Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AR1739
2004-11-26
Civiel recht
C03/270HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2004:AR1739 → ECLI:NL:GHSHE:2003:AF9129
- conclusie ECLI:NL:HR:2004:AR1739 → ECLI:NL:PHR:2004:AR1739
Inhoudsindicatie
Aanvangsmoment korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (116)
- ECLI:NL:PHR:2026:540 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4236 Rechtbank Oost-Brabant 23-04-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2025:6817 Rechtbank Oost-Brabant 22-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6029 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-09-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2866 Rechtbank Noord-Nederland 02-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1306 Gerechtshof Den Haag 10-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:555 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:555 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:555 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:615 Gerechtshof Den Haag 22-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:428 Parket bij de Hoge Raad 11-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:465 Gerechtshof Den Haag 01-04-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2024:2933 Rechtbank Noord-Nederland 31-07-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:2107 Rechtbank Midden-Nederland 10-04-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6639 Rechtbank Gelderland 04-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7816 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2049 Gerechtshof Den Haag 17-10-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4423 Rechtbank Oost-Brabant 30-08-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:4445 Rechtbank Gelderland 02-08-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2110 Rechtbank Limburg 22-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:171 Parket bij de Hoge Raad 10-02-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:650 Rechtbank Rotterdam 13-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2923 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:587 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:637 Gerechtshof Den Haag 26-04-2022
- ECLI:NL:RBLIM:2022:1921 Rechtbank Limburg 09-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1061 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:9566 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:909 Parket bij de Hoge Raad 24-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:909 Parket bij de Hoge Raad 24-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:909 Parket bij de Hoge Raad 24-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:909 Parket bij de Hoge Raad 24-09-2021
- ECLI:NL:RVS:2021:1050 Raad van State 19-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3783 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-04-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:77 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 29-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:53 Parket bij de Hoge Raad 22-01-2021
- ECLI:NL:RBROT:2020:10811 Rechtbank Rotterdam 03-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:7228 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-09-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4702 Rechtbank Amsterdam 08-07-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1121 Gerechtshof Den Haag 07-07-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1161 Gerechtshof Den Haag 09-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:607 Parket bij de Hoge Raad 05-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:557 Parket bij de Hoge Raad 05-06-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1236 Gerechtshof Amsterdam 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:284 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:284 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:284 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:284 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:284 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:284 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:44 Gerechtshof Amsterdam 14-01-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2019:4742 Rechtbank Noord-Nederland 06-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1078 Parket bij de Hoge Raad 18-10-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2524 Gerechtshof Den Haag 01-10-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3402 Gerechtshof Amsterdam 17-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:823 Parket bij de Hoge Raad 05-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:823 Parket bij de Hoge Raad 05-07-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3594 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2019
- ECLI:NL:RBNNE:2019:1399 Rechtbank Noord-Nederland 09-04-2019
- ECLI:NL:RBNNE:2019:1130 Rechtbank Noord-Nederland 26-03-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.169 tekens)
26 november 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/270HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 4 augustus 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht. Na wijziging van eis heeft [eiser] gevorderd [verweerder] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van ƒ 34.236,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2000, althans vanaf 4 augustus 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 september 2001 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 29 april 2003 heeft het hof, met verbetering van gronden, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij besluit van 6 augustus 1982 heeft de directie van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor namens de bedrijfsvereniging voor de Overheidsdiensten (hierna: de bedrijfsvereniging) geweigerd aan [eiser] met ingang van 31 augustus 1980 een uitkering ingevolge de AAW en de WAO toe te kennen omdat [eiser] niet gedurende 52 weken - de zogenaamde wachttijd - onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en hij niet arbeidsongeschikt is bevonden per datum onderzoek, te weten 10 juni 1982.
(ii) Namens [eiser] is tegen dit besluit door [verweerder] beroep ingesteld bij de voormalige Raad van Beroep te Roermond. [Verweerder] is als raadsman van [eiser] opgetreden van augustus 1982 tot oktober 1983. De voormalige Raad van Beroep te Roermond heeft bij beschikking van 25 maart 1983 het beroep ongegrond verklaard. Namens [eiser] is tegen deze beschikking verzet aangetekend. Bij uitspraak van 9 september 1983 is het beroep ongegrond verklaard.
(iii) Tegen deze laatste uitspraak is namens [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Volgens [eiser] is de bedrijfsvereniging tijdens de hoger beroepsprocedure naar aanleiding van een ingesteld medisch onderzoek teruggekomen van haar besluit en is hij alsnog met ingang van 1 juni 1980 arbeidsongeschikt beschouwd in de zin van genoemde sociale zekerheidswetgeving.
(iv) In mei 1987 heeft de bedrijfsvereniging de alsnog verschuldigde AAW/WAO over de periode van juni 1980 tot en met mei 1987 (ƒ 37.799,78) aan [eiser] uitbetaald. De over dat bedrag verschuldigde wettelijke rente zou volgens [eiser] over de periode van 16 augustus 1982 tot 1 april 2000 in totaal ƒ 34.236,69 bedragen.
(v) Betaling van de bedrijfsvereniging van de wettelijke rente is volgens [eiser] niet te verkrijgen omdat de wettelijke rente niet ingevolge art. 1286 BW (oud) door [verweerder] aan de bedrijfsvereniging was aangezegd.
(vi) [Eiser] heeft vervolgens [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de schade bestaande uit gederfde wettelijke rente.
3.2 De hiervóór onder 1 vermelde vordering, gegrond op de stelling dat [verweerder] een beroepsfout heeft begaan door niet de wettelijke rente aan te zeggen, is door de rechtbank afgewezen omdat de vordering is verjaard. Het hof heeft in rov. 4.6 voorshands veronderstellenderwijs aangenomen dat de vordering niet is verjaard, maar heeft het vonnis van de rechtbank met verbetering van gronden bekrachtigd, omdat het, kort gezegd, van oordeel was dat [verweerder] geen beroepsfout kan worden verweten. De vraag of de vordering is verjaard, kon daarmee volgens het hof in het midden blijven. De hiertegen gerichte middelen behoeven geen behandeling, omdat de beslissing van de rechtbank, naar uit het hierna volgende blijkt, juist is, zodat het hof het daartegen gerichte beroep terecht heeft verworpen.
3.3 De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de verjaring van de onderhavige vordering tot schadevergoeding wordt beheerst door art. 3:310 lid 1 BW. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 3.4 geoordeeld dat de in dat artikel bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen in mei 1987, omdat toen sprake was van subjectieve bekendheid van [eiser] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. Daartoe overwoog de rechtbank dat in mei 1987 de bedrijfsvereniging de achteraf ten onrechte niet uitgekeerde uitkering ingevolge de AAW en de WAO heeft uitbetaald en dat toen betaling van de wettelijke rente achterwege bleef. Vanaf dat moment wist [eiser] derhalve dat geen rente werd vergoed en was hij derhalve bekend met de schade. [eiser] was op die dag eveneens bekend met de persoon van degene die de schade had veroorzaakt, zijnde [verweerder]. Dat [eiser] er wellicht op dat moment niet van op de hoogte was dat voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente op grond van art. 1286 (oud) BW aanzegging was vereist, doet daaraan volgens de rechtbank niet af, omdat noch uit de tekst van art. 3:310 lid 1 BW noch uit de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis valt op te maken dat het begrip "bekend" niet feitelijk maar juridisch dient te worden ingevuld. De rechtbank concludeerde dat de in mei 1987 aangevangen verjaringstermijn ten tijde van de inleidende dagvaarding van 4 augustus 2000 al lang was verstreken, zodat het beroep op verjaring gegrond is.
3.4 De rechtbank verwees voor de uitleg van het criterium "bekend is geworden" naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2001, nr. C99/158, NJ 2002, 383, waarin dit criterium aldus is opgevat dat sprake dient te zijn van daadwerkelijke bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Inmiddels heeft de Hoge Raad in het arrest van 31 oktober 2003, nr. C02/234, RvdW 2003, 169, zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot dit criterium aldus uitgewerkt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. Deze rechtspraak houdt echter niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn vereist is dat de benadeelde niet slechts daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon maar ook met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Het stellen van die eis zou niet in overeenstemming zijn met het voor een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer te aanvaarden uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard, en zou tot rechtsongelijkheid aanleiding geven waar juridische kennis niet in gelijke mate bij eenieder aanwezig is. Het zou ook in strijd met de rechtszekerheid zijn wanneer de aanvang van de verjaring afhankelijk zou zijn van het tijdstip waarop de benadeelde juridisch advies inwint. Ook de billijkheid, die naar in het laatstvermelde arrest is overwogen bij de korte verjaringstermijn naast de rechtszekerheid van betekenis is, staat aan het stellen van die eis in de weg. De benadeelde zou immers zonder hinder van deze verjaringstermijn kunnen profiteren van een eerst veel later bekend geworden inzicht met betrekking tot de juridische situatie ten tijde van het ontstaan van de schade, terwijl de aansprakelijke persoon zijn gedrag heeft gericht naar de toen geldende inzichten.
3.5 Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat de rechtbank met haar oordeel dat het begrip "bekend" feitelijk en niet juridisch moet worden ingevuld, kennelijk de hiervoor in 3.4 bedoelde maatstaf tot uitgangspunt heeft genomen. De stukken van het geding laten voorts geen andere gevolgtrekking toe dan dat [eiser] zich slechts tegen het beroep op verjaring heeft verweerd met de stellingen dat hij pas in 1996, of op zijn vroegst op 13 februari 1993, de datum van publicatie van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 1992, nr. 14743, NJ 1993, 113, daadwerkelijk bekend was met de schade, omdat pas uit dat arrest bleek dat hij wettelijke rente heeft moeten missen als gevolg van het niet aanzeggen van de wettelijke rente door [verweerder], en dat hij ook pas toen bekend was met de daarvoor aansprakelijke persoon, omdat hij pas na publicatie van het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1997, nr. 16413, NJ 1998, 508, in Rechtspraak van de Week op 5 november 1997 kon weten dat [verweerder] aansprakelijk was wegens het niet-aanzeggen van de wettelijke rente op de voet van art. 1286 (oud) BW. Nu een en ander uitsluitend de juridische beoordeling van de reeds in mei 1987 bekende feiten en omstandigheden betreft, heeft de rechtbank met toepassing van het juiste criterium het beroep op verjaring terecht gegrond geacht en kon het hof de daartegen gerichte grief van [eiser] slechts verwerpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 26 november 2004.
Eerste Kamer
Nr. C03/270HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 4 augustus 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht. Na wijziging van eis heeft [eiser] gevorderd [verweerder] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van ƒ 34.236,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2000, althans vanaf 4 augustus 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 september 2001 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 29 april 2003 heeft het hof, met verbetering van gronden, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij besluit van 6 augustus 1982 heeft de directie van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor namens de bedrijfsvereniging voor de Overheidsdiensten (hierna: de bedrijfsvereniging) geweigerd aan [eiser] met ingang van 31 augustus 1980 een uitkering ingevolge de AAW en de WAO toe te kennen omdat [eiser] niet gedurende 52 weken - de zogenaamde wachttijd - onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en hij niet arbeidsongeschikt is bevonden per datum onderzoek, te weten 10 juni 1982.
(ii) Namens [eiser] is tegen dit besluit door [verweerder] beroep ingesteld bij de voormalige Raad van Beroep te Roermond. [Verweerder] is als raadsman van [eiser] opgetreden van augustus 1982 tot oktober 1983. De voormalige Raad van Beroep te Roermond heeft bij beschikking van 25 maart 1983 het beroep ongegrond verklaard. Namens [eiser] is tegen deze beschikking verzet aangetekend. Bij uitspraak van 9 september 1983 is het beroep ongegrond verklaard.
(iii) Tegen deze laatste uitspraak is namens [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Volgens [eiser] is de bedrijfsvereniging tijdens de hoger beroepsprocedure naar aanleiding van een ingesteld medisch onderzoek teruggekomen van haar besluit en is hij alsnog met ingang van 1 juni 1980 arbeidsongeschikt beschouwd in de zin van genoemde sociale zekerheidswetgeving.
(iv) In mei 1987 heeft de bedrijfsvereniging de alsnog verschuldigde AAW/WAO over de periode van juni 1980 tot en met mei 1987 (ƒ 37.799,78) aan [eiser] uitbetaald. De over dat bedrag verschuldigde wettelijke rente zou volgens [eiser] over de periode van 16 augustus 1982 tot 1 april 2000 in totaal ƒ 34.236,69 bedragen.
(v) Betaling van de bedrijfsvereniging van de wettelijke rente is volgens [eiser] niet te verkrijgen omdat de wettelijke rente niet ingevolge art. 1286 BW (oud) door [verweerder] aan de bedrijfsvereniging was aangezegd.
(vi) [Eiser] heeft vervolgens [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de schade bestaande uit gederfde wettelijke rente.
3.2 De hiervóór onder 1 vermelde vordering, gegrond op de stelling dat [verweerder] een beroepsfout heeft begaan door niet de wettelijke rente aan te zeggen, is door de rechtbank afgewezen omdat de vordering is verjaard. Het hof heeft in rov. 4.6 voorshands veronderstellenderwijs aangenomen dat de vordering niet is verjaard, maar heeft het vonnis van de rechtbank met verbetering van gronden bekrachtigd, omdat het, kort gezegd, van oordeel was dat [verweerder] geen beroepsfout kan worden verweten. De vraag of de vordering is verjaard, kon daarmee volgens het hof in het midden blijven. De hiertegen gerichte middelen behoeven geen behandeling, omdat de beslissing van de rechtbank, naar uit het hierna volgende blijkt, juist is, zodat het hof het daartegen gerichte beroep terecht heeft verworpen.
3.3 De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de verjaring van de onderhavige vordering tot schadevergoeding wordt beheerst door art. 3:310 lid 1 BW. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 3.4 geoordeeld dat de in dat artikel bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen in mei 1987, omdat toen sprake was van subjectieve bekendheid van [eiser] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. Daartoe overwoog de rechtbank dat in mei 1987 de bedrijfsvereniging de achteraf ten onrechte niet uitgekeerde uitkering ingevolge de AAW en de WAO heeft uitbetaald en dat toen betaling van de wettelijke rente achterwege bleef. Vanaf dat moment wist [eiser] derhalve dat geen rente werd vergoed en was hij derhalve bekend met de schade. [eiser] was op die dag eveneens bekend met de persoon van degene die de schade had veroorzaakt, zijnde [verweerder]. Dat [eiser] er wellicht op dat moment niet van op de hoogte was dat voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente op grond van art. 1286 (oud) BW aanzegging was vereist, doet daaraan volgens de rechtbank niet af, omdat noch uit de tekst van art. 3:310 lid 1 BW noch uit de daarop betrekking hebbende wetsgeschiedenis valt op te maken dat het begrip "bekend" niet feitelijk maar juridisch dient te worden ingevuld. De rechtbank concludeerde dat de in mei 1987 aangevangen verjaringstermijn ten tijde van de inleidende dagvaarding van 4 augustus 2000 al lang was verstreken, zodat het beroep op verjaring gegrond is.
3.4 De rechtbank verwees voor de uitleg van het criterium "bekend is geworden" naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2001, nr. C99/158, NJ 2002, 383, waarin dit criterium aldus is opgevat dat sprake dient te zijn van daadwerkelijke bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Inmiddels heeft de Hoge Raad in het arrest van 31 oktober 2003, nr. C02/234, RvdW 2003, 169, zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot dit criterium aldus uitgewerkt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. Deze rechtspraak houdt echter niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn vereist is dat de benadeelde niet slechts daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon maar ook met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Het stellen van die eis zou niet in overeenstemming zijn met het voor een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer te aanvaarden uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard, en zou tot rechtsongelijkheid aanleiding geven waar juridische kennis niet in gelijke mate bij eenieder aanwezig is. Het zou ook in strijd met de rechtszekerheid zijn wanneer de aanvang van de verjaring afhankelijk zou zijn van het tijdstip waarop de benadeelde juridisch advies inwint. Ook de billijkheid, die naar in het laatstvermelde arrest is overwogen bij de korte verjaringstermijn naast de rechtszekerheid van betekenis is, staat aan het stellen van die eis in de weg. De benadeelde zou immers zonder hinder van deze verjaringstermijn kunnen profiteren van een eerst veel later bekend geworden inzicht met betrekking tot de juridische situatie ten tijde van het ontstaan van de schade, terwijl de aansprakelijke persoon zijn gedrag heeft gericht naar de toen geldende inzichten.
3.5 Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat de rechtbank met haar oordeel dat het begrip "bekend" feitelijk en niet juridisch moet worden ingevuld, kennelijk de hiervoor in 3.4 bedoelde maatstaf tot uitgangspunt heeft genomen. De stukken van het geding laten voorts geen andere gevolgtrekking toe dan dat [eiser] zich slechts tegen het beroep op verjaring heeft verweerd met de stellingen dat hij pas in 1996, of op zijn vroegst op 13 februari 1993, de datum van publicatie van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 1992, nr. 14743, NJ 1993, 113, daadwerkelijk bekend was met de schade, omdat pas uit dat arrest bleek dat hij wettelijke rente heeft moeten missen als gevolg van het niet aanzeggen van de wettelijke rente door [verweerder], en dat hij ook pas toen bekend was met de daarvoor aansprakelijke persoon, omdat hij pas na publicatie van het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1997, nr. 16413, NJ 1998, 508, in Rechtspraak van de Week op 5 november 1997 kon weten dat [verweerder] aansprakelijk was wegens het niet-aanzeggen van de wettelijke rente op de voet van art. 1286 (oud) BW. Nu een en ander uitsluitend de juridische beoordeling van de reeds in mei 1987 bekende feiten en omstandigheden betreft, heeft de rechtbank met toepassing van het juiste criterium het beroep op verjaring terecht gegrond geacht en kon het hof de daartegen gerichte grief van [eiser] slechts verwerpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 26 november 2004.