Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1999:ZD1169
1999-01-26
Strafrecht
109.266
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1999:ZD1169 → ECLI:NL:PHR:1998:1 contrair
Inhoudsindicatie
's-Hofs kennelijk oordeel dat sprake was van een zekere mate van bewustheid van de verdachte omtrent de aanwezigheid van een wapen met munitie is niet zonder meer begrijpelijk gelet op de ontkenning van de verdachte en de feitelijke vaststelling dat bij een huiszoeking ter inbeslagneming in het - ook door diens zoon bewoonde - huis van de verdachte in de kledingkast in de slaapkamer in een colbert een gasalarmrevolver met 6 patronen werd aangetroffen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (52)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3651 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1305 Parket bij de Hoge Raad 10-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1101 Parket bij de Hoge Raad 05-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:931 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3346 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1086 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:8637 Rechtbank Amsterdam 08-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:375 Parket bij de Hoge Raad 19-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:294 Parket bij de Hoge Raad 29-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:281 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:281 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1042 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1042 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2020
- ECLI:NL:RBOVE:2020:2843 Rechtbank Overijssel 25-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:276 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:106 Parket bij de Hoge Raad 04-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:60 Parket bij de Hoge Raad 28-01-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:594 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-01-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2019:9656 Rechtbank Amsterdam 09-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1216 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1247 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:8942 Rechtbank Amsterdam 28-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1109 Parket bij de Hoge Raad 05-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:677 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:382 Parket bij de Hoge Raad 23-04-2019
- ECLI:NL:HR:2019:679 Hoge Raad 23-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:382 Parket bij de Hoge Raad 23-04-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:857 Gerechtshof Den Haag 17-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:245 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:245 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:357 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:132 Parket bij de Hoge Raad 12-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:132 Parket bij de Hoge Raad 12-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:827 Parket bij de Hoge Raad 02-10-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:5221 Gerechtshof Amsterdam 12-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:264 Parket bij de Hoge Raad 27-03-2018
- ECLI:NL:HR:2017:3192 Hoge Raad 19-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1366 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2016:9525 Rechtbank Amsterdam 30-12-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1404 Parket bij de Hoge Raad 08-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1404 Parket bij de Hoge Raad 08-11-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2016:11829 Rechtbank Den Haag 28-09-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1146 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2016
- ECLI:NL:HR:2016:1193 Hoge Raad 14-06-2016
- ECLI:NL:HR:2016:1194 Hoge Raad 14-06-2016
- ECLI:NL:HR:2016:680 Hoge Raad 19-04-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:959 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:2688 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2014
- ECLI:NL:GHAMS:2014:3628 Gerechtshof Amsterdam 28-08-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1535 Parket bij de Hoge Raad 20-05-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:474 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:2304 Parket bij de Hoge Raad 26-11-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.240 tekens)
26 januari 1999
Strafkamer nr. 109.266
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 oktober 1997 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1929, wonende te [woonplaats] .
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 11 juni 1996 - de verdachte ter zake van "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een schietwapen in de vorm van een revolver" en "handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een geldboete van éénduizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR. Daartoe wordt blijkens de op het middel gegeven toelichting aangevoerd dat tussen het instellen van beroep in cassatie en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad bijna 10 maanden zijn verstreken.
3.2. Uit de desbetreffende akte blijkt dat het cassatieberoep op 22 oktober 1997 is ingesteld, terwijl uit een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel blijkt dat die stukken op 10 maart 1998 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen. Tussen het tijdstip waarop het cassatieberoep is ingesteld en dat waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen zijn dus slechts vierenhalve maand verstreken.
3.3. Uit het voorgaande volgt dat het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een geladen gasrevolver onvoldoende heeft gemotiveerd, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een zekere mate van bewustheid bezat van de aanwezigheid van dat wapen met munitie.
4.2.1. Blijkens het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte als verweer gevoerd dat, nu niet voldaan is aan de eis van een zekere mate van bewustheid bij haar cliënt dat de aangetroffen goederen in zijn woning lagen, hij vrijgesproken dient te worden van het hem tenlastegelegde.
4.2.2. De aanvulling op het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in: "Ik weet dat er wapens in mijn huis zijn aangetroffen, onder andere in de woonkamer, mijn slaapkamer en in de slaapkamer van mijn zoon [betrokkene]. Ik wist niet dat deze wapens in mijn huis lagen. Het blauwe colbertjasje, waarin ook een wapen is aangetroffen, is niet van mij.Was mij niets bekend. De lijst van de inbeslaggenomen goederen heb ik pas later toegezonden gekregen. Dat mijn zoon [betrokkene] zich met wapens bezighield wist ik ook niet. Hij heeft een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd gekregen".
4.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat:
- op 16 september 1995 een huiszoeking ter inbeslag neming werd verricht in de woning van de verdachte te Amsterdam;
- bij deze huiszoeking onder meer de slaapkamer van de verdachte werd doorzocht;
- dat in een kledingkast in die kamer werd aangetroffen een blauw colbert, waarin een gasalarmrevolver met 6 patronen.
4.4. Uitgaande van deze vaststellingen en in aanmerking genomen hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, is het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat gasrevolver en munitie niet zonder meer begrijpelijk, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
4.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.
5. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Orie en Balkema, in bijzijn van de griffier Van de Griendt, en uitgesproken op 26 januari 1999.
Strafkamer nr. 109.266
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 oktober 1997 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1929, wonende te [woonplaats] .
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 11 juni 1996 - de verdachte ter zake van "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een schietwapen in de vorm van een revolver" en "handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een geldboete van éénduizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR. Daartoe wordt blijkens de op het middel gegeven toelichting aangevoerd dat tussen het instellen van beroep in cassatie en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad bijna 10 maanden zijn verstreken.
3.2. Uit de desbetreffende akte blijkt dat het cassatieberoep op 22 oktober 1997 is ingesteld, terwijl uit een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel blijkt dat die stukken op 10 maart 1998 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen. Tussen het tijdstip waarop het cassatieberoep is ingesteld en dat waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen zijn dus slechts vierenhalve maand verstreken.
3.3. Uit het voorgaande volgt dat het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een geladen gasrevolver onvoldoende heeft gemotiveerd, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een zekere mate van bewustheid bezat van de aanwezigheid van dat wapen met munitie.
4.2.1. Blijkens het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte als verweer gevoerd dat, nu niet voldaan is aan de eis van een zekere mate van bewustheid bij haar cliënt dat de aangetroffen goederen in zijn woning lagen, hij vrijgesproken dient te worden van het hem tenlastegelegde.
4.2.2. De aanvulling op het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in: "Ik weet dat er wapens in mijn huis zijn aangetroffen, onder andere in de woonkamer, mijn slaapkamer en in de slaapkamer van mijn zoon [betrokkene]. Ik wist niet dat deze wapens in mijn huis lagen. Het blauwe colbertjasje, waarin ook een wapen is aangetroffen, is niet van mij.Was mij niets bekend. De lijst van de inbeslaggenomen goederen heb ik pas later toegezonden gekregen. Dat mijn zoon [betrokkene] zich met wapens bezighield wist ik ook niet. Hij heeft een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd gekregen".
4.3. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat:
- op 16 september 1995 een huiszoeking ter inbeslag neming werd verricht in de woning van de verdachte te Amsterdam;
- bij deze huiszoeking onder meer de slaapkamer van de verdachte werd doorzocht;
- dat in een kledingkast in die kamer werd aangetroffen een blauw colbert, waarin een gasalarmrevolver met 6 patronen.
4.4. Uitgaande van deze vaststellingen en in aanmerking genomen hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, is het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat gasrevolver en munitie niet zonder meer begrijpelijk, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
4.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.
5. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Orie en Balkema, in bijzijn van de griffier Van de Griendt, en uitgesproken op 26 januari 1999.