Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:6295

2026-05-26 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/4770
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-05-26
Publicatiedatum
2026-06-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
25/4770
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026091610; NLF 2026/1887; V-N Vandaag 2026/1923; Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/992; FutD 2026-1650; NDFR Nieuws 2026/1435; V-N 2026/41.2.1

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Ongegrond; aftrek kosten; managementvergoeding; prestatievergoeding; bewijslast; zorgvuldigheidsbeginsel; belastingrente; massaal bezwaar.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.251 tekens)
Rechtbank noord-holland


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 25/4770


uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R.J. de Jonge),


en


de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.




Procesverloop


Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd berekend naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 1.164.906 (de aanslag 2022). Tevens is een beschikking belastingrente opgelegd van € 26.638.



Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.



Verweerder heeft het bezwaar tegen de aanslag 2022 ongegrond verklaard.



Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende zijn verschenen haar gemachtigde en diens kantoorgenoot mr. [naam 1] . Ook zijn [naam 2] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.) en [naam 3] (bestuurder van [bedrijf 2] B.V.) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam 4] , mr. [naam 5] en [naam 6] .



Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank op 16 april 2026 van verweerder een nader stuk ontvangen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Het nadere stuk wordt buiten beschouwing gelaten.




Overwegingen



Feiten


1. Belanghebbende is opgericht op 13 mei 2005 en ontbonden op 30 april 2024. Volgens de aangifte Vpb 2022 zijn de aandeelhouders van belanghebbende: [naam 7] (4,99%), [bedrijf 1] B.V. (45,01%) en [bedrijf 2] B.V. (50%). Beide vennootschappen zijn tevens bestuurders van belanghebbende.

2. Volgens de uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is in het onderhavige jaar de heer [naam 2] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V. De heer [naam 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. [bedrijf 2] B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 3] B.V.

3. Belanghebbende heeft in het jaar 2005 een rijksmonument aangekocht aan de [adres] te [gemeente] (het pand). Het pand is vervolgens verbouwd en gerenoveerd naar een horecaruimte met vier bovenwoningen. Belanghebbende heeft het pand daarna geëxploiteerd middels verhuur. Het pand is vervolgens krachtens een akte van levering van 28 maart 2022 verkocht en geleverd aan een derde.

4. Belanghebbende heeft aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2022 gedaan (de aangifte 2022). Daarbij is een belastbare winst en belastbaar bedrag aangegeven van € 464.906. Belanghebbende heeft kosten ten laste van haar winst gebracht ten bedrage van € 796.365.

5. Verweerder heeft de aanslag 2022 opgelegd, waarbij in de aangifte opgevoerde kosten met € 700.000 zijn gecorrigeerd.

6. Verweerder heeft gedurende de bezwaarprocedure de aanslag 2022 verminderd wegens achterwaartse verliesverrekening uit 2023 ten bedrage van € 1.683. Verweerder heeft daarbij de belastbare winst vastgesteld op € 1.164.906 en het belastbaar bedrag vastgesteld op € 1.163.223.

7. In de uitspraak op bezwaar staat:
“U maakt eveneens bezwaar tegen de berekening van de belastingrente. Dit bezwaar zal afzonderlijk, bij massaal bezwaar in behandeling worden genomen.”.



Geschil


8. In geschil is of de aanslag 2022 tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of verweerder ten onrechte kosten ten bedrage van € 700.000 niet in aftrek heeft toegelaten. Verder is in geschil of verweerder ten onrechte niet heeft beslist op het bezwaar tegen de beschikking belastingrente. Niet in geschil is de toepassing van de achterwaartse verliesverrekening uit 2023.

9. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de aanslag 2022 moet worden verminderd. Primair betoogt belanghebbende dat verweerder ten onrechte kosten ten bedrage van € 700.000 niet in aftrek heeft toegelaten. Subsidiair betoogt belanghebbende dat een deel van deze kosten aan het jaar 2022 moet worden toegerekend en een deel aan de jaren 2020 en 2021, waarbij de aanslagen voor 2020 en 2021 door verweerder ambtshalve dienen te worden verminderd. Meer subsidiair betoogt belanghebbende dat de foutenleer van toepassing is. Verder neemt belanghebbende het standpunt in dat de uitspraak op bezwaar in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel aangezien geen beslissing is genomen op het bezwaar tegen de beschikking belastingrente. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag 2022.

10. Verweerder neemt het standpunt in dat de aanslag 2022 correct is vastgesteld. Verder neemt verweerder het standpunt in dat het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking belastingrente was aangehouden en meeliep in een massaal bezwaar procedure. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.



Beoordeling van het geschil


11. De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van de door belanghebbende ten laste van de winst gebrachte kosten van € 700.000 de bewijslast op haar rust om te stellen, en bij betwisting door verweerder aannemelijk te maken, dat hiertegenover een tegenprestatie heeft gestaan, dan wel dat de kosten zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming (HR 21 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2964 r.o. 3.2).

12. Belanghebbende betoogt dat kosten van € 700.000 aftrekbaar zijn omdat dit een prestatievergoeding dan wel een aanvullende management fee betreft die aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 3] B.V. verschuldigd is. Belanghebbende stelt dat na aankoop van het pand mondelinge afspraken zijn gemaakt tussen de heren [naam 2] en [naam 3] dat na een geslaagde verbouwing, renovatie en daarna verkoop van het pand een prestatievergoeding wordt betaald door belanghebbende aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 3] B.V. Deze mondelinge afspraken zijn volgens belanghebbende in 2022 schriftelijk vastgelegd. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar het Multivastgoed-arrest (HR 17 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2288). Verweerder betwist de aftrekbaarheid van de kosten en betoogt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van € 700.000 aan aftrekbare kosten in verband met een prestatievergoeding. Ook ziet het bedrag volgens verweerder niet op (jaarlijkse) management fees of andere zakelijke kosten.

13. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat tegenover de betaling van € 700.000 een (reële) tegenprestatie heeft gestaan. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken en hetgeen (ter zitting) is aangevoerd, is onduidelijk welke concrete werkzaamheden zijn verricht, door wie, en wanneer, en op welke wijze deze werkzaamheden verband houden met de door belanghebbende in aftrek gebrachte kosten van € 700.000. De gestelde werkzaamheden die volgens belanghebbende zijn verricht, zoals communicatie, projectleiding, financieel beheer, coördinatie met banken ten aanzien van de verbouwing, renovatie en uiteindelijke verkoop van het pand, alsmede de daarvoor gestelde overeengekomen vergoeding zijn niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare bewijsmiddelen daterend uit de tijd dat die afspraken gemaakt zouden zijn. Tot de gedingstukken behoort een op 22 november 2022 - dus na verkoop van het pand - opgemaakt document waarin volgens belanghebbende de mondelinge afspraken over de prestatievergoeding zijn vastgelegd. Afgezien van het feit dat dit document eerst is opgesteld na verkoop van het pand, bevat dit document een urenstaat over de jaren 2018 tot en met 2022 en een daarbij toegepast tarief zonder dat de herkomst van deze gegevens met objectieve gegevens is onderbouwd. Met hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, onder meer dat mondelinge overeenkomsten rechtsgeldig zijn en mondelinge afspraken gebruikelijk zijn in de vastgoedbranche, heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat tegenover de betaling van € 700.000 een (reële) tegenprestatie heeft gestaan. Ook de blote stelling van belanghebbende dat de ontvangen (prestatie-)vergoedingen zijn belast bij [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 3] B.V. en dat bij het niet toestaan van aftrek van de kosten bij belanghebbende fiscaal evenwicht ontbreekt, kan – wat daar ook van zij – niet leiden tot een ander oordeel. De fiscale behandeling bij deze vennootschappen is immers niet bepalend voor de beoordeling of sprake is van aftrekbare kosten bij belanghebbende. De door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie kan haar ook niet baten, nu de feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen in het aangehaalde Multivastgoed-arrest niet vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. In deze zaak gaat het om het staven van gestelde feiten en omstandigheden met bewijsmiddelen. Daarin is belanghebbende niet geslaagd.

14. Nu tegenover de betaling geen tegenprestaties of zakelijke motieven hebben gestaan, kunnen de overige beroepsgronden van belanghebbende niet slagen. Verweerder heeft terecht de in aftrek gebrachte kosten van € 700.000 gecorrigeerd.

15. De rechtbank merkt ten overvloede op dat verweerder ter zitting heeft toegezegd in overleg te zullen treden met [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 3] B.V om te bezien of en in hoeverre het door belanghebbende betaalde bedrag van € 700.000 bij deze vennootschappen in de heffing is betrokken en dat - indien daartoe aanleiding bestaat - de betreffende aanslagen bij deze vennootschappen zullen worden aangepast.



Beschikking belastingrente


16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat daarin niet is beslist op haar bezwaar tegen de beschikking belastingrente. Niet in geschil is dat het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking belastingrente ziet op de berekening van de belastingrente en onderwerp van geschil is geweest in een massaal bezwaarprocedure. In de uitspraak op bezwaar van verweerder staat duidelijk dat het bezwaar van belanghebbende tegen de berekening van de belastingrente is aangehouden en afzonderlijk, bij massaal bezwaar, in behandeling zal worden genomen. Bij collectieve uitspraak op bezwaar van 26 februari 2026 (Staatscourant 2026, nr. 8286) is inmiddels beslist op het bezwaar van belanghebbende. Gelet op het voorgaande, is de uitspraak op bezwaar van verweerder ten aanzien van de beschikking belastingrente niet onvolledig. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is daarom geen sprake.

17. Belanghebbende heeft verder geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.



Conclusie


18. Gelet op al wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.



Proceskosten


19. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, voorzitter, mr. G.H. de Soeten en
mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.








griffier voorzitter





Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:








Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).


U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).