Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1997:ZC2478
1997-10-31
Civiel recht
16.404
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 → ECLI:NL:PHR:1997:37
Inhoudsindicatie
Kan een ‘portacabin’ onroerend zijn in de zin van art. 3:3 lid 1 BW dat een duurzame vereniging met de grond vereist? De bij de beantwoording van deze vraag te hanteren maatstaven.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (55)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1447 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:2582 Raad van State 06-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1980 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1978 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-03-2026
- ECLI:NL:OGEAM:2026:38 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 27-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2025:11306 Rechtbank Gelderland 12-11-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:11306 Rechtbank Gelderland 12-11-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6983 Rechtbank Midden-Nederland 10-11-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:12286 Rechtbank Rotterdam 17-10-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6756 Rechtbank Noord-Holland 04-06-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1321 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-05-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-03-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1818 Rechtbank Gelderland 10-03-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:1991 Rechtbank Gelderland 10-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:66 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:67 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-01-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:678 Rechtbank Noord-Nederland 08-01-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13086 Rechtbank Noord-Holland 16-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:9401 Rechtbank Gelderland 11-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1228 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6341 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4969 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4955 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:997 Gerechtshof Den Haag 05-06-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:171 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2023:7518 Rechtbank Gelderland 12-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1838 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-06-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1101 Rechtbank Gelderland 08-03-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1099 Rechtbank Gelderland 08-03-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2022:3614 Rechtbank Overijssel 01-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4793 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4428 Gerechtshof Amsterdam 21-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4428 Gerechtshof Amsterdam 21-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4428 Gerechtshof Amsterdam 21-09-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:6742 Rechtbank Noord-Holland 05-08-2021
- ECLI:NL:RBGEL:2021:2688 Rechtbank Gelderland 01-06-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2021:1654 Rechtbank Amsterdam 25-03-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:1360 Rechtbank Rotterdam 24-02-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2020:4318 Rechtbank Midden-Nederland 23-09-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4307 Rechtbank Amsterdam 19-08-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4307 Rechtbank Amsterdam 19-08-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:261 Rechtbank Oost-Brabant 22-01-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2019:6012 Rechtbank Gelderland 20-12-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1455 Parket bij de Hoge Raad 29-10-2019
- ECLI:NL:RBMNE:2019:690 Rechtbank Midden-Nederland 06-02-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:400 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-02-2019
- ECLI:NL:RBLIM:2018:1142 Rechtbank Limburg 07-02-2018
- ECLI:NL:RBGEL:2017:6719 Rechtbank Gelderland 27-12-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2017:11385 Rechtbank Noord-Holland 20-12-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-04-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:603 Rechtbank Gelderland 02-02-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2016:3469 Rechtbank Gelderland 28-06-2016
- ECLI:NL:RBDHA:2015:14341 Rechtbank Den Haag 05-11-2015
- ECLI:NL:RBROT:2015:72 Rechtbank Rotterdam 09-01-2015
- ECLI:NL:RBNHO:2014:5540 Rechtbank Noord-Holland 06-06-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.871 tekens)
31 oktober 1997
Eerste Kamer
Nr. 16.404 (C96/222)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDINST/PARTICULIEREN/ONDERNEMINGEN GOES,
kantoorhoudende te Goes,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr J.K. Franx,
t e g e n
de coöperatieve vereniging met beperkte aansprakelijkheid RABOBANK TERNEUZEN-AXEL B.A.,
gevestigd te Terneuzen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie – verder te noemen: de Rabobank – heeft bij exploit van 22 oktober 1992 eiser tot cassatie – verder te noemen: de Ontvanger – gedagvaard voor de Rechtbank te Middelburg en gevorderd voor recht te verklaren dat de in de dagvaarding omschreven portacabin valt onder het op 3 december 1990 aan de Rabobank gegeven recht van hypotheek dan wel onder het op dezelfde datum gevestigde pandrecht.De Ontvanger heeft de vordering bestreden.De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 oktober 1993 de Rabobank tot bewijslevering toegelaten.Tegen dit tussenvonnis heeft de Rabobank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. De Ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 28 maart 1996 heeft het Hof in het principaal beroep voormeld tussenvonnis vernietigd en voor recht verklaard dat de portacabin valt onder het op 3 december 1990 aan de Rabobank gegeven recht op hypotheek.Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Tegen de Rabobank is verstek verleend.De Ontvanger heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door zijn advocaat.De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.(i) Op het destijds aan [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ) toebehorende perceel grond aan de [a-straat 1] te Terneuzen was een zogenaamde portacabin van ongeveer 10 bij 15. geplaatst naast een gebouw dat zich reeds op dat perceel grond bevond. De portacabin was door middel van leidingen aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet. De portacabin was bovendien aangesloten op de riolering en het telefoonnet.(ii) De portacabin is in 1990 als bedrijfsgebouw (kantoorruimte) in gebruik genomen.(iii) Bij brief van 17 oktober 1990 heeft de Rabobank aan [betrokkene 1] een krediet in rekening-courant toegezegd van ƒ 150.000,--. Die brief hield onder meer in:“ZekerheidVoor deze financiering dienen de volgende zekerheden gesteld te worden:- eerste bankhypotheek groot ƒ 150.000,-- op twee bedrijfsgebouwen, [a-straat 1] te Terneuzen, (…).- (…)”(iv) Op 3 december 1990 – toen de portacbin zich reeds op genoemd perceel bevond – is door [notaris] , notaris te [plaats] , een akte gepasseerd waarbij [betrokkene 1] verklaarde aan de Rabobank hypotheek te verlenen tot een bedrag van ƒ 200.000,-- op “de bedrijfsgebouwen met ondergrond staande en gelegen aan de [a-straat 1] te Terneuzen”. (v) Nadat tussen [betrokkene 1] en de Rabobank problemen waren ontstaan, heeft de Rabobank gebruik gemaakt van de haar bij art. 3:268 BW verleende bevoegdheid het verbonden goed te doen verkopen. De verkoop heeft in het openbaar plaatsgevonden op 7 juli 1992. De grond en de daarop staande gebouwen zijn toen door de Rechtbank gekocht.(vi) Op 1 april 1992 had de Ontvanger ten laste van een door [betrokkene 1] opgerichte vennootschap executoriaal beslag doen leggen op de roerende zaken die zich in het pand [a-straat 1] te Terneuzen bevonden en eigendom zijn/waren van [betrokkene 1] . Door de deurwaarder is toen mede beslag gelegd op de portacabin als ware het een roerende zaak. De Rabobank is daarvan niet op de hoogte gesteld.(vii) [betrokkene 1] heeft vóór de datum van de openbare verkoop, met toestemming van de Ontvanger, de portacabin aan een derde verkocht.(viii) Op 7 juli 1992 stond de portacabin nog op het perceel [a-straat 1] te Terneuzen.(ix) Op 17 juli 1992 heeft de Rabobank geconstateerd dat de portacabin was gedemonteerd en afgegeven aan de onder (vii) bedoelde derde.
3.2. De Rabobank heeft in dit geding, voor zover thans nog van belang, gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de portacabin valt onder haar recht van hypotheek op het in 3.1 onder (i) bedoelde perceel. Daartoe heeft de Rabobank met een beroep op de art. 3:3 en 3:4 BW gesteld dat de portacabin onroerend is.De Ontvanger heeft zulks bestreden, zich op het standpunt stellende dat de portacabin roerend is omdat zij, kort samengevat, niet in de zin van art. 3:3 BW duurzaam met de grond verenigd was.De Rechtbank heeft bij haar tussenvonnis de Rabobank toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit voortvloeit dat de portacabin was verenigd met de grond waarop zij was geplaatst.Het Hof heeft de gevorderde verklaring voor recht gegeven. Daartoe heeft het Hof, kort samengevat, het volgende in aanmerking genomen:- de portacabin is als bedrijfsgebouw (kantoorruimte) in gebruik genomen naast het reeds ter plaatse bestaande bedrijfsgebouw;- beide gebouwen of constructies waren visueel door middel van een schutting met elkaar verbonden;- aan de onderzijde van de portacabin was een (demonteerbare) plint bevestigd die tot of tot in de grond reikte, zodat de portacabin visueel eveneens één geheel met de grond vormde;- rond de portacabin bevond zich een goed onderhouden tuin;- de portacabin had een aparte ingang en was bereikbaar via een tegelpad;- de portacabin was aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet; zij had een telefoonaansluiting en een aansluiting op de riolering;- de Rabobank had in haar brief van 17 oktober 1990 bedongen dat hypotheek zou worden gevestigd op de beide bedrijfsgebouwen (waaronder de portacabin);- de taxateur [taxateur] heeft in zijn taxatierapport van 23 juli 1990 de panden, waaronder de portacabin, omschreven als twee bedrijfsgebouwen en ten aanzien van de portacabin vermeld dat zij haar fundatie heeft in betonpoeren en een stalen frame.
Aan dit een en ander heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat de portacabin naar aard en inrichting bestemd was om als bedrijfsgebouw te worden gebruikt en om duurzaam ter plaatse te blijven, terwijl deze bedoeling van [betrokkene 1] naar buiten kenbaar was zodat aan de wettelijke maatstaf van art. 3.3 BW is voldaan.Daartegen keert zich het middel met een reeks van klachten.
3.3. Bij de beoordeling van het middel dient uitgangspunt te zijn dat ingevolge art. 69 Overgangswet NBW het vòòr 1 januari 1992 geldende recht nog van toepassing is doch dat dit recht niet afwijkt van het huidige recht voor zover hier van belang. Voorts moet het volgende worden vooropgesteld. a) Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven; zie de toelichting op de nota van wijzigingen bij art. 3.1.1.2 lid 1 ontwerp NBW (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 70) en de daarin bedoelde passage in de MvA II bij art. 6.3.2.7 (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 760). Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen (vgl. het in evengenoemde passage vermelde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1975, NJ 1975, 509, alsmede de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1994, NJ 1995, 464 en 465).b) Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet, zoals in de MvA II betreffende art. 3:3 (Parl Gesch. Boek 3, p. 69 eerste volle alinea) is opgemerkt, worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.c) Zoals tot uiting komt in de hiervoor onder b) vermelde passage uit de MvA II, dient de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven naar buiten kenbaar te zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.d) De verkeersopvattingen kunnen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van art. 3:4 – niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van die vraag onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, en voor de toepassing van die maatstaf nader moet worden bepaald wat in een gegeven geval als “duurzaam”, onderscheidenlijk “verenigd” en in verband daarmee als “bestemming” en als “naar buiten kenbaar” heeft te gelden.
3.4. Het Hof heeft, door op grond van de hiervoor onder 3.2 vermelde feiten te oordelen dat de portacabin onroerend was, de onder 3.3 vermelde maatstaven geenszins miskend. Het heeft zijn bevestigende beantwoording van de vraag of de portacabin onroerend was voorts van een begrijpelijke en afdoende motivering voorzien. Daarop stuit het middel in zijn geheel af.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Rabobank begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Heemskerk, Herrmann en Jansen, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 31 oktober 1997.
Eerste Kamer
Nr. 16.404 (C96/222)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDINST/PARTICULIEREN/ONDERNEMINGEN GOES,
kantoorhoudende te Goes,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr J.K. Franx,
t e g e n
de coöperatieve vereniging met beperkte aansprakelijkheid RABOBANK TERNEUZEN-AXEL B.A.,
gevestigd te Terneuzen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie – verder te noemen: de Rabobank – heeft bij exploit van 22 oktober 1992 eiser tot cassatie – verder te noemen: de Ontvanger – gedagvaard voor de Rechtbank te Middelburg en gevorderd voor recht te verklaren dat de in de dagvaarding omschreven portacabin valt onder het op 3 december 1990 aan de Rabobank gegeven recht van hypotheek dan wel onder het op dezelfde datum gevestigde pandrecht.De Ontvanger heeft de vordering bestreden.De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 oktober 1993 de Rabobank tot bewijslevering toegelaten.Tegen dit tussenvonnis heeft de Rabobank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. De Ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 28 maart 1996 heeft het Hof in het principaal beroep voormeld tussenvonnis vernietigd en voor recht verklaard dat de portacabin valt onder het op 3 december 1990 aan de Rabobank gegeven recht op hypotheek.Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Tegen de Rabobank is verstek verleend.De Ontvanger heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door zijn advocaat.De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.(i) Op het destijds aan [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ) toebehorende perceel grond aan de [a-straat 1] te Terneuzen was een zogenaamde portacabin van ongeveer 10 bij 15. geplaatst naast een gebouw dat zich reeds op dat perceel grond bevond. De portacabin was door middel van leidingen aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet. De portacabin was bovendien aangesloten op de riolering en het telefoonnet.(ii) De portacabin is in 1990 als bedrijfsgebouw (kantoorruimte) in gebruik genomen.(iii) Bij brief van 17 oktober 1990 heeft de Rabobank aan [betrokkene 1] een krediet in rekening-courant toegezegd van ƒ 150.000,--. Die brief hield onder meer in:“ZekerheidVoor deze financiering dienen de volgende zekerheden gesteld te worden:- eerste bankhypotheek groot ƒ 150.000,-- op twee bedrijfsgebouwen, [a-straat 1] te Terneuzen, (…).- (…)”(iv) Op 3 december 1990 – toen de portacbin zich reeds op genoemd perceel bevond – is door [notaris] , notaris te [plaats] , een akte gepasseerd waarbij [betrokkene 1] verklaarde aan de Rabobank hypotheek te verlenen tot een bedrag van ƒ 200.000,-- op “de bedrijfsgebouwen met ondergrond staande en gelegen aan de [a-straat 1] te Terneuzen”. (v) Nadat tussen [betrokkene 1] en de Rabobank problemen waren ontstaan, heeft de Rabobank gebruik gemaakt van de haar bij art. 3:268 BW verleende bevoegdheid het verbonden goed te doen verkopen. De verkoop heeft in het openbaar plaatsgevonden op 7 juli 1992. De grond en de daarop staande gebouwen zijn toen door de Rechtbank gekocht.(vi) Op 1 april 1992 had de Ontvanger ten laste van een door [betrokkene 1] opgerichte vennootschap executoriaal beslag doen leggen op de roerende zaken die zich in het pand [a-straat 1] te Terneuzen bevonden en eigendom zijn/waren van [betrokkene 1] . Door de deurwaarder is toen mede beslag gelegd op de portacabin als ware het een roerende zaak. De Rabobank is daarvan niet op de hoogte gesteld.(vii) [betrokkene 1] heeft vóór de datum van de openbare verkoop, met toestemming van de Ontvanger, de portacabin aan een derde verkocht.(viii) Op 7 juli 1992 stond de portacabin nog op het perceel [a-straat 1] te Terneuzen.(ix) Op 17 juli 1992 heeft de Rabobank geconstateerd dat de portacabin was gedemonteerd en afgegeven aan de onder (vii) bedoelde derde.
3.2. De Rabobank heeft in dit geding, voor zover thans nog van belang, gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de portacabin valt onder haar recht van hypotheek op het in 3.1 onder (i) bedoelde perceel. Daartoe heeft de Rabobank met een beroep op de art. 3:3 en 3:4 BW gesteld dat de portacabin onroerend is.De Ontvanger heeft zulks bestreden, zich op het standpunt stellende dat de portacabin roerend is omdat zij, kort samengevat, niet in de zin van art. 3:3 BW duurzaam met de grond verenigd was.De Rechtbank heeft bij haar tussenvonnis de Rabobank toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit voortvloeit dat de portacabin was verenigd met de grond waarop zij was geplaatst.Het Hof heeft de gevorderde verklaring voor recht gegeven. Daartoe heeft het Hof, kort samengevat, het volgende in aanmerking genomen:- de portacabin is als bedrijfsgebouw (kantoorruimte) in gebruik genomen naast het reeds ter plaatse bestaande bedrijfsgebouw;- beide gebouwen of constructies waren visueel door middel van een schutting met elkaar verbonden;- aan de onderzijde van de portacabin was een (demonteerbare) plint bevestigd die tot of tot in de grond reikte, zodat de portacabin visueel eveneens één geheel met de grond vormde;- rond de portacabin bevond zich een goed onderhouden tuin;- de portacabin had een aparte ingang en was bereikbaar via een tegelpad;- de portacabin was aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet; zij had een telefoonaansluiting en een aansluiting op de riolering;- de Rabobank had in haar brief van 17 oktober 1990 bedongen dat hypotheek zou worden gevestigd op de beide bedrijfsgebouwen (waaronder de portacabin);- de taxateur [taxateur] heeft in zijn taxatierapport van 23 juli 1990 de panden, waaronder de portacabin, omschreven als twee bedrijfsgebouwen en ten aanzien van de portacabin vermeld dat zij haar fundatie heeft in betonpoeren en een stalen frame.
Aan dit een en ander heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat de portacabin naar aard en inrichting bestemd was om als bedrijfsgebouw te worden gebruikt en om duurzaam ter plaatse te blijven, terwijl deze bedoeling van [betrokkene 1] naar buiten kenbaar was zodat aan de wettelijke maatstaf van art. 3.3 BW is voldaan.Daartegen keert zich het middel met een reeks van klachten.
3.3. Bij de beoordeling van het middel dient uitgangspunt te zijn dat ingevolge art. 69 Overgangswet NBW het vòòr 1 januari 1992 geldende recht nog van toepassing is doch dat dit recht niet afwijkt van het huidige recht voor zover hier van belang. Voorts moet het volgende worden vooropgesteld. a) Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven; zie de toelichting op de nota van wijzigingen bij art. 3.1.1.2 lid 1 ontwerp NBW (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 70) en de daarin bedoelde passage in de MvA II bij art. 6.3.2.7 (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 760). Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen (vgl. het in evengenoemde passage vermelde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1975, NJ 1975, 509, alsmede de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1994, NJ 1995, 464 en 465).b) Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet, zoals in de MvA II betreffende art. 3:3 (Parl Gesch. Boek 3, p. 69 eerste volle alinea) is opgemerkt, worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.c) Zoals tot uiting komt in de hiervoor onder b) vermelde passage uit de MvA II, dient de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven naar buiten kenbaar te zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.d) De verkeersopvattingen kunnen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van art. 3:4 – niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van die vraag onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, en voor de toepassing van die maatstaf nader moet worden bepaald wat in een gegeven geval als “duurzaam”, onderscheidenlijk “verenigd” en in verband daarmee als “bestemming” en als “naar buiten kenbaar” heeft te gelden.
3.4. Het Hof heeft, door op grond van de hiervoor onder 3.2 vermelde feiten te oordelen dat de portacabin onroerend was, de onder 3.3 vermelde maatstaven geenszins miskend. Het heeft zijn bevestigende beantwoording van de vraag of de portacabin onroerend was voorts van een begrijpelijke en afdoende motivering voorzien. Daarop stuit het middel in zijn geheel af.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Rabobank begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Heemskerk, Herrmann en Jansen, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 31 oktober 1997.