Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2006:AV4043
2006-03-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
41811
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2006:AV4043 → ECLI:NL:GHSHE:2004:AR8580
Inhoudsindicatie
Is het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen bij een attractiepark een (bijkomende) dienst in de zin van post b.14, aanhef en letter g, van de bij de Wet behorende Tabel I?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (9)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2381 Gerechtshof Den Haag 17-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10569 Rechtbank Den Haag 26-08-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3348 Rechtbank Noord-Nederland 04-08-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1581 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:121 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:121 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:121 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:165 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2016:7628 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-09-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (3.217 tekens)
Nr. 41.811
10 maart 2006
LC
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 september 2004, nr. 03/01407, betreffende na te melden door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.
1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof
Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 oktober 2002 tot en met 31 oktober 2002 op aangifte een bedrag van € 64.568 aan omzetbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf van een bedrag van € 25.798, welke verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende exploiteert het attractiepark "X", alsmede een bij de ingang van dat park gelegen parkeerterrein en fietsenstalling. Zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).
3.1.2. Belanghebbende vraagt voor zowel de toegang tot het park als het gebruik maken van het parkeerterrein en de fietsenstalling een vergoeding.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen moet worden aangemerkt als een op zichzelf staande dienst welke belanghebbende niet verricht in haar hoedanigheid van exploitant van een attractiepark in de zin van post b.14, aanhef en letter g, van de bij de Wet behorende Tabel I.
Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1999, Card Protection Plan, C-349/96, Jurispr. 1999, blz. I-00973, BNB 1999/224, heeft het Hof voorts geoordeeld dat het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen geen dienst is welke als bijkomend bij het verlenen van toegang tot het park kan worden aangemerkt.
3.3. De klachten die tegen deze oordelen opkomen, falen. 's Hofs oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2006.
Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest getekend door de raadsheer P. Lourens.
10 maart 2006
LC
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 september 2004, nr. 03/01407, betreffende na te melden door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.
1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof
Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 oktober 2002 tot en met 31 oktober 2002 op aangifte een bedrag van € 64.568 aan omzetbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf van een bedrag van € 25.798, welke verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende exploiteert het attractiepark "X", alsmede een bij de ingang van dat park gelegen parkeerterrein en fietsenstalling. Zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).
3.1.2. Belanghebbende vraagt voor zowel de toegang tot het park als het gebruik maken van het parkeerterrein en de fietsenstalling een vergoeding.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen moet worden aangemerkt als een op zichzelf staande dienst welke belanghebbende niet verricht in haar hoedanigheid van exploitant van een attractiepark in de zin van post b.14, aanhef en letter g, van de bij de Wet behorende Tabel I.
Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1999, Card Protection Plan, C-349/96, Jurispr. 1999, blz. I-00973, BNB 1999/224, heeft het Hof voorts geoordeeld dat het geven van gelegenheid tot parkeren en het stallen van fietsen geen dienst is welke als bijkomend bij het verlenen van toegang tot het park kan worden aangemerkt.
3.3. De klachten die tegen deze oordelen opkomen, falen. 's Hofs oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2006.
Bij ontstentenis van de voorzitter is dit arrest getekend door de raadsheer P. Lourens.