Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2000:AA5141
2000-03-15
Bestuursrecht; Belastingrecht
34999
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (48)
- ECLI:NL:PHR:2025:277 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2024:6523 Rechtbank Oost-Brabant 20-12-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3699 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3698 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:4498 Rechtbank Noord-Nederland 19-11-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3571 Gerechtshof Amsterdam 05-12-2023
- ECLI:NL:CBB:2023:476 College van Beroep voor het bedrijfsleven 07-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2766 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2767 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1363 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:582 Gerechtshof Amsterdam 21-02-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:8 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 09-01-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2022:11937 Rechtbank Noord-Holland 10-11-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1337 Hoge Raad 30-09-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:5848 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2116 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-04-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:362 Rechtbank Noord-Holland 17-01-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9990 Rechtbank Noord-Holland 04-10-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1839 Gerechtshof Amsterdam 17-06-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2982 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2801 Rechtbank Noord-Nederland 16-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2214 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:OGHACMB:2020:131 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15-05-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:753 Rechtbank Noord-Nederland 20-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:499 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-02-2020
- ECLI:NL:GHARL:2017:11209 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1036 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1036 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1036 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1036 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:RBZWB:2017:6751 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-09-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:4955 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-06-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:4084 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-05-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2316 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-03-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:36 Gerechtshof Den Haag 11-01-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2016:6307 Rechtbank Noord-Holland 03-08-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:7283 Rechtbank Den Haag 30-06-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:5224 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-06-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:2386 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-04-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:2388 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-04-2016
- ECLI:NL:RBZWB:2016:2387 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-04-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2014:3819 Gerechtshof Den Haag 25-11-2014
- ECLI:NL:HR:2014:930 Hoge Raad 18-04-2014
- ECLI:NL:RBDHA:2014:885 Rechtbank Den Haag 21-01-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.490 tekens)
Nr. 34999
15 maart 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X AG te Z (Zwitserland) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 november 1998 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 150.000,-- met een verhoging van f 1.000,-- vanwege niet tijdige aangifte. In het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De Inspecteur heeft ten name van belanghebbende een aangiftebiljet vennootschapsbelasting voor het onderhavige jaar (1993) uitgereikt aan het adres b-straat 1 in R, zijnde het bedrijfsadres van B, die destijds - tot de verkoop van de woning in of na 1996 - woonde aan de c-straat 1 te S. Het aangiftebiljet is ondanks een aanmaning in juni 1995 en schriftelijke waarschuwingen van 19 en 25 oktober 1995 niet ingediend of oningevuld retour gezonden. Wel zijn de waarschuwingen retour gezonden. B is in de jaren 1987 tot en met 1996 betrokken geweest bij een aantal transacties van belanghebbende, hierbij handelende namens belanghebbende dan wel namens belanghebbendes wederpartij.
Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend 15 februari 1996, geadresseerd c-straat 1, S en naar dat adres verzonden. Op 4 oktober 1996 is door de belastingdienst derdenbeslag gelegd op een door belanghebbende aangehouden rekening bij een notariskantoor. Bij brief met dagtekening 30 oktober 1996 heeft belanghebbende een volmacht verstrekt aan CC, advocaat, om haar in belastingaangelegenheden te vertegenwoordigen. In het briefhoofd van laatstbedoelde brief is een Zwitsers adres vermeld. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur op 28 november 1996 ontvangen.
3.2. Voor het Hof was - voorzover in cassatie van belang - tussen partijen in geschil of de Inspecteur belanghebbende terecht in haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld: dat het aannemelijk is dat belanghebbende op of rond 4 oktober 1996 door het notariskantoor op de hoogte is gesteld van de opgelegde aanslag; dat te rekenen vanaf 4 oktober 1996 tot en met 27 november 1996 ruim zeven weken zijn verstreken; dat belanghebbende niet binnen de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt. Tegen dit oordeel keren zich de middelen.
3.4. In artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (tekst 1996; hierna: Awb) is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:8, lid 1, Awb vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Indien de belanghebbende met vertraging kennis neemt van een aanslag of van het feit dat een aanslag is opgelegd, en daardoor pas na het verstrijken van de bezwaartermijn een bezwaarschrift indient, kan het bezwaar slechts met toepassing van artikel 6:11 Awb ontvankelijk zijn. Indien evenwel de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de bezwaartermijn pas aan op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of van een afschrift daarvan (vergelijk HR 12 april 1978, nr. 18686, BNB 1978/128 en HR 25 augustus 1982, nr. 21315, BNB 1982/259); het aanslagbiljet moet in dat geval worden geacht de voorafgaande dag aan de belanghebbende te zijn toegezonden.
3.5. In cassatie moet veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat in het onderhavige geval het aanslagbiljet niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De enkele - door het Hof aannemelijk geachte - omstandigheid dat belanghebbende op of rond
4 oktober 1996 door het notariskantoor op de hoogte is gesteld van de opgelegde aanslag, doet, gelet op het hiervóór in 3.4 overwogene, de bezwaartermijn niet aanvangen. Immers, de desbetreffende overweging van het Hof maakt niet duidelijk dat het aanslagbiljet zelf of een afschrift daarvan door belanghebbende dan wel zijn vertegenwoordiger is ontvangen. In zoverre treffen de middelen derhalve doel.
3.6. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 35000 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het Hof;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te
’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;
gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van ƒ 315,--;
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van de gedingen in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 15 maart 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
15 maart 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X AG te Z (Zwitserland) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 november 1998 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 150.000,-- met een verhoging van f 1.000,-- vanwege niet tijdige aangifte. In het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De Inspecteur heeft ten name van belanghebbende een aangiftebiljet vennootschapsbelasting voor het onderhavige jaar (1993) uitgereikt aan het adres b-straat 1 in R, zijnde het bedrijfsadres van B, die destijds - tot de verkoop van de woning in of na 1996 - woonde aan de c-straat 1 te S. Het aangiftebiljet is ondanks een aanmaning in juni 1995 en schriftelijke waarschuwingen van 19 en 25 oktober 1995 niet ingediend of oningevuld retour gezonden. Wel zijn de waarschuwingen retour gezonden. B is in de jaren 1987 tot en met 1996 betrokken geweest bij een aantal transacties van belanghebbende, hierbij handelende namens belanghebbende dan wel namens belanghebbendes wederpartij.
Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend 15 februari 1996, geadresseerd c-straat 1, S en naar dat adres verzonden. Op 4 oktober 1996 is door de belastingdienst derdenbeslag gelegd op een door belanghebbende aangehouden rekening bij een notariskantoor. Bij brief met dagtekening 30 oktober 1996 heeft belanghebbende een volmacht verstrekt aan CC, advocaat, om haar in belastingaangelegenheden te vertegenwoordigen. In het briefhoofd van laatstbedoelde brief is een Zwitsers adres vermeld. Het bezwaarschrift is door de Inspecteur op 28 november 1996 ontvangen.
3.2. Voor het Hof was - voorzover in cassatie van belang - tussen partijen in geschil of de Inspecteur belanghebbende terecht in haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld: dat het aannemelijk is dat belanghebbende op of rond 4 oktober 1996 door het notariskantoor op de hoogte is gesteld van de opgelegde aanslag; dat te rekenen vanaf 4 oktober 1996 tot en met 27 november 1996 ruim zeven weken zijn verstreken; dat belanghebbende niet binnen de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt. Tegen dit oordeel keren zich de middelen.
3.4. In artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (tekst 1996; hierna: Awb) is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:8, lid 1, Awb vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Indien de belanghebbende met vertraging kennis neemt van een aanslag of van het feit dat een aanslag is opgelegd, en daardoor pas na het verstrijken van de bezwaartermijn een bezwaarschrift indient, kan het bezwaar slechts met toepassing van artikel 6:11 Awb ontvankelijk zijn. Indien evenwel de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de bezwaartermijn pas aan op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of van een afschrift daarvan (vergelijk HR 12 april 1978, nr. 18686, BNB 1978/128 en HR 25 augustus 1982, nr. 21315, BNB 1982/259); het aanslagbiljet moet in dat geval worden geacht de voorafgaande dag aan de belanghebbende te zijn toegezonden.
3.5. In cassatie moet veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat in het onderhavige geval het aanslagbiljet niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De enkele - door het Hof aannemelijk geachte - omstandigheid dat belanghebbende op of rond
4 oktober 1996 door het notariskantoor op de hoogte is gesteld van de opgelegde aanslag, doet, gelet op het hiervóór in 3.4 overwogene, de bezwaartermijn niet aanvangen. Immers, de desbetreffende overweging van het Hof maakt niet duidelijk dat het aanslagbiljet zelf of een afschrift daarvan door belanghebbende dan wel zijn vertegenwoordiger is ontvangen. In zoverre treffen de middelen derhalve doel.
3.6. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 35000 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het Hof;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te
’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;
gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht van ƒ 315,--;
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van de gedingen in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is op 15 maart 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.