Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AO5711
2004-05-04
Strafrecht
02307/03
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2004:AO5711 → ECLI:NL:PHR:2004:AO5711
Inhoudsindicatie
Undue delay en niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep. Het hof heeft de verdachte terecht niet-ontvankelijk verklaard zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kunnen de klachten dat in de appèlfase en de cassatiefase de redelijke termijn is overschreden niet tot cassatie leiden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (17)
- ECLI:NL:PHR:2026:366 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:38 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:998 Parket bij de Hoge Raad 16-09-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1688 Hoge Raad 26-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:4 Parket bij de Hoge Raad 09-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:785 Parket bij de Hoge Raad 10-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:785 Parket bij de Hoge Raad 10-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:397 Parket bij de Hoge Raad 04-04-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1906 Hoge Raad 20-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1110 Parket bij de Hoge Raad 29-11-2022
- ECLI:NL:HR:2022:64 Hoge Raad 25-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2018:1013 Parket bij de Hoge Raad 18-09-2018
- ECLI:NL:HR:2018:42 Hoge Raad 16-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1451 Parket bij de Hoge Raad 21-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:999 Parket bij de Hoge Raad 04-07-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:490 Parket bij de Hoge Raad 19-04-2016
- ECLI:NL:HR:2014:3112 Hoge Raad 04-11-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.590 tekens)
4 mei 2004
Strafkamer
nr. 02307/03
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 januari 2002, nummer 23/002125-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Australië) op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 30 maart 2000, waarbij de verdachte ter zake van "diefstal" is veroordeeld tot één week gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM zowel in hoger beroep als in de cassatiefase.
3.2. De schriftuur bevat geen klachten ten aanzien van 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep. De Hoge Raad oordeelt ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. Daarom moet er in cassatie van worden uitgegaan dat het Hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens haar ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden en wel op 16 juni 2000.
3.3. Bij deze stand van zaken kan noch de klacht dat in de appèlfase de redelijke termijn is overschreden, noch de grief dat het Hof de gedingstukken niet tijdig na het instellen van het cassatieberoep heeft ingezonden, noch het bezwaar dat de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het aantekenen van dat beroep uitspraak zou doen, leiden tot vernietiging van 's Hofs uitspraak.
3.4. Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 mei 2004.
Strafkamer
nr. 02307/03
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 januari 2002, nummer 23/002125-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Australië) op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 30 maart 2000, waarbij de verdachte ter zake van "diefstal" is veroordeeld tot één week gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM zowel in hoger beroep als in de cassatiefase.
3.2. De schriftuur bevat geen klachten ten aanzien van 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep. De Hoge Raad oordeelt ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. Daarom moet er in cassatie van worden uitgegaan dat het Hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens haar ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden en wel op 16 juni 2000.
3.3. Bij deze stand van zaken kan noch de klacht dat in de appèlfase de redelijke termijn is overschreden, noch de grief dat het Hof de gedingstukken niet tijdig na het instellen van het cassatieberoep heeft ingezonden, noch het bezwaar dat de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het aantekenen van dat beroep uitspraak zou doen, leiden tot vernietiging van 's Hofs uitspraak.
3.4. Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 mei 2004.