Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2007:AZ7747
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2007:AZ7747 → ECLI:NL:PHR:2007:AZ7747
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Het onderdeel van de Wet aanpassing ontnemingswetgeving m.b.t. de art. 36e Sr en 577b Sv in hun samenhang beschouwd, gaat vooral om de vraag in welke fase van het geding en onder welke omstandigheden de draagkracht met vrucht aan de orde kan worden gesteld. In beginsel dient de draagkracht aan de orde te worden gesteld in de executiefase. Daarbij geldt niet meer de voorheen bestaande beperking dat de omstandigheden waarop betrokkene zich beroept, zich na de uitspraak in het ontnemingsgeding moeten hebben voorgedaan of dat deze de rechter t.t.v. de uitspraak niet of niet volledig bekend waren (vgl. HR NJ 2005, 408). In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Door te overwegen dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben heeft het hof het gevoerde verweer op toereikende gronden verworpen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (65)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20294 Rechtbank Den Haag 17-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9663 Rechtbank Den Haag 22-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:1604 Rechtbank Gelderland 03-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:457 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12502 Rechtbank Den Haag 11-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12476 Rechtbank Den Haag 11-07-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:457 Rechtbank Overijssel 28-01-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2024:6344 Rechtbank Overijssel 28-11-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:8182 Rechtbank Rotterdam 06-08-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:294 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:2102 Rechtbank Amsterdam 22-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:5236 Rechtbank Rotterdam 21-06-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:5235 Rechtbank Rotterdam 21-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:67 Parket bij de Hoge Raad 17-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:986 Parket bij de Hoge Raad 01-11-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:11530 Rechtbank Rotterdam 18-08-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:11533 Rechtbank Rotterdam 18-08-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:5505 Rechtbank Rotterdam 30-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:921 Parket bij de Hoge Raad 05-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:539 Parket bij de Hoge Raad 08-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:376 Hoge Raad 16-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:59 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:59 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:202 Rechtbank Rotterdam 14-01-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:200 Rechtbank Rotterdam 14-01-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:199 Rechtbank Rotterdam 14-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:887 Parket bij de Hoge Raad 06-10-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:7411 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-09-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:6760 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:733 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:RBMNE:2019:6103 Rechtbank Midden-Nederland 24-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:995 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:911 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:738 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:4846 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-06-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2018:7980 Rechtbank Amsterdam 07-11-2018
- ECLI:NL:RBROT:2018:8665 Rechtbank Rotterdam 17-10-2018
- ECLI:NL:RBROT:2018:8664 Rechtbank Rotterdam 17-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:679 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2018:2485 Rechtbank Amsterdam 30-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:71 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:71 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2018
- ECLI:NL:RBROT:2017:7951 Rechtbank Rotterdam 05-10-2017
- ECLI:NL:RBROT:2017:7952 Rechtbank Rotterdam 05-10-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:3801 Rechtbank Amsterdam 01-06-2017
- ECLI:NL:HR:2017:970 Hoge Raad 30-05-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:296 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1131 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1131 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2016
- ECLI:NL:HR:2016:860 Hoge Raad 17-05-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:355 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2016
- ECLI:NL:RBAMS:2016:9779 Rechtbank Amsterdam 26-01-2016
- ECLI:NL:RBAMS:2016:9782 Rechtbank Amsterdam 26-01-2016
- ECLI:NL:RBAMS:2016:9781 Rechtbank Amsterdam 26-01-2016
- ECLI:NL:RBOBR:2014:5609 Rechtbank Oost-Brabant 07-10-2014
- ECLI:NL:RBOBR:2014:5610 Rechtbank Oost-Brabant 07-10-2014
- ECLI:NL:RBOBR:2014:5611 Rechtbank Oost-Brabant 07-10-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:3085 Parket bij de Hoge Raad 30-09-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2376 Parket bij de Hoge Raad 30-09-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:2368 Parket bij de Hoge Raad 30-09-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.038 tekens)
Strafkamer
nr. 01574/06 P
KM/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 juli 2005, nummer 24/000802-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Leeuwarden van 8 juni 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 21.825,05.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft het bedrag van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering van dat bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel klaagt over de verwerping van een gevoerd draagkrachtverweer.
4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Het hof verwerpt het gevoerde draagkrachtverweer. Vooralsnog is het niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben (mede gelet op de verjaringstermijn). Weliswaar heeft veroordeelde momenteel zelf geen inkomen en zal zij - gezien haar psychische toestand - wellicht in de toekomst problemen ondervinden om inkomsten te verwerven, aannemelijk is geworden dat er vermogensbestanddelen bestaan waaruit de vordering kan worden voldaan. Er is derhalve onvoldoende grond om de vordering te matigen of af te wijzen."
4.3.1. Op 1 september 2003 is de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (aanpassing ontnemingswetgeving) - verder te noemen: de Wet aanpassing ontnemingswetgeving - in werking getreden. Hierbij zijn onder meer de regels die betrekking hebben op draagkrachtverweren - de art. 36e, vierde lid, Sr en art. 577b Sv - gewijzigd.
4.3.2. De Memorie van Toelichting houdt ten aanzien van de regels met betrekking tot draagkrachtverweren onder meer in:
"De rechter dient zich dus volgens de huidige rechtspraak voorafgaande aan de executiefase al een beeld van de draagkracht te vormen en anticiperend te oordelen op de financiële positie van de veroordeelde achteraf. Naar mijn opvatting komt voor de executie aan de financiële positie van de veroordeelde eveneens aanzienlijk gewicht toe. Voorgesteld wordt, in het licht van het voorgaande, om enerzijds artikel 577b, vierde lid, Sv te laten vervallen en om anderzijds artikel 36e, vierde lid, Sr aan te vullen. Daardoor is de bevoegdheid tot matiging in de executiefase niet langer beperkt tot de omstandigheden die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend waren.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 36e, vierde lid, is beoogd bij het oordeel over de draagkracht van betrokkene niet op de omstandigheden vooruit te lopen. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat de betrokkene een eventueel op te leggen bedrag in de toekomst niet zal kunnen betalen, zou de rechter, om later dubbel werk te voorkomen, gebruik kunnen maken van zijn matigingsbevoegdheid. Uit het oogpunt van proceseconomie heeft het in een dergelijk geval geen zin de rechter achteraf nogmaals te laten constateren hetgeen hij vooraf al kon voorzien."
(Kamerstukken II 2001-2002, 28 079, nr. 3, blz. 16)
4.4. Het onderdeel van de Wet aanpassing ontnemingswetgeving met betrekking tot de art. 36e Sr en 577b Sv in hun samenhang beschouwd, gaat vooral om de vraag in welke fase van het geding en onder welke omstandigheden de draagkracht met vrucht aan de orde kan worden gesteld.
In beginsel dient de draagkracht aan de orde te worden gesteld in de executiefase. Daarbij geldt niet meer de voorheen bestaande beperking dat de omstandigheden waarop de betrokkene zich beroept, zich na de uitspraak in het ontnemingsgeding moeten hebben voorgedaan of dat deze de rechter ten tijde van de uitspraak niet of niet volledig bekend waren (vgl. HR 31 mei 2005, LJN AT2729, NJ 2005, 408). In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.
4.5. Door te overwegen dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, heeft het Hof het gevoerde verweer op toereikende gronden verworpen.
4.6. Het middel faalt derhalve.
5. Beoordeling van het derde middel
5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
5.2. De betrokkene heeft op 19 juli 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 18 mei 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
Vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 21.000,- bedraagt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 maart 2007.