Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2002:AE1320

2002-05-14 Strafrecht 00641/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2002-05-14
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
00641/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Deelneming aan criminele organisatie, art. 140.1 Sr. Had Hof als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 140 (oud) Sr in plaats van art. 140 Sr moeten vermelden? Bewezenverklaard feit is begaan in periode van 1-1-1992 t/m 31-12-1994. Bij Wet van 4-2-1999 (Stb. 80), in werking getreden op 26-2-1999, is tekst van voordien geldend art. 140 Sr gewijzigd en vervangen door die van huidig art. 140 Sr. Hof had derhalve als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 140 (oud) Sr behoren te vermelden en niet art. 140 Sr. HR vermeldt als mede toepasselijke wetsbepaling art. 140 (oud) Sr. Samenhang met ECLI:NL:HR:2002:AE1321.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.045 tekens)
14 mei 2002
Strafkamer
nr. 00641/01
EW/SM

Hoge Raad der Nederlanden


Arrest

op het beroep in cassatie
tegen een arrest van het
Gerechtshof te Arnhem van
22 december 2000, nummer 21/000336-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats] .

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen von­nis van de Arron­disse­ments­rechtbank te Zwolle van 28 december 1998 - de verdachte ter zake van 1. primair "een der in artikel 10 (oud) van de Coördinatiewet sociale verzekering bedoelde verplichtingen niet, niet juist en niet volledig nakomen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd″, 2. primair ″overtreding van artikel 50b (oud) lid 3 van de Organisatiewet sociale verzekering, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd″, 3. ″opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd″ en 4. ″deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven″ veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel houdt in dat het Hof als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 140 (oud) Sr had moeten vermelden in plaats van art. 140 Sr.
4.2. Het ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan in de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1994. Bij Wet van 4 februari 1999 tot wijziging van de artikelen 140 en 443 van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 80), in werking getreden op
26 februari 1999, is de tekst van het voordien geldende art. 140 Sr gewijzigd en vervangen door die van het
huidige art. 140 Sr. Het Hof had derhalve als toepasselijk wettelijk voorschrift art. 140 (oud) Sr behoren te vermelden en niet art. 140 Sr. Het middel is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak in zoverre vernietigen en doen wat het Hof had behoren te doen.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend
voorzover daarbij als wettelijk voorschrift waarop de
oplegging van de straf berust art. 140 Sr is vermeld,
en voorzover daarbij is verzuimd art. 140 (oud) Sr te vermelden;
Vermeldt als mede toepasselijke wetsbepaling art.
140 (oud) Sr;

Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president
C.J.G. Bleichrodt als voor­zitter, en de raadsheren
J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 14 mei 2002.