Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2887

2026-04-30 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/466
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-30
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/466
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van de aangifte schade (anders dan normale gebruiksschade) had. De Rechtbank heeft terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend want de naheffingsaanslag is niet verminderd vanwege een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van de kosten voor het beroep, want de noodzaak tot het instellen van beroep vloeide niet uitsluitend voort uit de handelwijze van belanghebbende. Een uitdraai uit een koerslijst is geen deskundigenbericht als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op de dag van de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen en niet op het moment dat de Rechtbank haar uitspraak bekendmaakte via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Belanghebbende heeft daarom geen recht heeft op een vergoeding van immateriële schade.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.560 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-25/466



Uitspraak van 30 april 2026


in het geding tussen:



[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 mei 2025, nummer SGR 23/8565.





Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.453 (de naheffingsaanslag). Daarbij is bij beschikking € 26 belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij de Inspecteur is aangeduid als verweerder:


“De rechtbank verklaart:
- het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.109 en vermindert de rentebeschikking
dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 te vergoeden;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”




1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift ingediend. Partijen hebben allebei nog een nader stuk ingediend.


1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft op 25 maart 2022 aangifte bpm gedaan ter zake van een Mercedes Benz, C 63 AMG S Coupé met Premium Plus Pack (de auto). De datum van de eerste toelating van de auto is 21 augustus 2019.



2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 21 maart 2022. Het taxatierapport vermeldt onder meer de volgende gegevens:








Historische nieuwprijs


€ 139.279




Handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat)


€ 56.600




Schade (72,31% van € 14.050)


€ 10.600




Handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat)


€ 45.000




Historische bruto bpm


€ 41.914








2.3.
In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 255 g/km (WLTP). Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 13.538 aan bpm voldaan.



2.4.
Belanghebbende heeft de auto op 9 maart 2022 gekocht voor € 79.980 inclusief € 12.755,55 omzetbelasting. De koopovereenkomst vermeldt:


“Zahl, Art und Umfang von Unfallschäden lt. Vorbesitzer: nein
Dem Verkäufer sind auf andere Weise Schäden bekannt: Keine”




2.5.
De datum van keuring door de RDW is 25 maart 2022, waarbij de kilometerstand 51.503 km bedroeg. De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 230 g/km NEDC en 255 g/km WLTP.



2.6.
De dienst Domein Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd op 30 maart 2022. Het DRZ-rapport vermeldt onder meer de volgende gegevens:








Historische nieuwprijs


€ 150.066




Netto catalogusprijs


€ 88.395




Handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat)


€ 67.996




Schade


€ 0




Handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat)


€ 67.996








2.7.
De Inspecteur heeft met dagtekening 20 april 2023 een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 5.453 en daarbij een bedrag van € 26 aan rente in rekening gebracht. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van de onder 2.6 vermelde bedragen.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:


“Waardevermindering wegens schade

10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser.[1] Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte en de daarin gevoegde schadecalculatie.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte schade had die een waardevermindering rechtvaardigt en die door DRZ en verweerder in aanmerking had moeten worden genomen. De rechtbank vindt daarin noch in hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd en overgelegd, aanleiding om aan de schadecalculatie van DRZ te twijfelen. Met het taxatierapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. Eiser is dan ook niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs.

12. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat verweerder met betrekking tot het taxatierapport van eiser formele en materiele gebreken heeft opgeworpen. Verweerder wijst hierbij onder andere op de gecalculeerde schade in het taxatierapport voor een bedrag van € 14.049, de onduidelijkheid van de foto’s waaruit de gecalculeerde schade zou moeten blijken, de beoordeling van de algehele staat als matig terwijl diverse onderdelen als redelijk worden beoordeeld en de ongemotiveerde stellinginname dat bij de berekening van de schade rekening is gehouden met een onbekend schade verleden en een niet te controleren kilometerstand zonder dat het verweerder duidelijk is op welke wijze hiermee rekening is gehouden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze punten in aanmerkelijke mate afdoen aan de overtuigingskracht en de bewijswaarde van eisers taxatierapport. Of het rapport vanwege deze gebreken volledig van bewijs dient te worden uitgesloten, laat de rechtbank verder in het midden, omdat dat niet meer relevant is nu toch reeds de taxatie van DRZ wordt gevolgd.


(…)




Keuze voor koerslijst


16. Eiser stelt dat koerslijst van Xray voordeliger is dan de koerslijst van AutotelexPro, nu in de koerslijst van Xray wordt uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 150.066 en een handelswaarde van € 59.541. Nu verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de laagste inkoopwaarde in onbeschadigde staat, terwijl hij hiertoe wel verplicht is[2], dient verweerder de kosten van het onderzoek door een deskundige van € 120,40 te vergoeden, aldus eiser.

17. Verweerder erkent dat de nieuw ingebrachte koerslijst XRay een lagere handelsinkoopwaarde afgeeft, maar merkt wel op dat het hem onduidelijk is wanneer deze koerslijst is opgesteld én dat deze pas in de beroepsfase door eiser is verstrekt. Met inachtneming van deze lagere handelsinkoopwaarde bedraagt de te betalen bpm op basis van de koerslijst Xray € 16.629 en wordt de naheffingsaanslag verminderd met een bedrag van € 2.363. Het bedrag van de naheffingsaanslag na vermindering bedraagt € 3.091.

18. In een nader stuk van 14 maart 2025 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de koerslijstwaarde van AutotelexPro beter aansluit bij de auto dan de koerslijstwaarde van XRay. De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu in het verweerschrift al het standpunt is ingenomen dat de koerslijst Xray gevolgd zal worden, de naheffingsaanslag verminderd zal worden tot een bedrag van € 3.091 en het beroep gegrond is. Verweerder kan hier in een nader stuk niet op terugkomen.



Conclusie


19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond.

20. Nu het beroep gegrond is verklaard, dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed.



Immateriële schadevergoeding


21. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 8 mei 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 mei 2025. De redelijke termijn is dan nog niet overschreden. Eiser heeft daarom geen recht op vergoeding van immateriële schade.



Proceskostenvergoeding


22. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het opleggen van de te hoge naheffingsaanslag is niet het gevolg van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, nu eiser pas in de beroepsfase de gunstigere koerslijst van Xray heeft overgelegd. Het pas in de beroepsfase overleggen van deze gunstigere koerslijst heeft tot gevolg dat eiser zowel in bezwaar als beroep niet in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.
23. De kosten voor het onderzoek door een deskundige komen evenmin voor vergoeding in aanmerking. De bewijslast van de handelsinkoopwaarde rust op eiser. Dit betekent dat de kosten die hiermee gepaard gaan voor rekening van eiser komen.”


(…)



[1] ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. en ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2.
[2] ECLI:NL:GHARL:2023:8227, ro. 4.10.”





Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
Tussen partijen is in geschil:
- of de naheffingsaanslag terecht en zo ja, tot het juiste bedrag is opgelegd,
- of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade voor het geding in eerste aanleg, en
- of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van (proces)kosten in bezwaar en beroep, waaronder een vergoeding voor informatie van koerslijstprovider XRAY.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.100, tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade voor het geding in eerste aanleg en tot vergoeding van de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.




Beoordeling van het hoger beroep



Aftrek wegens schade




5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de auto geen schade, anders dan normale gebruiksschade, had. Volgens belanghebbende blijkt uit het taxatierapport en de daarbij gevoegde schadecalculatie dat voor de auto sprake is van een waardevermindering wegens schade. Belanghebbende verwijst in dit kader naar de foto’s van koplampen, een stoelhoes en een velg.



5.2.
Het Hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met een waardevermindering vanwege schade aan de auto. Artikel 110 van het VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren (zie onder meer HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2).



5.3.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van de aangifte bpm schade (anders dan normale gebruiksschade) had. Het Hof onderschrijft wat de Rechtbank in de rechtsoverwegingen 11 en 12 van haar uitspraak over de gestelde schade heeft overwogen. De enkele verwijzing naar het taxatierapport, de bijgevoegde schadecalculatie en de daarbij behorende foto’s is voor het in aanmerking nemen van schade onvoldoende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast. De sporen die op de vergrote foto’s te zien zijn, zijn te kwalificeren als normale gebruikssporen voor de onderhavige auto met een kilometerstand van meer dan 50.000. Voor een correctie wegens het schadeverleden en de mogelijkheid dat de kilometerstand niet klopt, ziet het Hof geen enkele rechtvaardiging. Deze posten zijn niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Ook op de inkoopfactuur is geen melding gemaakt van schade (zie onder 2.4). Het Hof merkt in dit verband op dat belanghebbende de auto voor bijna € 35.000 meer dan de in het taxatierapport vermelde handelsinkoopwaarde heeft gekocht (exclusief bpm). Hoewel de bpm geen factuurbelasting is, is dit wel een aanwijzing dat de aangegeven handelsinkoopwaarde niet juist kan zijn.



Conclusie naheffingsaanslag





5.4.
Belanghebbende stelt zich in zijn nadere stuk van 19 maart 2026 op het standpunt dat de historische nieuwprijs € 161.570 bedraagt, de handelsinkoopwaarde, gebaseerd op een nieuwe, gecorrigeerde koerslijst XRAY € 64.138 bedraagt, de totaal verschuldigde bpm € 16.638 bedraagt en de naheffingsaanslag derhalve moet worden verminderd tot € 3.100.



5.5.

De Rechtbank concludeert in de rechtsoverwegingen 17 en 18 van haar uitspraak tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.091. Het dictum van haar uitspraak vermeldt echter € 3.109. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de naheffingsaanslag maximaal € 3.091 bedraagt. Het Hof zal dit corrigeren.

Vergoeding van de kosten in bezwaar





5.6.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een vergoeding van de (proces)kosten in bezwaar en beroep. De Rechtbank heeft ten onrechte geen vergoeding toegekend. De naheffingsaanslag is immers te hoog vastgesteld en de Inspecteur had vanaf het begin moeten uitgaan van de juiste koerslijst en daarmee de juiste handelsinkoopwaarde, aldus belanghebbende.



5.7.
Voor de bezwaarfase geldt op grond van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat op verzoek een kostenvergoeding wordt toegekend voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende stelt dat daarvan sprake is, ten eerste omdat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag niet alleen de koerslijst AutotelexPro maar ook andere, voor belanghebbende gunstigere, koerslijsten had moeten raadplegen. Ten tweede voert hij aan dat in de door de Inspecteur gehanteerde koerslijst te weinig opties in aanmerking zijn genomen en dat de Inspecteur daarmee is uitgegaan van een onjuiste koerslijst.



5.8.
Naar het oordeel van het Hof is de naheffingsaanslag niet verminderd vanwege een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende heeft in beroep een koerslijst XRAY overgelegd en in hoger beroep een gecorrigeerde koerslijst XRAY waarin de juiste opties in aanmerking zijn genomen. Uit een vergelijking van deze koerslijsten XRAY en de bijbehorende cijfermatige uitwerkingen van belanghebbende volgt dat het in aanmerking nemen van de juiste opties leidt tot een hoger bedrag aan verschuldigde bpm. Het Hof acht daarmee aannemelijk dat het in het voordeel van belanghebbende is geweest dat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag van een koerslijst met te weinig opties is uitgegaan. De vermindering van de naheffingsaanslag houdt dan ook verband met het feit dat de koerslijst XRAY een gunstigere waarde geeft dan de koerslijst AutotelexPro. De Inspecteur heeft echter onweersproken gesteld dat hij bij het vaststellen van de naheffingsaanslag niet over de koerslijst XRAY heeft beschikt. Naar het oordeel van het Hof was de Inspecteur bovendien niet gehouden uit eigen beweging onderzoek te doen naar andere koerslijsten. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering op de belastingplichtige rusten (HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2 t/m 3.2.7) en dat belanghebbende de koerslijst XRAY niet bij zijn aangifte heeft overgelegd als bedoeld in artikel 10, lid 9, Wet bpm. Belanghebbende heeft uitsluitend de koerslijst AutotelexPro overgelegd (waarin overigens ook van te weinig opties is uitgegaan). Voor zover belanghebbende betoogt dat er ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag een instructie van de Belastingdienst aan DRZ was op grond waarvan onder meer de koerslijst XRAY moest worden geraadpleegd, heeft hij dat tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Er is geen sprake van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. De Rechtbank heeft terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.



Vergoeding van de proceskosten in beroep





5.9.
Voor de vergoeding van kosten in verband met het voeren van een procedure voor de belastingrechter wordt, anders dan voor de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, niet de eis gesteld dat sprake moet zijn van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7705, r.o. 3.4). Wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, komen als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende (Hoge Raad 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985, r.o. 3.2). Hierbij moeten alle gegronde klachten die de belanghebbende voor het eerst in (hoger) beroep aanvoerde, in aanmerking worden genomen, omdat een veroordeling in de proceskosten immers slechts achterwege kan blijven als het instellen van beroep of hoger beroep uitsluitend uit zijn handelwijze voortvloeide. Indien de rechter oordeelt dat de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelwijze van de belanghebbende en om deze reden beslist geen vergoeding van proceskosten toe te kennen, behoort hij dat oordeel te motiveren. Daartoe kan hij niet volstaan met de constatering dat een standpunt voor het eerst in (hoger) beroep is ingenomen. Als de belanghebbende niet heeft toegelicht waarom hij een bepaald standpunt pas in (hoger) beroep heeft ingenomen, mag de rechter bovendien slechts tot dit oordeel komen nadat hij die belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld die toelichting te geven (HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1040, r.o. 3.4.7).



5.10.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd in verband met de lagere handelsinkoopwaarde uit de koerslijst XRAY. Uit de gedingstukken waaronder het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank valt niet op te maken dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om toe te lichten waarom hij pas in de beroepsfase de koerslijst XRAY heeft overgelegd. Daarbij komt dat de Inspecteur in zijn nadere stuk van 14 maart 2025 wilde terugkomen op het in het verweerschrift ingenomen standpunt dat de koerslijst XRAY kon worden gevolgd. Onder die omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van de kosten voor het beroep.



5.11.
De Rechtbank heeft het verzoek om een vergoeding van kosten vanwege het opvragen van de koerslijst XRAY terecht afgewezen. De kosten voor het opvragen van een koerslijst zijn inherent aan het gebruik van de door belanghebbende gekozen handelwijze voor de waardering van de auto. Bovendien is geen sprake van een deskundigenbericht als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), maar van het opvragen van een uitdraai uit een koerslijst.



Vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg





5.12.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade, omdat de uitspraak van de Rechtbank pas na de redelijke termijn voor de beslechting van het geding in eerste aanleg is bekendgemaakt. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 mei 2025, maar de Rechtbank heeft haar uitspraak pas bekendgemaakt op 12 mei 2025. Daarom is de redelijke termijn overschreden met afgerond een halfjaar, aldus belanghebbende.



5.13.
In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriëleschadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat de rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak doorgaans niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, Awb heeft de griffier van de rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen.



5.14.
De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 25 maart 2025 gesloten en meegedeeld dat binnen zes weken, derhalve uiterlijk op 6 mei 2025, uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 6 mei 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen.



Slotsom





5.15.
Het hoger beroep is gegrond.





Proceskosten en griffierecht


6.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep. In de grond waarop het beroep slaagt en in de grond waarop het hoger beroep slaagt, ziet het Hof aanleiding om het gewicht van de zaak als licht aan te merken. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 934 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 0,5) en € 934 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 0,5), in totaal derhalve op € 1.868.



6.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 289 te worden vergoed.





Beslissing


Het Gerechtshof:



vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht,


vernietigt de uitspraak op bezwaar,


stelt de naheffingsaanslag vast op € 3.091 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,


veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.868, en


gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 289 aan griffierecht te vergoeden.




Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.




De griffier, de voorzitter,











L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs




De beslissing is op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken.




Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.