Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1985:AW8269

1985-05-15 Bestuursrecht; Belastingrecht 22 549
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1985-05-15
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22 549
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; BNB 1985/206; FED 1985/314; FED 1985/401 met annotatie van E. BOS; V-N 1985/1254, 15 met annotatie van Redactie

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

bewijslast, ondernemingsvermogen, vraag van rechtskundige aard

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (7)

Volledige tekst

Volledige tekst (13.051 tekens)
Hoge Raad der Nederlanden

derde kamer
15 mei 1985
Nr. 22.549



ARREST



gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 augustus 1983 betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1977.



1. Aanslag en bezwaar.

Aan belanghebbende is over het jaar 1977 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 19.223, -- van hem zelf en van f 4.160, -- van zijn echtgenote, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.


2. Geding voor het Hof.


Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt:


"Belanghebbende, geboren in 1908, is eigenaar van een tandtechnisch laboratorium dat eerst in [Q] en thans in [Z] is gevestigd.
Daarnaast verhuurt belanghebbende kamers in een aantal hem in eigendom toebehorende panden.
De panden [a-straat 1/2] en [a-straat 3/4] en [b-straat 1] te [Q] heeft belanghebbende steeds tot zijn privé-vermogen gerekend.


In 1955 kocht belanghebbende het pand [c-straat 1] te [Q] . Dit pand werd na aankoop verbouwd en grotendeels ingericht voor het tandtechnisch laboratorium. De bovenverdieping, waarin vier kamers, werd verhuurd. In de door belanghebbende ingediende aangiften heeft belanghebbende dit pand vanaf de aankoop gerekend tot zijn ondernemingsvermogen. Hij genoot ook investeringsaftrek ter zake. Ook de door belanghebbende in 1956 respectievelijk 1963 verworven panden [d-straat 1] te [Z] , waarin hij thans woont, en [e-straat 1] te [Q] zijn in de jaarstukken die bij de aangiften werden overgelegd vermeld als behorende tot het ondernemingsvermogen van een kamerverhuurbedrijf van belanghebbende, in die zin dat deze panden op de balans zijn opgenomen en de huuropbrengsten en de kosten op de verlies- en winstrekening zijn opgevoerd. Van de aankoop af is op beide panden bedrijfsmatig afgeschreven. Wegens bedrijfmatige kamerverhuur stond belanghebbende ingeschreven in het handelsregister.
Belanghebbende was lid van de vereniging van logies-, pensionhouders en houders van aanverwante bedrijven. Kosten van verbetering van de panden zijn geactiveerd. Een dienstmeisje werd in de jaren tot en met 1977 voor de helft van de kosten ten laste van het kamerverhuurbedrijf gebracht. Een winstaandeel van dit bedrijf is toegerekend aan de medewerkende echtgenote van belanghebbende. Zelfstandigenaftrek is gevraagd en verleend.
In 1970 is bij de inkrimping van het tandtechnisch laboratorium het pand Westerkade overgebracht van het vermogen van het laboratorium naar het vermogen van het kamerverhuurbedrijf.
Voor de vermogensbelasting is rekening gehouden met de latente belastingschuld ter zake van de meerwaarde van de tot het ondernemingsvermogen behorende panden. In de tuin van het huis [d-straat 1] te [Z] waarin belanghebbende woont, staat een bord met de tekst:


" [X] , tandtechnisch laboratorium"."


Het Hof heeft het geschil omschreven als volgt:


"Het geschil betreft voor het onderhavige jaar de vraag of het door belanghebbende bewoonde huis tot zijn ondernemingsvermogen behoort zoals de Inspecteur stelt. Belanghebbende is van mening dat al zijn onroerende goederen tot het privé-vermogen behoren".
Het Hof heeft voor de standpunten van partijen verwezen naar de gedingstukken, naar de door de Inspecteur ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota met bijlagen, waarvan de inhoud als in 's Hofs uitspraak opgenomen is aangemerkt, en naar de door belanghebbende ter zitting voorgedragen brief gedateerd 18 november 1982, welke door het Hof als pleitnota is aangemerkt en waarvan de inhoud eveneens als in 's Hofs uitspraak opgenomen is aangemerkt. Vervolgens heeft het Hof overwogen dat daaraan ter zitting - in het kort weergegeven - het volgende is toegevoegd:



"Door belanghebbende:
Met de vraag of de panden al dan niet tot het privé-vermogen behoren, heb ik me nooit bemoeid. Ik wist het verschil niet eens. Daar kwam ik pas achter toen ik verhuisde van [Q] naar [Z] .
Het huis waarin ik woon wordt niet gebruikt voor een bedrijf, behalve misschien voor 1/20 deel waarin. ik nog wat tandtechniek doe en waarin ook wat installaties en machines staan.
Het pand moet alleen als woonhuis beschouwd worden. Met de tandtechniek stop ik binnenkort. De administratie van de kamerverhuur doe ik in de woonkamer. Kamerverhuur kan nooit een bedrijf zijn. Mijn vroegere adviseur heeft het fout gedaan, maar de fiscus ook. Het is wel redelijk dat ik de voordelen die ik heb gehad terugbetaal, maar het gaat te ver om af te rekenen over de waardestijging.
Door de Inspecteur :
Het huis van belanghebbende is geen gewoon woonhuis. Er staat immers een bord in de tuin met de aanduiding dat er een tandtechnisch laboratorium is gevestigd. Er wordt ook nog een kamer gebruikt voor de administratie van de kamerverhuur. Het is wel waar dat het grootste gedeelte van het huis als woonhuis wordt gebruikt. In het vertoogschrift staat dat het tandtechnisch laboratorium in 1970 geliquideerd is. Dat is echter niet juist, bedoeld is dat het laboratorium is ingekrompen. Belanghebbende wilde destijds in 1973 bij de behandeling van een bezwaarschrift betreffende het jaar 1970 het pand niet overbrengen naar privé. De fiscus is daarmee akkoord gegaan. Een compromissoire oplossing is tot dusverre niet mogelijk gebleken".



Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:


"Nu belanghebbende meerdere panden per kamer verhuurde, hij in het handelsregister stond ingeschreven als exploitant van een kamerverhuurbedrijf en belanghebbende de voordelen van deze kamerverhuur, afgezien van de verhuur van enkele panden die tot het privé- vermogen zijn gerekend, steeds als winst heeft aangegeven en de Inspecteur dit standpunt, dat fiscale gevolgen heeft gehad, heeft gevolgd, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende aannemelijk maakt zijn stelling dat er in feite van een bedrijfsmatige verhuur niet kan worden gesproken.
Belanghebbende is daarin niet geslaagd, zodat moet worden aangenomen dat belanghebbende een kamerverhuurbedrijf exploiteerde en, nu van liquidatie of overdracht daarvan niet is gebleken, nog exploiteert. Het pand [d-straat 1] is eerst aangewend voor de verhuur van kamers. Het is in overeenstemming daarmee steeds gerekend tot het ondernemingsvermogen. Dat berust op een keuze die belanghebbende heeft gedaan in zijn verhouding tot de fiscus, zoals ook duidelijk blijkt uit de door de Inspecteur bij de pleitnota overgelegde jaarstukken over een reeks van jaren. Belanghebbende heeft van deze stukken kennis kunnen nemen en hij heeft er zich over kunnen uitlaten. Door dit pand tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen heeft belanghebbende de grenzen der redelijkheid niet overschreden.
Toen belanghebbende dit pand hoofdzakelijk ging aanwenden als eigen woonhuis was er een bijzondere omstandigheid die overbrenging naar het privé-vermogen zou hebben gerechtvaardigd. Deze overbrenging heeft echter niet plaatsgehad.
Het moet mogelijk worden geacht dat het pand te eniger tijd weer voor het kamerverhuurbedrijf wordt aangewend.
Onder deze omstandigheden mocht de Inspecteur de voortzetting van de keuze voor ondernemingsvermogen aanvaarden, zodat het pand geacht moet worden nog steeds tot het ondernemingsvermogen te behoren. Het gelijk is derhalve aan de Inspecteur".



Op die gronden heeft het Hof de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.



3. Geding in cassatie.


Belanghebbende heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft een beroepschrift in cassatie ingediend, met een begeleidende brief, een schriftuur houdende nadere beschouwingen, een bewijsstuk voorzien van kanttekeningen en een kopie van 's Hofs uitspraak eveneens voorzien van kanttekeningen. Een en ander is binnen de cassatietermijn ingekomen en wordt derhalve in aanmerking genomen. Al het door belanghebbende in die stukken opgemerkte wordt als in dit arrest ingelast aangemerkt.
De Hoge Raad kan geen acht slaan op de schrifturen welke belanghebbende na het verstrijken van de cassatietermijn nog heeft ingezonden.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal mr. Van Soest heeft op 19 december 1984 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.



4. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van belanghebbendes grieven.


4.1. Voor zover belanghebbende beoogt te stellen dat het verhuren van kamers in aan de verhuurder in eigendom toebehorende huizen nimmer kan worden aangemerkt als het drijven van een onderneming als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, moet deze stelling als berustend op een onjuiste rechtsopvatting worden verworpen. Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat onder omstandigheden van bedrijfsmatige verhuur sprake kan zijn.
4.2. Het Hof heeft geoordeeld dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende aannemelijk maakt zijn stelling dat er in feite van een bedrijfsmatige verhuur niet kan worden gesproken.
Dit oordeel wordt door belanghebbende terecht bestreden. De vraag of bepaalde activiteiten als het drijven van een onderneming moeten worden aangemerkt is in het algemeen immers deels een vraag van rechtskundige aard waarvan de beantwoording in zoverre niet het voorwerp van bewijslevering kan zijn, zodat te dien aanzien een verdeling van de bewijslast niet aan de orde is. Het Hof diende aan de hand van de feiten en omstandigheden welke ten processe zijn komen vast te staan zelf een oordeel te geven omtrent de vraag of belanghebbende een onderneming dreef.
4.3. Het Hof heeft zijn beslissing onder meer gegrond op de omstandigheid dat belanghebbende in het handelsregister stond ingeschreven als exploitant van een kamerverhuurbedrijf. Blijkens zijn door het Hof als pleitnota aangemerkte en in zijn uitspraak geïnsereerde brief aan het Hof gedateerd 18 november 1982 heeft belanghebbende bij het Hof aangevoerd dat hij al lang voor het lidmaatschap van de Kamer van Koophandel heeft bedankt, dat geen enkele deelhuureigenaar verplicht is lid te worden en dat belanghebbende al jaren geen contributie meer betaalt, in welk een en ander kennelijk besloten ligt de stelling dat belanghebbende niet gedurende de gehele van belang zijnde periode in het handelsregister ingeschreven is geweest.
In cassatie klaagt belanghebbende onder meer over hetgeen het Hof met betrekking tot de inschrijving in het handelsregister heeft overwogen. Deze klacht treft in zoverre doel dat het Hof, gelet op vorenbedoelde stelling van belanghebbende, onvoldoende inzicht in zijn gedachtengang heeft gegeven door aan de inschrijving in het handelsregister betekenis toe te kennen zonder aan te duiden in welke periode belanghebbende was ingeschreven of anderszins op voormelde stelling in te gaan.
4.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur, toen belanghebbende het pand [d-straat 1] te [Z] hoofdzakelijk ging aanwenden als eigen woonhuis en daarbij het pand niet naar zijn privé-vermogen overbracht, de voortzetting van de keuze voor ondernemingsvermogen mocht aanvaarden. Het Hof heeft dit
oordeel mede gegrond op zijn oordeel dat het mogelijk moet worden geacht dat het pand te eniger tijd weer voor het kamerverhuurbedrijf wordt aangewend. Zoals blijkt uit een kanttekening bij voormelde bij het beroepschrift in cassatie gevoegde kopie van 's Hofs uitspraak klaagt belanghebbende ook over laatstbedoeld oordeel.
Deze klacht is gegrond.
Een mogelijkheid als door het Hof verondersteld kan niet bijdragen tot het oordeel dat het litigieuze pand nog tot het ondernemingsvermogen mocht worden gerekend toen belanghebbende het pand niet meer verhuurde doch zelf ging bewonen. Door dat oordeel mede te doen steunen op die veronderstelde mogelijkheid, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.



5. Slotsom.


Uit het onder 4.2., 4.3. en 4.4. overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
De niet besproken grieven van belanghebbende behoeven geen behandeling meer.



6. Beslissing.


De Hoge Raad
vernietigt de uitspraak van het Hof en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.



Aldus gewezen door mrs. Vroom, vice-president, Stol, Jansen, Van der Linde en Roelvink, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 15 mei 1985 in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier mr. Van den Dries.