Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2006:AX0985
2006-05-12
Bestuursrecht; Belastingrecht
42449
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
art. 7:15 en 8:75 Awb. In de regel volgt proceskostenveroordeling indien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (128)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7890 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2887 Gerechtshof Den Haag 30-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:837 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:6254 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1069 Parket bij de Hoge Raad 03-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1068 Parket bij de Hoge Raad 03-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6003 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4759 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4759 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:834 Gerechtshof Den Haag 22-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:494 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:211 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:39 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:31 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3234 Gerechtshof Amsterdam 17-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2980 Gerechtshof Amsterdam 15-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:917 Gerechtshof Den Haag 30-05-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3206 Rechtbank Midden-Nederland 24-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:487 Parket bij de Hoge Raad 26-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2638 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3928 Rechtbank Noord-Holland 19-04-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2816 Gerechtshof Den Haag 23-11-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1308 Centrale Raad van Beroep 11-07-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1308 Centrale Raad van Beroep 11-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4398 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4805 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-06-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:4380 Rechtbank Rotterdam 25-05-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1303 Gerechtshof Amsterdam 23-05-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1296 Gerechtshof Amsterdam 20-04-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3036 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-04-2023
- ECLI:NL:HR:2023:440 Hoge Raad 24-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1258 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-02-2023
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:47 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:943 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-02-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1245 Gerechtshof Amsterdam 24-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4708 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-12-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1616 Hoge Raad 11-11-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2935 Gerechtshof Amsterdam 13-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:8234 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5393 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-09-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3791 Gerechtshof Amsterdam 13-09-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1869 Gerechtshof Den Haag 31-08-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:6222 Rechtbank Noord-Holland 21-07-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1040 Hoge Raad 08-07-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1040 Hoge Raad 08-07-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1519 Gerechtshof Amsterdam 24-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1524 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1521 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1179 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1175 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-03-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:1614 Rechtbank Rotterdam 08-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:387 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6533 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4434 Gerechtshof Amsterdam 30-11-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:10671 Rechtbank Rotterdam 08-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2333 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6729 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6732 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6488 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6289 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-06-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.023 tekens)
Nr. 42.449
12 mei 2006
RW
gewezen op de beroepen in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2005, nrs. 04/00154 en 04/00155, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting.
1. Navorderingsaanslagen, bezwaren en gedingen voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1998 en 1999 navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd naar belastbare bedragen van ƒ 413.957, respectievelijk ƒ 192.100, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraken de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslagen vernietigd en de Inspecteur veroordeeld in de kosten van bezwaar van belanghebbende. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat zowel de Inspecteur als belanghebbende bekend was met het
feit dat belanghebbende in 1998 en 1999 deel uitmaakte van een fiscale eenheid, dat het desondanks opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid vormt in de zin van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat de Inspecteur daarom in de kosten van het bezwaar als bedoeld in artikel 8:75 Awb wordt veroordeeld. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende zelf ook met het bestaan van de fiscale eenheid bekend was doch dat zij dat feit in bezwaar niet naar voren heeft gebracht zodat zij zichzelf in de positie heeft gebracht waarin haar nog slechts het indienen van een beroepschrift restte, dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit deze handelwijze en dat de kosten van de procedure voor het Hof dan ook voor rekening van belanghebbende dienen te blijven. Het middel bestrijdt laatstvermeld oordeel.
3.2. Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende.
3.3. Uit 's Hofs hiervoor weergegeven oordeel omtrent de kosten van de bezwaarfase volgt dat de Inspecteur, hoewel op de hoogte van het bestaan van de fiscale eenheid, niettemin de onderhavige navorderingsaanslagen heeft opgelegd. De Inspecteur heeft die aanslagen na bezwaar gehandhaafd. Onbegrijpelijk is dan 's Hofs oordeel dat de noodzaak beroep in te stellen uitsluitend aan de handelwijze van belanghebbende is te wijten. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat zich hier niet een uitzonderingsgeval als hiervoor in 3.2 bedoeld, voordoet. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voorzover het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 664 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2006.
12 mei 2006
RW
gewezen op de beroepen in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2005, nrs. 04/00154 en 04/00155, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting.
1. Navorderingsaanslagen, bezwaren en gedingen voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1998 en 1999 navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd naar belastbare bedragen van ƒ 413.957, respectievelijk ƒ 192.100, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraken de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslagen vernietigd en de Inspecteur veroordeeld in de kosten van bezwaar van belanghebbende. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat zowel de Inspecteur als belanghebbende bekend was met het
feit dat belanghebbende in 1998 en 1999 deel uitmaakte van een fiscale eenheid, dat het desondanks opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid vormt in de zin van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat de Inspecteur daarom in de kosten van het bezwaar als bedoeld in artikel 8:75 Awb wordt veroordeeld. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende zelf ook met het bestaan van de fiscale eenheid bekend was doch dat zij dat feit in bezwaar niet naar voren heeft gebracht zodat zij zichzelf in de positie heeft gebracht waarin haar nog slechts het indienen van een beroepschrift restte, dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit deze handelwijze en dat de kosten van de procedure voor het Hof dan ook voor rekening van belanghebbende dienen te blijven. Het middel bestrijdt laatstvermeld oordeel.
3.2. Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende.
3.3. Uit 's Hofs hiervoor weergegeven oordeel omtrent de kosten van de bezwaarfase volgt dat de Inspecteur, hoewel op de hoogte van het bestaan van de fiscale eenheid, niettemin de onderhavige navorderingsaanslagen heeft opgelegd. De Inspecteur heeft die aanslagen na bezwaar gehandhaafd. Onbegrijpelijk is dan 's Hofs oordeel dat de noodzaak beroep in te stellen uitsluitend aan de handelwijze van belanghebbende is te wijten. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat zich hier niet een uitzonderingsgeval als hiervoor in 3.2 bedoeld, voordoet. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voorzover het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 664 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2006.