Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2006:AU7741
2006-12-01
Bestuursrecht; Belastingrecht
40369
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2006:AU7741 → ECLI:NL:PHR:2006:AU7741
Inhoudsindicatie
Fiscale vergrijpboetes; HR komt terug van BNB 1988/270; opzet/grove schuld van adviseur wordt niet toegerekend aan belastingplichtige.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (100)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7357 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8994 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-12-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10888 Rechtbank Gelderland 12-12-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10897 Rechtbank Gelderland 12-12-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10883 Rechtbank Gelderland 12-12-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10887 Rechtbank Gelderland 12-12-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:10940 Rechtbank Gelderland 12-12-2025
- ECLI:NL:OGEAM:2025:116 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 19-11-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:12031 Rechtbank Gelderland 14-11-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 Gerechtshof Amsterdam 11-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1864 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1863 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:4110 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1699 Gerechtshof Den Haag 02-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1699 Gerechtshof Den Haag 02-04-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:33 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 14-03-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13861 Rechtbank Noord-Holland 19-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1255 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1255 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1255 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3391 Gerechtshof Amsterdam 19-11-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6442 Rechtbank Gelderland 20-09-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6440 Rechtbank Gelderland 20-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:820 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2229 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:567 Gerechtshof Den Haag 09-04-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:768 Rechtbank Noord-Nederland 05-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11047 Rechtbank Den Haag 29-02-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2023:12635 Rechtbank Noord-Holland 15-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:12635 Rechtbank Noord-Holland 15-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2475 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1961 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-06-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2270 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:8936 Rechtbank Noord-Holland 17-10-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5148 Rechtbank Gelderland 19-07-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:5903 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1896 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-06-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2955 Rechtbank Gelderland 14-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1600 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3317 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3499 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3498 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:240 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-01-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4012 Rechtbank Gelderland 11-08-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2020:2031 Rechtbank Amsterdam 27-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:838 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:838 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1208 Parket bij de Hoge Raad 21-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1208 Parket bij de Hoge Raad 21-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1208 Parket bij de Hoge Raad 21-11-2019
- ECLI:NL:OGHACMB:2019:223 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 05-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1080 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:4711 Rechtbank Gelderland 22-10-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:5693 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-07-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1776 Gerechtshof Den Haag 23-04-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:920 Rechtbank Gelderland 27-02-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:735 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-01-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.929 tekens)
Nr. 40.369
1 december 2006
RS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 november 2003, nr. BK-02/04012, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 337.358, waarvan een bedrag van ƒ 255.000 belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, alsmede een boete van ƒ 31.875. De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 25 oktober 2005, mede op ambtshalve bijgebrachte grond, geconcludeerd tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en verwijzing van de zaak.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
3.1. Aan belanghebbende is een boete opgelegd ter zake van het vergrijp dat aan haar opzet te wijten is dat de aangifte onjuist is gedaan (artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, hierna: AWR). Bij de beoordeling van de daartegen gerichte grieven heeft het Hof zich (onder meer) laten leiden door het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1988, nr. 24483, BNB 1988/270 (hierna ook aan te duiden als: het arrest BNB 1988/270).
3.2. Bij dat arrest werd door de Hoge Raad beslist (onderdeel 5.3) dat een belastingplichtige die bij het doen van zijn aangifte gebruik maakte van de diensten van een adviseur, zich (ter afwering van een boete (toenmaals: verhoging) als voorzien in het toenmalige artikel 18, lid 1, AWR) niet erop kan beroepen dat hij meende een juiste aangifte te doen en dat het aan zijn adviseur is te wijten dat te weinig belasting is geheven, tenzij de belastingplichtige aantoont dat hij in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de fiscale aanvaardbaarheid van de mededelingen of adviezen van zijn adviseur. Zolang niet kan worden aangenomen dat zodanig uitzonderingsgeval zich voordoet komen, aldus de Hoge Raad in dat arrest, ten laste van de belastingplichtige die fouten, gedragingen, nalatigheden of verzwijgingen ten aanzien waarvan de adviseur opzet of grove schuld is te verwijten. Ter motivering van die beslissing werd overwogen (onderdeel 4.7, tweede alinea) dat, zou de belastingplichtige een verdergaande mogelijkheid hebben zich erop te beroepen dat hij is afgegaan op hem door zijn adviseur verstrekte mededelingen of adviezen en hem zelf geen opzet of grove schuld kon worden verweten, hij er een niet aanvaardbaar belang bij zou hebben de aangifte niet zelf op te stellen doch dit over te laten aan een adviseur. Hij zou dan immers, aldus het arrest, mits hij bij de keuze van zijn adviseur de nodige zorg in acht genomen had, de sanctie die de wet verbond aan het doen van een onjuiste aangifte, van zich kunnen afwentelen.
3.3. Voor sancties waarop het Nederlandse strafrechtstelsel van toepassing is, heeft de Hoge Raad in het zogenoemde IJzerdraadarrest (HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378) overwogen dat "opzet ten aanzien van enig delict of delictsbestanddeel door het Nederlandse strafrecht nergens wordt toegerekend aan een natuurlijk persoon, indien die geestesgesteldheid bij hem of haar niet persoonlijk aanwezig is geweest".
3.4. Terugkomend van het arrest BNB 1988/270 acht de Hoge Raad het geraden ook voor (bestuursrechtelijke) fiscale vergrijpboetes de mogelijkheid van toerekening van opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige aan de belastingplichtige uit te sluiten. Zulks voorkomt dat op grond van een dergelijke toerekening strijd zou kunnen ontstaan met de in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde eis dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
3.5. Opmerking verdient dat laatstbedoelde bepaling niet eraan in de weg staat dat het bewijs van opzet of grove schuld van de belastingplichtige in een voorkomend geval kan worden geleverd met behulp van vermoedens (HR 17 januari 1990, nr. 26282, BNB 1990/193). De enkele omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, wiens opzet of grove schuld wordt vastgesteld, rechtvaardigt evenwel niet het vermoeden dat ook bij de belastingplichtige zelf opzet of grove schuld aanwezig is geweest.
3.6. Opmerking verdient tevens dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal intussen van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bij voorbeeld naar gelang zijn hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de terzake relevante fiscale en andere aspecten. De inspecteur heeft van een en ander de stelplicht en de bewijslast.
4. Beoordeling van de middelen
4.1. Middel 1 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.2. Gelet op het hiervoor onder 3 overwogene behoeft middel 2 geen behandeling.
5. Slotsom
5.1. Uit het onder 3 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen. Nu partijen voor het Hof nog geen rekening konden houden met hetgeen onder 3 is overwogen, dient het verwijzingshof hen in de gelegenheid te stellen hun stellingen daaraan aan te passen.
5.2. In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 17 december 2003. Op het moment dat de Hoge Raad in deze zaak
arrest wijst, zijn mitsdien gerekend vanaf die dag meer dan twee jaren verstreken. Dit levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM op. Indien na verwijzing de aan belanghebbende opgelegde boete tot enig bedrag in stand blijft, is het aan het verwijzingshof om - met inachtneming van de totale
duur van de berechting - te beoordelen of, en zo ja, in hoeverre aan vorenbedoelde overschrijding gevolg dient te worden verbonden voor de hoogte van de
boete.
5.3. Nu het beroep in cassatie, zij het op een ambtshalve bijgebrachte grond, leidt tot vernietiging van 's Hofs uitspraak, moet het gegrond worden verklaard.
6. Proceskosten
De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87, en
veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, P.J. van Amersfoort, P. Lourens en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2006.
1 december 2006
RS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 november 2003, nr. BK-02/04012, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 337.358, waarvan een bedrag van ƒ 255.000 belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, alsmede een boete van ƒ 31.875. De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 25 oktober 2005, mede op ambtshalve bijgebrachte grond, geconcludeerd tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en verwijzing van de zaak.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
3.1. Aan belanghebbende is een boete opgelegd ter zake van het vergrijp dat aan haar opzet te wijten is dat de aangifte onjuist is gedaan (artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, hierna: AWR). Bij de beoordeling van de daartegen gerichte grieven heeft het Hof zich (onder meer) laten leiden door het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1988, nr. 24483, BNB 1988/270 (hierna ook aan te duiden als: het arrest BNB 1988/270).
3.2. Bij dat arrest werd door de Hoge Raad beslist (onderdeel 5.3) dat een belastingplichtige die bij het doen van zijn aangifte gebruik maakte van de diensten van een adviseur, zich (ter afwering van een boete (toenmaals: verhoging) als voorzien in het toenmalige artikel 18, lid 1, AWR) niet erop kan beroepen dat hij meende een juiste aangifte te doen en dat het aan zijn adviseur is te wijten dat te weinig belasting is geheven, tenzij de belastingplichtige aantoont dat hij in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de fiscale aanvaardbaarheid van de mededelingen of adviezen van zijn adviseur. Zolang niet kan worden aangenomen dat zodanig uitzonderingsgeval zich voordoet komen, aldus de Hoge Raad in dat arrest, ten laste van de belastingplichtige die fouten, gedragingen, nalatigheden of verzwijgingen ten aanzien waarvan de adviseur opzet of grove schuld is te verwijten. Ter motivering van die beslissing werd overwogen (onderdeel 4.7, tweede alinea) dat, zou de belastingplichtige een verdergaande mogelijkheid hebben zich erop te beroepen dat hij is afgegaan op hem door zijn adviseur verstrekte mededelingen of adviezen en hem zelf geen opzet of grove schuld kon worden verweten, hij er een niet aanvaardbaar belang bij zou hebben de aangifte niet zelf op te stellen doch dit over te laten aan een adviseur. Hij zou dan immers, aldus het arrest, mits hij bij de keuze van zijn adviseur de nodige zorg in acht genomen had, de sanctie die de wet verbond aan het doen van een onjuiste aangifte, van zich kunnen afwentelen.
3.3. Voor sancties waarop het Nederlandse strafrechtstelsel van toepassing is, heeft de Hoge Raad in het zogenoemde IJzerdraadarrest (HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378) overwogen dat "opzet ten aanzien van enig delict of delictsbestanddeel door het Nederlandse strafrecht nergens wordt toegerekend aan een natuurlijk persoon, indien die geestesgesteldheid bij hem of haar niet persoonlijk aanwezig is geweest".
3.4. Terugkomend van het arrest BNB 1988/270 acht de Hoge Raad het geraden ook voor (bestuursrechtelijke) fiscale vergrijpboetes de mogelijkheid van toerekening van opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige aan de belastingplichtige uit te sluiten. Zulks voorkomt dat op grond van een dergelijke toerekening strijd zou kunnen ontstaan met de in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde eis dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
3.5. Opmerking verdient dat laatstbedoelde bepaling niet eraan in de weg staat dat het bewijs van opzet of grove schuld van de belastingplichtige in een voorkomend geval kan worden geleverd met behulp van vermoedens (HR 17 januari 1990, nr. 26282, BNB 1990/193). De enkele omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, wiens opzet of grove schuld wordt vastgesteld, rechtvaardigt evenwel niet het vermoeden dat ook bij de belastingplichtige zelf opzet of grove schuld aanwezig is geweest.
3.6. Opmerking verdient tevens dat de omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal intussen van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bij voorbeeld naar gelang zijn hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de terzake relevante fiscale en andere aspecten. De inspecteur heeft van een en ander de stelplicht en de bewijslast.
4. Beoordeling van de middelen
4.1. Middel 1 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.2. Gelet op het hiervoor onder 3 overwogene behoeft middel 2 geen behandeling.
5. Slotsom
5.1. Uit het onder 3 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen. Nu partijen voor het Hof nog geen rekening konden houden met hetgeen onder 3 is overwogen, dient het verwijzingshof hen in de gelegenheid te stellen hun stellingen daaraan aan te passen.
5.2. In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 17 december 2003. Op het moment dat de Hoge Raad in deze zaak
arrest wijst, zijn mitsdien gerekend vanaf die dag meer dan twee jaren verstreken. Dit levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM op. Indien na verwijzing de aan belanghebbende opgelegde boete tot enig bedrag in stand blijft, is het aan het verwijzingshof om - met inachtneming van de totale
duur van de berechting - te beoordelen of, en zo ja, in hoeverre aan vorenbedoelde overschrijding gevolg dient te worden verbonden voor de hoogte van de
boete.
5.3. Nu het beroep in cassatie, zij het op een ambtshalve bijgebrachte grond, leidt tot vernietiging van 's Hofs uitspraak, moet het gegrond worden verklaard.
6. Proceskosten
De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87, en
veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, P.J. van Amersfoort, P. Lourens en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2006.