde termijn. De Inspecteur heeft voorts geweigerd ambtshalve overeenkomstig het verzoek te beslissen
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 4 januari 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat de Inspecteur gehouden was het verzoek van belanghebbende om aanvullende teruggaaf van omzetbelasting over de jaren 2000 tot en met 2003 te beoordelen en daarop te beslissen als ware dit verzoek ingediend binnen de termijn die - naar nationaal recht - gold voor het kunnen verkrijgen van een voor bezwaar of beroep vatbare beslissing. Die gehoudenheid vloeit, aldus het middel, in het onderhavige geval voort uit het gemeenschapsrecht.
3.2. Voor zover het middel in dit verband een beroep doet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1991 en 1 december 1998, respectievelijk Emmott, C-208/90, AB 1992/1, en Levez, C-326/96, Jurispr. blz. I-7835, faalt het op de gronden vermeld in HR 18 februari 2005, nr. 37690, BNB 2005/283. Ook indien juist zou zijn de stelling van het middel dat het arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2000, nr. 35167, BNB 2000/131, niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is gewezen, en indien belanghebbende zich door dat arrest heeft laten leiden bij de onderhavige aangiften, volgt daaruit immers niet dat het belanghebbende moeilijk is gemaakt destijds te onderkennen dat zij een rechtsmiddel kon aanwenden en dat, indien zij dat achterwege zou laten, de rechtmatigheid van de heffingen later niet meer in rechte aan de orde zou kunnen worden gesteld.
3.3. Het middel betoogt voor het overige dat uit de arresten van het Hof van Justitie van 13 januari 2004 en 16 maart 2006, respectievelijk Kühne & Heitz, C-453/00, Jurispr. blz. I-837, en Kapferer, C-234/04, Jurispr. blz. I-02585, in verbinding met het bepaalde in artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), volgt dat de Inspecteur de onderhavige teruggaven had moeten verlenen. Het middel faalt in zoverre reeds op de gronden vermeld in onderdeel 6.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Opmerking verdient nog dat een beslissing van de inspecteur waarbij deze toepassing geeft aan artikel 65 AWR, door de wetgever niet is aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Derhalve zou, ook indien de Inspecteur in het voorliggende geval reden had moeten vinden gebruik te maken van de hem in artikel 65 AWR toegekende bevoegdheid, zijn beslissing op het in geding zijnde verzoek van belanghebbende niet de weg hebben geopend voor een toetsing door de belastingrechter van de juistheid van die beslissing en van de onderhavige heffingen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, A.R. Leemreis en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.