Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7164

2026-07-31 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 26/342
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-31
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/342
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026080710; FutD 2026-1399; V-N Vandaag 2026/1656; NDFR Nieuws 2026/1235

Inhoudsindicatie

verschoonbare termijnoverschrijding, beroep gegrond, aanslag IB/PVV 2018 wordt vernietigd omdat deze buiten de termijn is opgelegd.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.825 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 26/342


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen



[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Yersey), belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.A. Booij),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 december 2025.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 305.148. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 17.891 aan belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door de gemachtigde en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Zij doet de beoordeling aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Voor dat geval staat tussen partijen vast dat de aanslag IB 2018 buiten de aanslagtermijn opgelegd. De rechtbank zal daarom de aanslag IB 2018 en de gelijktijdig opgelegde belastingrentebeschikking vernietigen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten


4. Belanghebbende heeft niet de Nederlandse nationaliteit en heeft nooit in Nederland gewoond.



4.1.
Belanghebbende staat vanaf 4 maart 2014 tot en met 19 maart 2024 in de basisadministratie en in het systeem van de Belastingdienst geregistreerd op het volgende adres (het adres in Zwitserland):



[adres]



Zwitserland





4.2.
In de jaren 2013 en 2014 heeft belanghebbende twee onroerende zaken in [plaats] gekocht met een monumentale status (de onroerende zaken). Op dat moment woonde belanghebbende in Zwitserland.



4.3.
Na aankoop van de onroerende zaken heeft belanghebbende, bij de aanvraag van een BSN-nummer, het adres in Zwitserland doorgegeven als woonadres.



4.4.
Belanghebbende heeft nooit post van de Belastingdienst ontvangen op het adres in Zwitserland toen hij daar woonde.



4.5.
Belanghebbende woont sinds 2016 in Jersey.



4.6.
Belanghebbende is niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB 2018.



4.7.
Op 29 december 2023 heeft de belastingadviseur van belanghebbende aangifte IB 2018 ingediend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 305.148. Tot de aangegeven grondslag sparen en beleggen behoren alleen de onroerende zaken.



4.8.
De ingediende aangifte IB 2018 wijkt af van de aangifte zoals belanghebbende en zijn adviseur zijn overeengekomen. In de tussen belanghebbende en zijn adviseur overeengekomen aangifte IB 2018 is een monumentenaftrek geclaimd waardoor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nihil bedraagt.



4.9.
Met dagtekening 1 februari 2024 is de aanslag IB 2018 van belanghebbende conform de ingediende aangifte vastgesteld. Daarbij is een bedrag van € 17.891 aan belastingrente in rekening gebracht.



4.10.
De aanslag IB 2018 is geadresseerd aan het adres in Zwitserland (4.1).



4.11.
Op 27 juni 2024 heeft de belastingadviseur van belanghebbende, namens belanghebbende, bezwaar ingediend.




Motivering



Bekendmaking van de aanslag




5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het besluit, tenzij de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van de bekendmaking. In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.



5.1.
Indien de bekendmaking van de aanslag plaatsvindt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. De bezwaartermijn gaat dan lopen met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van terpostbezorging. Een uitzondering wordt gemaakt wanneer het aanslagbiljet de belastingschuldige niet heeft bereikt en dit het gevolg is van een fout van de Belastingdienst. Hierbij kan gedacht worden aan een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst is te wijten. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat de bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.



5.2.
De aanslag IB 2018 is in dit geval verzonden aan het adres in Zwitserland terwijl belanghebbende op dat moment in Jersey woonde.



5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de verkeerde adressering niet aan de Belastingdienst te wijten. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om voorafgaand aan het indienen van de aangifte IB 2018 een juist adres aan de Belastingdienst door te geven. Belanghebbende had namelijk sinds de aankoop van de onroerende zaken in Nederland in de jaren 2013 en 2014 fiscale banden met Nederland, omdat uit het bezit van de onroerende zaken belastbaar inkomen kan voortkomen. De enkele stelling van belanghebbende dat hij rond de jaarwisseling van 2015 naar 2016 en in januari 2024 zijn adres heeft geprobeerd te wijzigen bij de Belastingdienst, is gelet op de betwisting door de inspecteur, onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij zijn nieuwe adresgegevens tijdig heeft doorgegeven. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het juiste adres tijdig aan de inspecteur heeft doorgegeven, mocht de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank uitgaan van het laatst bij hem bekende adres.



5.4.
Belanghebbende heeft in dat geval betwist dat de aanslag op het adres in Zwitserland is ontvangen. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat aanslag IB 2018 is verzonden en aan welk postvervoerbedrijf de aanslag voor verzending is aangeboden. De inspecteur kan dit bewijs leveren door een (verzend)administratie over te leggen waaruit dit blijkt.



5.5.
Uit de door de inspecteur verlegde verzendadministratie volgt dat het aanslagbiljet met dagtekening 1 februari 2024 op 24 januari 2024 is aangeboden aan PostNL en is verzonden aan het adres in Zwitserland. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat het aanslagbiljet niet alleen is aangeboden aan de interne postafdeling, maar ook ter verzending is aangeboden aan PostNL en dat de verzending (terpostbezorging) heeft plaatsgevonden. De verzendrapportage maakt voldoende concreet dat dit aanslagbiljet onderdeel uitmaakte van de destijds verzonden bulk aan documenten.



5.6.
Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur de aanslag IB 2018 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt binnen de daarvoor geldende termijn. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet, zijnde 2 februari 2024. Het bezwaar van 27 juni 2024 is buiten de bezwaartermijn ingediend.



Verschoonbare termijnoverschrijding?





5.7.
Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake indien: (i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig bezwaar in te stellen. Verder biedt de term “redelijkerwijs” in artikel 6:11 Awb het bestuursorgaan en de bestuursrechter enige ruimte om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen factoren zoals de hoedanigheid en de mate van deskundigheid van de indiener een rol spelen, en kan ook betekenis toekomen aan andere factoren zoals de voortvarendheid waarmee de betrokkene alsnog bezwaar heeft ingesteld.



5.8.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in de situatie van belanghebbende sprake van een geringe verwijtbaarheid met betrekking tot het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift. Hoewel belanghebbende zich er van bewust had moeten zijn dat hij door de aanschaf van de onroerende zaken in 2013 en 2014 fiscale banden met Nederland kreeg, is de rechtbank van oordeel, dat – gelet op de omstandigheden van het geval – het achterwege blijven van een adreswijziging niet is toe te rekenen aan belanghebbende. Hierbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft niet de Nederlandse nationaliteit en heeft bovendien nooit in Nederland gewoond. Hij heeft geen kennis van het fiscale recht in Nederland en voorafgaand aan het indienen van de aangifte IB 2018 heeft belanghebbende nooit contact gehad met de Belastingdienst. Nu belanghebbende het adres in Zwitserland slechts eenmalig heeft doorgegeven bij de aanvraag van een BSN-nummer, en hij bovendien nooit post van de Belastingdienst in Zwitserland heeft ontvangen hoefde hij zich er niet bewust van te zijn dat het adres in Zwitserland sinds 2014 door de Belastingdienst als zijn woonadres werd aangemerkt.
Bovendien heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank zo spoedig mogelijk alsnog bezwaar ingediend toen hij bekend is geworden met de aanslag. In juni 2024 heeft belanghebbende de Belastingdienst gebeld om te vragen waarom hij nog geen aanslag IB 2018 had ontvangen. Toen is aan hem medegedeeld dat de aanslag IB 2018 met dagtekening 1 februari 2024 aan het adres is Zwitserland is verzonden. Vervolgens heeft belanghebbende direct zijn belastingadviseur gecontacteerd en die heeft per omgaande bezwaar gemaakt.




5.9.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de termijnoverschrijding in verband met de niet-tijdige indiening van het bezwaarschrift niet aan belanghebbende moet worden toegerekend en dat de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.



Tijdigheid aanslag IB 2018





5.10.
Nu het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, kan de rechtbank overgaan tot inhoudelijke beoordeling van de aanslag IB 2018. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de aanslag IB 2018 buiten de aanslagtermijn is opgelegd en dat deze dient te worden vernietigd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.




Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de aanslag IB 2018 en de gelijktijdig opgelegde belastingrentebeschikking.



6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat ook de reis-en verblijfkosten van belanghebbende ten bedrage van € 546 worden vergoed. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.414.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de aanslag IB 2018 en de gelijktijdige opgelegde belastingrentebeschikking;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 54 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.414 aan proceskosten aan belanghebbende.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.














griffier


rechter








De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.




Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Dit volgt uit artikel 6:8 van de Awb.


Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, r.o. 3.2 en Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.4.


Artikel 7.1 Wet inkomstenbelasting 2011.


Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, r.o. 2.5.1.


Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.3.


Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.4 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.4


Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.5.