Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1988:AD0437
1988-09-23
Civiel recht
7327 rek.nr
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1988:AD0437 → ECLI:NL:PHR:1988:AD0437
Inhoudsindicatie
Naamrecht. Strijd van Nederlandse wetgeving (art. 1:5 lid 2 BW) met art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (5)
- ECLI:NL:PHR:2020:1189 Parket bij de Hoge Raad 18-12-2020
- ECLI:NL:OGEABES:2020:6 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 17-03-2020
- ECLI:NL:HR:2017:2614 Hoge Raad 13-10-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:472 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:472 Parket bij de Hoge Raad 02-06-2017
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.799 tekens)
23 september 1988
Eerste Kamer
Rek.nr. 7327
M.v.A.
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder] en
[de vader] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: Mr. J. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 28 april 1986 gedateerd verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen [de moeder] en [de vader] - zich gewend tot de Rechtbank te Utrecht met het - nadien nader - aangevulde verzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Utrecht te gelasten, dat het register van geboorten van de gemeente Utrecht wordt aangevuld met een akte van aangifte van geboorte met de volgende gegevens:
- plaats, dag en uur van geboorte van de tweeling, te weten [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1986 te 12.00 uur;
- als geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en beroep van de moeder, [de moeder] , wonende te [woonplaats] , beroep: personeelsfunktionaris;
- als geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en beroep van de (erkennende) vader, [de vader] , wonende te [woonplaats] , beroep: advocaat;
- als geslacht en voornamen van de tweeling [kind 1] van het vrouwelijk geslacht en [kind 2] van het mannelijk geslacht;
- als geslachtsnaam van de tweeling: [de moeder] .
Op 13 juni 1986 heeft de Officier van Justitie in het Arrondissement Utrecht schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Bij beschikking van 25 februari 1987 heeft de Rechtbank het door [de moeder] en [de vader] verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking hebben [de moeder] en [de vader] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 26 oktober 1987 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof hebben [de moeder] en [de vader] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het gaat in deze zaak om het volgende.
[de moeder] is moeder van een op [geboortedatum] 1986 geboren tweeling, van wie [de vader] de biologische vader is. De ouders voeren met de kinderen een gemeenschappelijke huishouding en nemen beiden de verzorging en opvoeding voor hun rekening. [de vader] is bereid om tot erkenning van de tweeling over te gaan waardoor hij tot die kinderen in familierechtelijke betrekking zou komen te staan, één van de voorwaarden voor de door hen gewenste gezamenlijke uitoefening van de ouderlijke macht. Hij heeft echter van erkenning afgezien, omdat de kinderen daardoor de geslachtsnaam van de vader verkrijgen, terwijl [de moeder] en [de vader] willen dat de kinderen de geslachtsnaam van de moeder behouden. De ambtenaar van de burgerlijke stand is ook niet bereid om in de geboorteakten te vermelden dat [de vader] "vader" van de tweeling is, zonder dat [de vader] de kinderen erkent. [de moeder] en [de vader] hebben de Rechtbank verzocht om de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten tot aanvulling van de geboorteakten over te gaan, zoals onder 1 is weergegeven. Zij hebben aangevoerd dat de Nederlandse wetgeving met betrekking tot de geslachtsnaam, te dezen art. 1:5 lid 2 BW, in strijd is met de art. 8 en 14 EVRM en art. 26 IVBPR. De Rechtbank heeft het door [de moeder] en [de vader] verzochte afgewezen. Het Hof heeft die beschikking bekrachtigd. 's Hofs oordeel komt er, kort gezegd, op neer dat een recht van de ouders op een door hen te kiezen achternaam voor hun kinderen niet wordt gewaarborgd door het EVRM of het IVBPR. Het middel stelt dat die opvatting blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de rechten die uit deze verdragen voor [de moeder] en [de vader] in hun situatie voortvloeien.
Uitgangspunt moet zijn dat 's Hofs opvatting in elk geval ten aanzien van art. 26 IVBPR niet juist is. Ook bij dit uitgangspunt kan het middel evenwel niet tot cassatie leiden.
Het huidige Nederlandse recht bevat geen aanknopingspunt voor enig stelsel van keuze door de ouders van de achternaam van het kind. Er zijn vele verschillende stelsels denkbaar waarin een dergelijke keuze in enigerlei vorm mogelijk is, waarvan dat voorgesteld in het voorontwerp voor een Wet herziening van het naamrecht, genoemd in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 2, er slechts een is. Zoals ook uit de toelichting op dit voorontwerp en uit de na het bekend worden van het voorontwerp gevolgde discussie in de literatuur naar voren komt, zijn bij de vraag welk stelsel hier de voorkeur verdient uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard betrokken, die zowel het bestuur als de onderlinge verhouding tussen de burgers raken en met het oog waarop ook uitwerking in administratieve uitvoeringsmaatregelen vereist zal zijn. Daarvan uitgaande moet worden aangenomen dat een voorziening als het middel verlangt, mede in aanmerking genomen de aard van de daarbij betrokken belangen, valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter als bedoeld in HR 12 oktober 1984, NJ 1985, 230. Het is derhalve slechts aan de wetgever om te bepalen op welke wijze op het onderhavige terrein het best aan het beginsel van art. 26 kan worden voldaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter, en de raadsheren Hermans, Haak, Boekman en Davids, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 23 september 1988.
Eerste Kamer
Rek.nr. 7327
M.v.A.
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder] en
[de vader] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: Mr. J. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 28 april 1986 gedateerd verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen [de moeder] en [de vader] - zich gewend tot de Rechtbank te Utrecht met het - nadien nader - aangevulde verzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Utrecht te gelasten, dat het register van geboorten van de gemeente Utrecht wordt aangevuld met een akte van aangifte van geboorte met de volgende gegevens:
- plaats, dag en uur van geboorte van de tweeling, te weten [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1986 te 12.00 uur;
- als geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en beroep van de moeder, [de moeder] , wonende te [woonplaats] , beroep: personeelsfunktionaris;
- als geslachtsnaam, voornamen, woonplaats en beroep van de (erkennende) vader, [de vader] , wonende te [woonplaats] , beroep: advocaat;
- als geslacht en voornamen van de tweeling [kind 1] van het vrouwelijk geslacht en [kind 2] van het mannelijk geslacht;
- als geslachtsnaam van de tweeling: [de moeder] .
Op 13 juni 1986 heeft de Officier van Justitie in het Arrondissement Utrecht schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Bij beschikking van 25 februari 1987 heeft de Rechtbank het door [de moeder] en [de vader] verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking hebben [de moeder] en [de vader] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 26 oktober 1987 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof hebben [de moeder] en [de vader] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het gaat in deze zaak om het volgende.
[de moeder] is moeder van een op [geboortedatum] 1986 geboren tweeling, van wie [de vader] de biologische vader is. De ouders voeren met de kinderen een gemeenschappelijke huishouding en nemen beiden de verzorging en opvoeding voor hun rekening. [de vader] is bereid om tot erkenning van de tweeling over te gaan waardoor hij tot die kinderen in familierechtelijke betrekking zou komen te staan, één van de voorwaarden voor de door hen gewenste gezamenlijke uitoefening van de ouderlijke macht. Hij heeft echter van erkenning afgezien, omdat de kinderen daardoor de geslachtsnaam van de vader verkrijgen, terwijl [de moeder] en [de vader] willen dat de kinderen de geslachtsnaam van de moeder behouden. De ambtenaar van de burgerlijke stand is ook niet bereid om in de geboorteakten te vermelden dat [de vader] "vader" van de tweeling is, zonder dat [de vader] de kinderen erkent. [de moeder] en [de vader] hebben de Rechtbank verzocht om de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten tot aanvulling van de geboorteakten over te gaan, zoals onder 1 is weergegeven. Zij hebben aangevoerd dat de Nederlandse wetgeving met betrekking tot de geslachtsnaam, te dezen art. 1:5 lid 2 BW, in strijd is met de art. 8 en 14 EVRM en art. 26 IVBPR. De Rechtbank heeft het door [de moeder] en [de vader] verzochte afgewezen. Het Hof heeft die beschikking bekrachtigd. 's Hofs oordeel komt er, kort gezegd, op neer dat een recht van de ouders op een door hen te kiezen achternaam voor hun kinderen niet wordt gewaarborgd door het EVRM of het IVBPR. Het middel stelt dat die opvatting blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de rechten die uit deze verdragen voor [de moeder] en [de vader] in hun situatie voortvloeien.
Uitgangspunt moet zijn dat 's Hofs opvatting in elk geval ten aanzien van art. 26 IVBPR niet juist is. Ook bij dit uitgangspunt kan het middel evenwel niet tot cassatie leiden.
Het huidige Nederlandse recht bevat geen aanknopingspunt voor enig stelsel van keuze door de ouders van de achternaam van het kind. Er zijn vele verschillende stelsels denkbaar waarin een dergelijke keuze in enigerlei vorm mogelijk is, waarvan dat voorgesteld in het voorontwerp voor een Wet herziening van het naamrecht, genoemd in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 2, er slechts een is. Zoals ook uit de toelichting op dit voorontwerp en uit de na het bekend worden van het voorontwerp gevolgde discussie in de literatuur naar voren komt, zijn bij de vraag welk stelsel hier de voorkeur verdient uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard betrokken, die zowel het bestuur als de onderlinge verhouding tussen de burgers raken en met het oog waarop ook uitwerking in administratieve uitvoeringsmaatregelen vereist zal zijn. Daarvan uitgaande moet worden aangenomen dat een voorziening als het middel verlangt, mede in aanmerking genomen de aard van de daarbij betrokken belangen, valt buiten de rechtsvormende taak van de rechter als bedoeld in HR 12 oktober 1984, NJ 1985, 230. Het is derhalve slechts aan de wetgever om te bepalen op welke wijze op het onderhavige terrein het best aan het beginsel van art. 26 kan worden voldaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter, en de raadsheren Hermans, Haak, Boekman en Davids, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 23 september 1988.