Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2004:AQ8178

2004-09-24 Civiel recht C03/169HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2004-09-24
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
C03/169HR
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | JOL 2004, 484 | JWB 2004/324

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

24 september 2004 Eerste Kamer Nr. C03/169HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (6)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.100 tekens)
24 september 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/169HR
JMH


Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:


[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,


t e g e n


[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.


1. Het geding in feitelijke instanties


Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 9 februari 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en - na eiswijziging in eerste aanleg en voor zover in cassatie nog van belang - gevorderd te bepalen dat in het kader van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen onder andere (alsnog) aan de vrouw zal worden toegescheiden en toebedeeld een bedrag van ƒ 30.187,50 ter zake van de toescheiding aan de man van de onderneming inclusief de "Grada" en de "Calypso".
De man heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 27 mei 1999 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 18 oktober 2001 voormelde vordering toegewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 15 januari 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaald dat in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen door de man aan de vrouw dient te worden voldaan een bedrag van ƒ 809,50 (€ 367,34), dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de proceskosten in beide instanties in die zin gecompenseerd dat de partijen ieder de eigen kosten dragen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie


Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de man, die niet is verschenen, is verstek verleend.
De vrouw heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.


3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing


De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.


Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 september 2004.