Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2003:AI0411
2003-10-24
Bestuursrecht; Belastingrecht
37856
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2003:AI0411 → ECLI:NL:PHR:2003:AI0411
Inhoudsindicatie
Nr. 37.856 24 oktober 2003 EC gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 maart 2002, nr. 01/02509, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag en bezwaar...
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (92)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1526 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4873 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4485 Rechtbank Gelderland 24-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4484 Rechtbank Gelderland 24-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:431 Gerechtshof Den Haag 10-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1907 Rechtbank Noord-Holland 05-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:125 Gerechtshof Den Haag 13-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9088 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9090 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3620 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-12-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15786 Rechtbank Noord-Holland 02-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22445 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22440 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22439 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2599 Gerechtshof Amsterdam 23-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5699 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:841 Parket bij de Hoge Raad 08-08-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:6003 Rechtbank Gelderland 24-07-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:6002 Rechtbank Gelderland 24-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1514 Gerechtshof Den Haag 08-07-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5298 Rechtbank Gelderland 04-07-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5301 Rechtbank Gelderland 04-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:583 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27868 Rechtbank Den Haag 22-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:27920 Rechtbank Den Haag 22-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:442 Parket bij de Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5399 Rechtbank Den Haag 21-03-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14222 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14223 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14223 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14222 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14220 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14220 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14221 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:14221 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3643 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3644 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16826 Rechtbank Den Haag 08-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5458 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5459 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-08-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7985 Rechtbank Den Haag 23-05-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1619 Gerechtshof Amsterdam 21-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2949 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1913 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3643 Rechtbank Noord-Holland 08-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7985 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7984 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2726 Gerechtshof Den Haag 15-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6776 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1446 Gerechtshof Den Haag 27-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4181 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2316 Gerechtshof Amsterdam 06-06-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:5130 Rechtbank Noord-Holland 09-05-2023
- ECLI:NL:HR:2023:26 Hoge Raad 13-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5625 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5574 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5573 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2325 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (7.682 tekens)
Nr. 37.856
24 oktober 2003
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 maart 2002, nr. 01/02509, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 95.589.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof te Leeuwarden. De uitspraak van dit gerechtshof van 2 februari 2001 is op het beroep in cassatie van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2001, nr. 36857, (BNB 2001/422), vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 20 mei 2003 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak en verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
4. Beoordeling van de klachten
4.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
4.1.1. Belanghebbende is een in 1977 opgerichte besloten vennootschap die onder meer tot doel heeft de uitvoering van oudedagsvoorzieningen ten behoeve van haar directeur/groot-aandeelhouder BB, en diens echtgenote.
4.1.2. De bij belanghebbende ondergebrachte oudedagsvoorzieningen betroffen een reeds ingegane pensioenuitkering van f 11.488 per jaar en een reeds ingegane lijfrente-uitkering van f 12.350 per jaar. Daarnaast had belanghebbende zich verplicht met ingang van 1 januari 1992 lijfrentetermijnen uit te keren van f 14.000 en f 4.000 per jaar. Het totale bedrag aan pensioen- en lijfrente-uitkeringen vanaf 1992 bedroeg voor BB derhalve f 41.838 (waarvan f 30.350 aan lijfrente-uitkeringen). Bij vooroverlijden van BB was voorzien in gelijkblijvende lijfrente-uitkeringen en een weduwepensioen van f 8041 per jaar voor de echtgenote van BB. Belanghebbende heeft met betrekking tot deze verplichtingen een passiefpost opgenomen die op 24 december 1991 f 523.028 bedroeg.
4.1.3. Belanghebbende heeft op 24 december 1991 de hiervóór vermelde pensioen- en lijfrenteverplichtingen overgedragen aan DD BV. De aandelen van DD BV zijn in handen van de zoon van BB en diens echtgenote. De door belanghebbende te storten koopsom voor deze overdracht was gelijk aan het bedrag van de op de balans van belanghebbende voorkomende passiefpost van f 523.028. De overeenkomst waarin de verplichtingen werden overgedragen (hierna: de Overeenkomst) voorzag eveneens in een aanpassing van de uit te keren lijfrentetermijnen. Deze aanpassingen hielden verband met de rentestand op het moment van het aangaan van de Overeenkomst. De door DD BV - vanaf 1 januari 1992 - uit te keren termijnen zouden jaarlijks f 53.000 gaan bedragen (bestaande uit f 11.488 aan pensioenuitkeringen en f 41.512 aan lijfrente-uitkeringen). Bij vooroverlijden van BB zou DD BV jaarlijks f 37.000 aan de echtgenote van BB uitkeren, tot haar overlijden (pensioenuitkeringen ad f 8.041 en lijfrente-uitkeringen ad f 28.959).
4.2. De Inspecteur heeft in verband met de Overeenkomst voor een bedrag ad f 108.326 een uitdeling aan BB in aanmerking genomen, zijnde het verschil tussen de door belanghebbende gestorte koopsom ad f 523.028 en het door de Inspecteur voor de verplichtingen (voor verhoging) berekende bedrag ad f 414.702.
4.3. In de eerste klacht bestrijdt belanghebbende onder meer met een motiveringsklacht het oordeel van het Hof dat belanghebbende en BB zich ervan bewust waren, althans zich er redelijkerwijze van bewust hadden moeten zijn dat er bij de Overeenkomst sprake was van een vermogensverschuiving van belanghebbende naar haar aandeelhouders. De klacht faalt in zoverre. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. De klacht faalt ook voor het overige. Het bewustheidsvereiste houdt niet meer in dan dat partijen bij de Overeenkomst zich ervan bewust moeten zijn geweest dat de aandeelhouders werden bevoordeeld met een door de Overeenkomst ontstane vermogensverschuiving (vgl. HR 8 juli 1997, nr. 32050, BNB 1997/295).
4.4.1. De derde klacht houdt - kort weergegeven - in dat bij de door het Hof gevolgde - en door belanghebbende bestreden - berekeningswijze van de Inspecteur voor de overdrachtswaarde van de pensioen- en lijfrenteverplichtingen ten onrechte geen rekening is gehouden met een kosten- en winstopslag.
4.4.2. Indien in een geval als het onderhavige bij de overdracht van een pensioen - of lijfrenteverplichting sprake is van een onttrekking, zal voor de berekening van de omvang van die onttrekking de ten laste van de vennootschap gekomen koopsom moeten worden vergeleken met een koopsom die zou zijn overeengekomen tussen zakelijk handelende partijen zoals het geval is bij overdracht van de verplichtingen aan een verzekeringsmaatschappij. Bij de berekening van de door de vennootschap te betalen koopsom dient derhalve rekening te worden gehouden met een kosten- en winstopslag die vergelijkbaar is met die door verzekeringsmaatschappijen bij de berekening van hun tarieven in aanmerking wordt genomen.
4.4.3. Op de hiervoor in 4.4.2. vermelde gronden en op de gronden aangevoerd in onderdeel 9.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal slaagt de klacht. De tweede klacht behoeft geen behandeling meer. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof te Leeuwarden en voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630 (€ 285,88), en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2003.
24 oktober 2003
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 maart 2002, nr. 01/02509, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 95.589.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof te Leeuwarden. De uitspraak van dit gerechtshof van 2 februari 2001 is op het beroep in cassatie van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2001, nr. 36857, (BNB 2001/422), vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 20 mei 2003 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak en verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
4. Beoordeling van de klachten
4.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
4.1.1. Belanghebbende is een in 1977 opgerichte besloten vennootschap die onder meer tot doel heeft de uitvoering van oudedagsvoorzieningen ten behoeve van haar directeur/groot-aandeelhouder BB, en diens echtgenote.
4.1.2. De bij belanghebbende ondergebrachte oudedagsvoorzieningen betroffen een reeds ingegane pensioenuitkering van f 11.488 per jaar en een reeds ingegane lijfrente-uitkering van f 12.350 per jaar. Daarnaast had belanghebbende zich verplicht met ingang van 1 januari 1992 lijfrentetermijnen uit te keren van f 14.000 en f 4.000 per jaar. Het totale bedrag aan pensioen- en lijfrente-uitkeringen vanaf 1992 bedroeg voor BB derhalve f 41.838 (waarvan f 30.350 aan lijfrente-uitkeringen). Bij vooroverlijden van BB was voorzien in gelijkblijvende lijfrente-uitkeringen en een weduwepensioen van f 8041 per jaar voor de echtgenote van BB. Belanghebbende heeft met betrekking tot deze verplichtingen een passiefpost opgenomen die op 24 december 1991 f 523.028 bedroeg.
4.1.3. Belanghebbende heeft op 24 december 1991 de hiervóór vermelde pensioen- en lijfrenteverplichtingen overgedragen aan DD BV. De aandelen van DD BV zijn in handen van de zoon van BB en diens echtgenote. De door belanghebbende te storten koopsom voor deze overdracht was gelijk aan het bedrag van de op de balans van belanghebbende voorkomende passiefpost van f 523.028. De overeenkomst waarin de verplichtingen werden overgedragen (hierna: de Overeenkomst) voorzag eveneens in een aanpassing van de uit te keren lijfrentetermijnen. Deze aanpassingen hielden verband met de rentestand op het moment van het aangaan van de Overeenkomst. De door DD BV - vanaf 1 januari 1992 - uit te keren termijnen zouden jaarlijks f 53.000 gaan bedragen (bestaande uit f 11.488 aan pensioenuitkeringen en f 41.512 aan lijfrente-uitkeringen). Bij vooroverlijden van BB zou DD BV jaarlijks f 37.000 aan de echtgenote van BB uitkeren, tot haar overlijden (pensioenuitkeringen ad f 8.041 en lijfrente-uitkeringen ad f 28.959).
4.2. De Inspecteur heeft in verband met de Overeenkomst voor een bedrag ad f 108.326 een uitdeling aan BB in aanmerking genomen, zijnde het verschil tussen de door belanghebbende gestorte koopsom ad f 523.028 en het door de Inspecteur voor de verplichtingen (voor verhoging) berekende bedrag ad f 414.702.
4.3. In de eerste klacht bestrijdt belanghebbende onder meer met een motiveringsklacht het oordeel van het Hof dat belanghebbende en BB zich ervan bewust waren, althans zich er redelijkerwijze van bewust hadden moeten zijn dat er bij de Overeenkomst sprake was van een vermogensverschuiving van belanghebbende naar haar aandeelhouders. De klacht faalt in zoverre. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. De klacht faalt ook voor het overige. Het bewustheidsvereiste houdt niet meer in dan dat partijen bij de Overeenkomst zich ervan bewust moeten zijn geweest dat de aandeelhouders werden bevoordeeld met een door de Overeenkomst ontstane vermogensverschuiving (vgl. HR 8 juli 1997, nr. 32050, BNB 1997/295).
4.4.1. De derde klacht houdt - kort weergegeven - in dat bij de door het Hof gevolgde - en door belanghebbende bestreden - berekeningswijze van de Inspecteur voor de overdrachtswaarde van de pensioen- en lijfrenteverplichtingen ten onrechte geen rekening is gehouden met een kosten- en winstopslag.
4.4.2. Indien in een geval als het onderhavige bij de overdracht van een pensioen - of lijfrenteverplichting sprake is van een onttrekking, zal voor de berekening van de omvang van die onttrekking de ten laste van de vennootschap gekomen koopsom moeten worden vergeleken met een koopsom die zou zijn overeengekomen tussen zakelijk handelende partijen zoals het geval is bij overdracht van de verplichtingen aan een verzekeringsmaatschappij. Bij de berekening van de door de vennootschap te betalen koopsom dient derhalve rekening te worden gehouden met een kosten- en winstopslag die vergelijkbaar is met die door verzekeringsmaatschappijen bij de berekening van hun tarieven in aanmerking wordt genomen.
4.4.3. Op de hiervoor in 4.4.2. vermelde gronden en op de gronden aangevoerd in onderdeel 9.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal slaagt de klacht. De tweede klacht behoeft geen behandeling meer. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof te Leeuwarden en voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630 (€ 285,88), en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2003.