Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2004:AO5063
2004-03-05
Bestuursrecht; Belastingrecht
39245
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2004:AO5063 → ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7837
Inhoudsindicatie
Nr. 39.245 5 maart 2004 wv gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Verenigd Koninkrijk) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 oktober 2002, nr. 01/02390, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (63)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5196 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7164 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1560 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9204 Rechtbank Den Haag 05-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1125 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3621 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:7593 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4352 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2337 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1608 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2012 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-06-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1917 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-06-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:296 Parket bij de Hoge Raad 15-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:10380 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-12-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3615 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:664 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-01-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1337 Hoge Raad 30-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:5410 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1823 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:67 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:11530 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-12-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6299 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-12-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:2887 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:114 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 01-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3822 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3824 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3823 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:128 Gerechtshof Den Haag 12-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1768 Gerechtshof Den Haag 16-09-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1850 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-06-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1285 Rechtbank Gelderland 24-02-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:1038 Rechtbank Oost-Brabant 19-02-2020
- ECLI:NL:HR:2019:1102 Hoge Raad 05-07-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3985 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-05-2019
- ECLI:NL:RBZWB:2019:1627 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-04-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:536 Gerechtshof Den Haag 08-03-2019
- ECLI:NL:RBNNE:2018:4910 Rechtbank Noord-Nederland 11-12-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:11209 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3397 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-07-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:3032 Gerechtshof Amsterdam 23-05-2017
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1786 Gerechtshof Amsterdam 02-05-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:5224 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-06-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2623 Gerechtshof Amsterdam 31-05-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:2387 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-04-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:2386 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-04-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:2388 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-04-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2016:676 Gerechtshof Amsterdam 10-02-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2015:3993 Gerechtshof Amsterdam 11-06-2015
- ECLI:NL:RBGEL:2015:2983 Rechtbank Gelderland 07-05-2015
- ECLI:NL:RBNHO:2015:2025 Rechtbank Noord-Holland 16-03-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:1851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-03-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:1851 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-03-2015
- ECLI:NL:GHARL:2015:1074 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-02-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (6.194 tekens)
Nr. 39.245
5 maart 2004
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Verenigd Koninkrijk) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 oktober 2002, nr. 01/02390, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 675.873. Belanghebbende is in het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat het aanslagbiljet op of voor 18 augustus 2000 - de dagtekening ervan - is verzonden naar het toen bij de Belastingdienst bekende adres van belanghebbende. Voorzover middel 1 zich daartegen keert faalt het, nu noch uit 's Hofs uitspraak noch uit de stukken van het geding valt af te leiden dat belanghebbende voor het Hof de stelling van de Inspecteur dat het aanslagbiljet is toegezonden naar het toen bij de Belastingdienst vermelde adres van belanghebbende heeft betwist of heeft aangevoerd dat die toezending heeft plaatsgevonden op een latere dag dan die van de dagtekening van het aanslagbiljet.
3.2. Middel 1 richt zich voor het overige tegen 's Hofs oordeel dat door de toezending van het aanslagbiljet aan belanghebbende de aanslag op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.
De bekendmaking van een aanslag geschiedt ingevolge artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 door de ontvanger, en wel, zulks in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht, door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Als de bekendmaking niet kan geschieden door toezending of uitreiking kan, op grond van artikel 3:41, lid 2, van laatstgenoemde wet, de bekendmaking ook geschieden op een andere geschikte wijze.
Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. De evenvermelde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de belastingdienst is te verwijten). In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
In het onderhavige geval ligt in 's Hofs - op zichzelf in cassatie niet bestreden - oordeel dat de verzending op de juiste wijze is uitgevoerd nu het door de Inspecteur (bedoeld zal zijn: de Ontvanger) gehanteerde adres kort voor de toezending feitelijk juist was en belanghebbende is verhuisd zonder dit door te geven, besloten het oordeel dat de omstandigheid dat het aanslagbiljet belanghebbende niet heeft bereikt, niet het gevolg is van een fout van de Belastingdienst. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Daarvan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat met de toezending van het aanslagbiljet de bekendmaking van de aanslag heeft plaatsgevonden.
Middel 1 faalt derhalve ook voor het overige.
3.3. Middel 2 keert zich tegen 's Hofs oordeel dat geen rechtsregel verplichtte tot toezending van het aanslagbiljet aan ook een ander adres dan dat van belanghebbende. Dit oordeel is juist, in aanmerking genomen dat, naar het Hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, door of namens belanghebbende niet daartoe een verzoek is gedaan of een vertegenwoordiger is aangewezen als bedoeld in artikel 58 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (vgl. HR 24 juli 2001, nr. 35984, BNB 2001/336, en HR 11 april 2003, nr. 37605, BNB 2003/204). Het middel faalt derhalve.
3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn is te wijten aan een verzuim van belanghebbende en dat de Inspecteur belanghebbende dan ook terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de Inspecteur terecht het standpunt heeft ingenomen dat zich te dezen niet een geval voordoet als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het beroep van belanghebbende op artikel 3:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht miskent dat die bepaling geen betrekking heeft op de toepassing van artikel 6:11 van die wet. Ook de middelen 3 en 4 falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2004.
5 maart 2004
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Verenigd Koninkrijk) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 oktober 2002, nr. 01/02390, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 675.873. Belanghebbende is in het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat het aanslagbiljet op of voor 18 augustus 2000 - de dagtekening ervan - is verzonden naar het toen bij de Belastingdienst bekende adres van belanghebbende. Voorzover middel 1 zich daartegen keert faalt het, nu noch uit 's Hofs uitspraak noch uit de stukken van het geding valt af te leiden dat belanghebbende voor het Hof de stelling van de Inspecteur dat het aanslagbiljet is toegezonden naar het toen bij de Belastingdienst vermelde adres van belanghebbende heeft betwist of heeft aangevoerd dat die toezending heeft plaatsgevonden op een latere dag dan die van de dagtekening van het aanslagbiljet.
3.2. Middel 1 richt zich voor het overige tegen 's Hofs oordeel dat door de toezending van het aanslagbiljet aan belanghebbende de aanslag op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.
De bekendmaking van een aanslag geschiedt ingevolge artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 door de ontvanger, en wel, zulks in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht, door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. Als de bekendmaking niet kan geschieden door toezending of uitreiking kan, op grond van artikel 3:41, lid 2, van laatstgenoemde wet, de bekendmaking ook geschieden op een andere geschikte wijze.
Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. De evenvermelde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de belastingdienst is te verwijten). In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
In het onderhavige geval ligt in 's Hofs - op zichzelf in cassatie niet bestreden - oordeel dat de verzending op de juiste wijze is uitgevoerd nu het door de Inspecteur (bedoeld zal zijn: de Ontvanger) gehanteerde adres kort voor de toezending feitelijk juist was en belanghebbende is verhuisd zonder dit door te geven, besloten het oordeel dat de omstandigheid dat het aanslagbiljet belanghebbende niet heeft bereikt, niet het gevolg is van een fout van de Belastingdienst. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Daarvan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat met de toezending van het aanslagbiljet de bekendmaking van de aanslag heeft plaatsgevonden.
Middel 1 faalt derhalve ook voor het overige.
3.3. Middel 2 keert zich tegen 's Hofs oordeel dat geen rechtsregel verplichtte tot toezending van het aanslagbiljet aan ook een ander adres dan dat van belanghebbende. Dit oordeel is juist, in aanmerking genomen dat, naar het Hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, door of namens belanghebbende niet daartoe een verzoek is gedaan of een vertegenwoordiger is aangewezen als bedoeld in artikel 58 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (vgl. HR 24 juli 2001, nr. 35984, BNB 2001/336, en HR 11 april 2003, nr. 37605, BNB 2003/204). Het middel faalt derhalve.
3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn is te wijten aan een verzuim van belanghebbende en dat de Inspecteur belanghebbende dan ook terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de Inspecteur terecht het standpunt heeft ingenomen dat zich te dezen niet een geval voordoet als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het beroep van belanghebbende op artikel 3:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht miskent dat die bepaling geen betrekking heeft op de toepassing van artikel 6:11 van die wet. Ook de middelen 3 en 4 falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2004.