Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1994:AA2964
1994-09-21
Bestuursrecht; Belastingrecht
29356
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (22)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:6295 Rechtbank Noord-Holland 26-05-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2318 Gerechtshof Den Haag 12-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2317 Gerechtshof Den Haag 12-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:840 Parket bij de Hoge Raad 08-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:840 Parket bij de Hoge Raad 08-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:442 Parket bij de Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:24 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3305 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3013 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-09-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3644 Rechtbank Noord-Holland 08-02-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3645 Rechtbank Noord-Holland 08-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:348 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-01-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:159 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:151 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:124 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2020:1198 Parket bij de Hoge Raad 17-12-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2768 Gerechtshof Den Haag 23-10-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:4947 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-08-2018
- ECLI:NL:RBNNE:2018:239 Rechtbank Noord-Nederland 25-01-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2014:8688 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2014
- ECLI:NL:GHARL:2014:7736 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-10-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:1797 Parket bij de Hoge Raad 10-09-2014
Volledige tekst
Volledige tekst (3.786 tekens)
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 december 1992 betreffende de haar voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1982 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 1.260.360,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 1.086.247,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, advocaat bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 1 november 1993 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende levert halffabrikaten voor veevoeder aan - onder meer - A te Q (Verenigde Staten). In 1975 heeft belanghebbende een overeenkomst tot het verlenen van technische bijstand en marketingdiensten met B N.V. te Curaçao gesloten. Belanghebbende heeft de sedertdien aan B N.V. verrichte betalingen als kosten geboekt. In het onderhavige jaar (1982) heeft belanghebbende f 672.190,-- aan B N.V. betaald. Door B N.V. zijn geen activiteiten voor belanghebbende verricht. In geschil is of de betalingen aan B N.V. behoren tot de kosten van belanghebbendes onderneming.
3.2. Indien vaststaat dat een belastingplichtig lichaam een betaling heeft gedaan zonder dat blijkt van enige tegenprestatie, kan deze uitgave slechts dan tot de kosten van de door de belastingplichtige gedreven onderneming worden gerekend, indien deze aannemelijk maakt dat de uitgave ten behoeve van die onderneming is gedaan. Door in de ten processe geschetste omstandigheden van belanghebbende het bewijs te verlangen dat de betalingen zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming, heeft het Hof derhalve de bewijslast niet onredelijk verdeeld, zodat middel 1, voor zover dit van het tegendeel uitgaat, faalt. Nu het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voormeld bewijs niet heeft bijgebracht, welk oordeel als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst, heeft het belanghebbendes standpunt terecht verworpen. Middel 2, voor zover dit zich tegen laatstvermeld oordeel keert, faalt derhalve eveneens.
3.3. Voor het overige kunnen de middelen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 21 september 1994.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1982 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 1.260.360,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 1.086.247,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, advocaat bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 1 november 1993 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende levert halffabrikaten voor veevoeder aan - onder meer - A te Q (Verenigde Staten). In 1975 heeft belanghebbende een overeenkomst tot het verlenen van technische bijstand en marketingdiensten met B N.V. te Curaçao gesloten. Belanghebbende heeft de sedertdien aan B N.V. verrichte betalingen als kosten geboekt. In het onderhavige jaar (1982) heeft belanghebbende f 672.190,-- aan B N.V. betaald. Door B N.V. zijn geen activiteiten voor belanghebbende verricht. In geschil is of de betalingen aan B N.V. behoren tot de kosten van belanghebbendes onderneming.
3.2. Indien vaststaat dat een belastingplichtig lichaam een betaling heeft gedaan zonder dat blijkt van enige tegenprestatie, kan deze uitgave slechts dan tot de kosten van de door de belastingplichtige gedreven onderneming worden gerekend, indien deze aannemelijk maakt dat de uitgave ten behoeve van die onderneming is gedaan. Door in de ten processe geschetste omstandigheden van belanghebbende het bewijs te verlangen dat de betalingen zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming, heeft het Hof derhalve de bewijslast niet onredelijk verdeeld, zodat middel 1, voor zover dit van het tegendeel uitgaat, faalt. Nu het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende voormeld bewijs niet heeft bijgebracht, welk oordeel als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst, heeft het belanghebbendes standpunt terecht verworpen. Middel 2, voor zover dit zich tegen laatstvermeld oordeel keert, faalt derhalve eveneens.
3.3. Voor het overige kunnen de middelen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 21 september 1994.