Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1996:ZC2192

1996-11-08 Civiel recht Rek.nr. 8795
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1996-11-08
Publicatiedatum
2013-04-08
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
Rek.nr. 8795
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1997, 471 met annotatie van J. de Boer | RvdW 1996, 214 | SJP 1996/123

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Personen-en familierecht, mentorschap. Afwijzing verzoek benoeming mentor van onder bewind gestelde meerderjarige die in een tehuis verbleef waar een “visor” was aangesteld als begeleider in zaken van immateriële aard. Als al in de (im)materiële belangen van de meerderjarige wordt voorzien, kan het verzoek worden afgewezen. Dat de door de instelling benoemde visor niet mentor zou mogen zijn, behoefde de rechtbank niet te weerhouden van dit oordeel.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.246 tekens)
8 november 1996Eerste KamerRek.nr. 8795 (R96/02HR)CS



Hoge Raad der Nederlanden



Beschikking




in de zaak van:


1. [verzoeker 1] , en2. [verzoekster 2] ,beide wonende te [woonplaats] ,VERZOEKERS tot cassatie,advocaat: mr. G.E.M. Later.




1. Het geding in feitelijke instanties


Met een op 23 februari 1995 ter griffie van het Kantongerecht te Heerlen ingediend verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie – verder te noemen: [verzoekers] – zich gewend tot de Kantonrechter aldaar met het verzoek een mentorschap in te stellen ten behoeve van [betrokkene 1] – hierna te noemen: [betrokkene 1] – geboren op [geboortedatum] 1930 te [geboorteplaats] en wonende te [woonplaats] , met benoeming van [verzoeker 1] tot mentor.De Stichting [A] te [plaats] heeft in een verweerschrift verzocht het verzoek af te wijzen.De Kantonrechter heeft bij beschikking van 28 maart 1995 het verzoek afgewezen.Tegen deze beschikking hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.Bij beschikking van 2 november 1995 heeft de Rechtbank voormelde beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.



2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van de Rechtbank hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.De conclusie van de Advocaat-Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.



3. Beoordeling van het middel


3.1 De Kantonrechter heeft het hiervoor onder 1 vermelde verzoek afgewezen omdat hij gezien de omstandigheden een mentorschap niet noodzakelijk achtte.De Rechtbank heeft de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd, oordelend dat het niet in het belang van [betrokkene 1] is om, nu zowel zijn belangen van vermogensrechtelijke aard als die van niet-vermogensrechtelijke aard volledig worden behartigd, daarnaast nog afzonderlijk een mentor te benoemen. Daarbij is de Rechtbank ervan uitgegaan dat [betrokkene 1] al vele jaren in het Gezinsvervangend Tehuis in [woonplaats] verblijft en zich daar thuisvoelt, dat de stichting waaronder dit tehuis ressorteert ruime ervaring heeft met het op professionele wijze begeleiden van verstandelijk gehandicapten en een visor heeft aangesteld, die [betrokkene 1] kan begeleiden in zaken van immateriële aard.In de overweging dat zijn belangen van vermogensrechtelijke aard volledig worden behartigd, heeft de Rechtbank kennelijk het oog op het uit de stukken blijkende feit dat de Rechtbank bij beschikking van 23 januari 1995 alle goederen van [betrokkene 1] onder bewind heeft gesteld met benoeming van een bewindvoerder.

3.2 Het middel klaagt in beide onderdelen over onvoldoende motivering van dit oordeel van de Rechtbank, daar deze kennelijk aanneemt dat het instellen van een mentorschap niet nodig is, omdat er een visor door de instelling is aangesteld, althans omdat er begeleiding is van de bewindvoerder en de visor, hetgeen volgens het middel onbegrijpelijk is, nu de wet in art. 1:452 lid 6 BW bepaalt dat personen die behoren tot het personeel van de instelling waar de betrokkene verblijft, niet mentor kunnen worden.


3.3 Voor zover het middel ervan uitgaat dat de Rechtbank een mentorschap niet nodig heeft geacht uitsluitend omdat er een visor is, mist het feitelijke grondslag. De Rechtbank is tot haar oordeel gekomen na een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval, waaronder de aanwezigheid van een bewindvoerder en een visor. Dat de door de instelling benoemde visor niet mentor zou mogen zijn, behoefde de Rechtbank niet te weerhouden van haar oordeel dat het niet in het belang van [betrokkene 1] is om naast een bewindvoerder en een visor nog een mentor te benoemen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed, zodat het middel faalt.




4. Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Heemskerk en Jansen, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 8 november 1996.