Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1918:112
1918-02-15
Civiel recht
4780
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1918:112 → ECLI:NL:PHR:1918:2
Inhoudsindicatie
Vermogensrecht. Loterijwet 1905. Verboden loterij. Berust vordering tot uitkering van geldprijs op overeenkomst met ongeoorloofde oorzaak?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (5)
- ECLI:NL:HR:2026:1159 Hoge Raad 03-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1297 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1297 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1302 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1302 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (8.628 tekens)
De Hooge Raad der Nederlanden, in de zaak (nº 4780) van:
[eischeres], wonende te [woonplaats], eischeres tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te 's Gravenhage op 5 November 1917 tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. H. Veenstra, advocaat bij den Hoogen Raad.
Tegen:
de Eerste Nederlandsche Maatschappij tot verzekering van risico in Loterijen te 's Gravenhage, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.P. Denekamp, mede advocaat bij den Hoogen Raad.
Gehoord den Advocaat-Generaal Ledeboer, namens den Procureur-Generaal, in zijne ter terechtzitting van heden herhaalde conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep en tot veroordeeling van partij [eischeres] in de kosten van cassatie;
Gezien de stukken;
Overwegende, dat uit het bestreden arrest en hetgeen daarin is overgenomen uit het vonnis der Arrondissements-Rechtbank te 's Gravenhage van 12 Juni 1917 blijkt:
dat eischeresse bij inleidende dagvaarding in hoofdzaak heeft gesteld, dat zij op 28 Augustus 1910 aan het bijkantoor van de verweerster te Brussel heeft doen inleveren een ingevuld en onderteekend aanvraagbiljet voor een "polis" volgens Supplement D, waarop haar zulk een stuk, genummerd 9005 is uitgereikt, en zij al hare uit de tusschen haar en de verweerster uit de tusschen partijen gesloten overeenkomst voortspruitende verplichtingen heeft vervuld, totdat op 23 September 1913 bij de zesde trekking der vijfde klasse van de 403de Nederlandsche Staatsloterij op nummer 9005 de prijs van f 100.000 .- is gevallen;
dat dit feit medebracht, dat volgens het tusschen partijen overeengekomene de verweerster haar had te betalen een som van 8710.55 francs of in Nederlandsch geld, den Belgischen franc berekend ad 47 5% cent, f 4148,21, welk bedrag haar echter niettegenstaande sommatie niet is uitbetaald, weshalve zij onder meer gevorderd heeft, dat de verweerster zou worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag met de wettelijke interessen vanaf den dag der dagvaarding tot aan dien der voldoening;
Overwegende, dat nadat de verweerster de feiten die eischeres aan hare vordering ten grondslag had gelegd, als juist had erkend maar den eisch had bestreden onder meer op grond, dat de gestelde overeenkomst zou zijn aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak en mitsdien krachteloos, de Rechtbank bij haar bovenvermeld vonnis de eischeresse niet-ontvankelijk heeft verklaard in hare vordering, zulks op grond, dat, al aangenomen dat de vordering niet voortspruit uit spel in den zin van artikel 1825 van het Burgerlijk Wetboek, men te doen heeft met eene overeenkomst aangegaan uit eene ongeoorloofde oorzaak;
Overwegende dat eischeresse van dit vonnis is gekomen in hooger beroep, doch bij het bestreden arrest de uitspraak der Rechtbank is bevestigd, en zulks in hoofdzaak op grond, dat de op 28 Augustus 1910 tot stand gekomen overeenkomst, gelijk zij in de dagvaarding is gesteld, bestond uit de verbintenis van partij [eischeres] om aan de wederpartij te betalen 120 maandelijksche termijnen van francs 2.50 en uit de verbintenis van de wederpartij om aan partij [eischeres] geleidelijk uit te betalen een som van 25000 francs, in voege, dat telkens als in de Nederlandsche Staatsloterij op nummer 9005 een prijs of premie viel, aan haar betaald zou worden vijf percent van dien prijs of premie na aftrek van francs 7.35, totdat de gezamenlijke uitkeeringen 25000 francs bedroegen;
dat de Rechtbank terecht heeft uitgemaakt dat dit van de zijde van eischeres was het koopen en van de zijde van verweerster het verkoopen van een aandeel in eene door deze laatste aangelegde en gehouden loterij, tot het aanleggen en houden waarvan de vereischte toestemming niet was verleend, welk verkoopen is verboden en strafbaar gesteld bij de Loterijwet van 1905 en derhalve eene handeling is, die strijdt tegen de goede zeden, zoodat de oorzaak van de overeenkomst ongeoorloofd was;
dat waar het geldt eene wederkeerige overeenkomst, het niet afdoet of niet is verboden het koopen van de loterijkans, daar dit koopen niet kan geschieden zonder of gescheiden worden van het krachtens een wet op de goede zeden betrekking hebbende verboden en dus ongeoorloofd verkoopen van de loterijkans;
Overwegende, dat tegen deze beslissing is aangevoerd het navolgende middel van cassatie: Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 14 der Wet van 15 Mei 1829 (Staatsblad nº 28), houdende Algemeene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk, 1356, 4°, 1371 en 1373 van het Burgerlijk Wetboek, junctis de artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 der Loterijwet 1905 (Wet van 6 Juni 1905 (Staatsblad nº 171)), - doordat het Gerechtshof te 's Gravenhage bij arrest de dato 5 November 1917 bevestigende het vonnis der Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage de dato 12 Juni 1917 heeft verklaard, dat de oorzaak der tusschen partijen te dezer zake bestaande overeenkomst was ongeoorloofd, doende hierbij het Hof ten onrechte een beroep op de Loterijwet van 1905, waar immers niet het koopen van een aandeel in een loterij volgens die Wet is verboden, terwijl voorts de strekking der Loterijwet geene andere is geweest dan bepaalde regelen te geven ten aanzien van het aanleggen en daaruit voortvloeiend deelnemen in Loterijen onder het toezicht der overheid (zie arrest van den Hoogen Raad der Nederlanden, d.d. 22 December 1916), zonder dat evenwel deze Wet iets beslist omtrent de rechtsgeldigheid van overeenkomsten van Loterijen, die reeds bestonden of na 1905 tot stand zouden komen, blijkende bovendien het beperkende karakter der Loterijwet van 1905 uit het feit, dat alleen slechts straf wordt bedreigd tegen degenen, die tot zoodanige deelneming aan Loterijen de gelegenheid geven door de verboden Loterij aan te leggen, te houden of tot de exploitatie daarvan mede te werken in een der vormen omschreven in artikel 2 der Wet, terwijl het eveneens niet te verklaren zou zijn, dat in een nieuwe Wet die bestemd zou zijn de Loterijen af te schaffen en de overeenkomsten daaruit van nul en geener waarde te verklaren, dit niet in een der eerste artikelen duidelijk en met zooveel woorden zou worden vooropgesteld;
Overwegende dat namens de verweerster is opgemerkt, dat hier zoude worden opgekomen tegen eene feitelijke beslissing, daar de conclusie, dat de bedoelde overeenkomst er eene is met verboden oorzaak uitlegging dier overeenkomst zou zijn, doch ten onrechte, daar al moge het vaststellen van de oorzaak eener overeenkomst somtijds tot de uitlegging daarvan behooren, de beantwoording der vraag of eene oorzaak, waarvan het bestaan is aangenomen, in den zin van artikel 1373 van het Burgerlijk Wetboek als ongeoorloofd is te beschouwen, zeer zeker staat ter beoordeeling van den rechter in cassatie;
Overwegende wat nu het middel zelf betreft:
dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld, dat het door [eischeres] gekochte stuk was een lot in een hier te lande aangelegde en door de Loterijwet 1905 ongeoorloofd verklaarde en verboden geldloterij;
dat, nu op grond van dat stuk van den aanlegger dier loterij gevorderd werd uitkeering der daarop gevallen prijzen, het Gerechtshof met juistheid heeft beslist, dat die vordering, als berustende op eene overeenkomst met ongeoorloofde oorzaak, niet voor toewijzing vatbaar was en terecht heeft geoordeeld, dat het daarbij niet afdoet, of de gezegde loterijwet bepaaldelijk ook het koopen van loten in een verboden loterij strafbaar stelt;
dat nu wel is waar in het middel is beweerd, dat het niet aannemelijk zou zijn, dat eene overeenkomst als de onderhavige geene rechtsgevolgen zou kunnen hebben, waar zulks niet uitdrukkelijk in de Loterijwet 1905 is bepaald, doch dat bij dit betoog uit het oog wordt verloren, dat de Loterijwet ten deze niet derogeert aan de voorschriften der tweede Afdeeling van Titel II van Boek III van het Burgerlijk Wetboek, en mitsdien, zoo slechts vaststaat, dat de oorzaak der overeenkomst ongeoorloofd is, ook met recht kon beslist worden, dat die overeenkomst geen rechtsgevolgen kon hebben;
dat het middel derhalve niet tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt de eischeresse in de kosten op de cassatie gevallen, aan zijde van de verweerster, tot op de uitspraak van dit arrest begroot op twee gulden tachtig cent aan verschot en op negentig gulden aan salaris.
Gedaan bij de Heeren Mrs. Jhr. de Savornin Lohman, President, Loder, Fentener van Vlissingen, Segers en Jhr. Feith, Raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van den vijftienden Februari 1900 en Achttien, in bijzijn van Mr. Ledeboer, Advocaat-Generaal.
[eischeres], wonende te [woonplaats], eischeres tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te 's Gravenhage op 5 November 1917 tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. H. Veenstra, advocaat bij den Hoogen Raad.
Tegen:
de Eerste Nederlandsche Maatschappij tot verzekering van risico in Loterijen te 's Gravenhage, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.P. Denekamp, mede advocaat bij den Hoogen Raad.
Gehoord den Advocaat-Generaal Ledeboer, namens den Procureur-Generaal, in zijne ter terechtzitting van heden herhaalde conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep en tot veroordeeling van partij [eischeres] in de kosten van cassatie;
Gezien de stukken;
Overwegende, dat uit het bestreden arrest en hetgeen daarin is overgenomen uit het vonnis der Arrondissements-Rechtbank te 's Gravenhage van 12 Juni 1917 blijkt:
dat eischeresse bij inleidende dagvaarding in hoofdzaak heeft gesteld, dat zij op 28 Augustus 1910 aan het bijkantoor van de verweerster te Brussel heeft doen inleveren een ingevuld en onderteekend aanvraagbiljet voor een "polis" volgens Supplement D, waarop haar zulk een stuk, genummerd 9005 is uitgereikt, en zij al hare uit de tusschen haar en de verweerster uit de tusschen partijen gesloten overeenkomst voortspruitende verplichtingen heeft vervuld, totdat op 23 September 1913 bij de zesde trekking der vijfde klasse van de 403de Nederlandsche Staatsloterij op nummer 9005 de prijs van f 100.000 .- is gevallen;
dat dit feit medebracht, dat volgens het tusschen partijen overeengekomene de verweerster haar had te betalen een som van 8710.55 francs of in Nederlandsch geld, den Belgischen franc berekend ad 47 5% cent, f 4148,21, welk bedrag haar echter niettegenstaande sommatie niet is uitbetaald, weshalve zij onder meer gevorderd heeft, dat de verweerster zou worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag met de wettelijke interessen vanaf den dag der dagvaarding tot aan dien der voldoening;
Overwegende, dat nadat de verweerster de feiten die eischeres aan hare vordering ten grondslag had gelegd, als juist had erkend maar den eisch had bestreden onder meer op grond, dat de gestelde overeenkomst zou zijn aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak en mitsdien krachteloos, de Rechtbank bij haar bovenvermeld vonnis de eischeresse niet-ontvankelijk heeft verklaard in hare vordering, zulks op grond, dat, al aangenomen dat de vordering niet voortspruit uit spel in den zin van artikel 1825 van het Burgerlijk Wetboek, men te doen heeft met eene overeenkomst aangegaan uit eene ongeoorloofde oorzaak;
Overwegende dat eischeresse van dit vonnis is gekomen in hooger beroep, doch bij het bestreden arrest de uitspraak der Rechtbank is bevestigd, en zulks in hoofdzaak op grond, dat de op 28 Augustus 1910 tot stand gekomen overeenkomst, gelijk zij in de dagvaarding is gesteld, bestond uit de verbintenis van partij [eischeres] om aan de wederpartij te betalen 120 maandelijksche termijnen van francs 2.50 en uit de verbintenis van de wederpartij om aan partij [eischeres] geleidelijk uit te betalen een som van 25000 francs, in voege, dat telkens als in de Nederlandsche Staatsloterij op nummer 9005 een prijs of premie viel, aan haar betaald zou worden vijf percent van dien prijs of premie na aftrek van francs 7.35, totdat de gezamenlijke uitkeeringen 25000 francs bedroegen;
dat de Rechtbank terecht heeft uitgemaakt dat dit van de zijde van eischeres was het koopen en van de zijde van verweerster het verkoopen van een aandeel in eene door deze laatste aangelegde en gehouden loterij, tot het aanleggen en houden waarvan de vereischte toestemming niet was verleend, welk verkoopen is verboden en strafbaar gesteld bij de Loterijwet van 1905 en derhalve eene handeling is, die strijdt tegen de goede zeden, zoodat de oorzaak van de overeenkomst ongeoorloofd was;
dat waar het geldt eene wederkeerige overeenkomst, het niet afdoet of niet is verboden het koopen van de loterijkans, daar dit koopen niet kan geschieden zonder of gescheiden worden van het krachtens een wet op de goede zeden betrekking hebbende verboden en dus ongeoorloofd verkoopen van de loterijkans;
Overwegende, dat tegen deze beslissing is aangevoerd het navolgende middel van cassatie: Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 14 der Wet van 15 Mei 1829 (Staatsblad nº 28), houdende Algemeene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk, 1356, 4°, 1371 en 1373 van het Burgerlijk Wetboek, junctis de artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 der Loterijwet 1905 (Wet van 6 Juni 1905 (Staatsblad nº 171)), - doordat het Gerechtshof te 's Gravenhage bij arrest de dato 5 November 1917 bevestigende het vonnis der Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage de dato 12 Juni 1917 heeft verklaard, dat de oorzaak der tusschen partijen te dezer zake bestaande overeenkomst was ongeoorloofd, doende hierbij het Hof ten onrechte een beroep op de Loterijwet van 1905, waar immers niet het koopen van een aandeel in een loterij volgens die Wet is verboden, terwijl voorts de strekking der Loterijwet geene andere is geweest dan bepaalde regelen te geven ten aanzien van het aanleggen en daaruit voortvloeiend deelnemen in Loterijen onder het toezicht der overheid (zie arrest van den Hoogen Raad der Nederlanden, d.d. 22 December 1916), zonder dat evenwel deze Wet iets beslist omtrent de rechtsgeldigheid van overeenkomsten van Loterijen, die reeds bestonden of na 1905 tot stand zouden komen, blijkende bovendien het beperkende karakter der Loterijwet van 1905 uit het feit, dat alleen slechts straf wordt bedreigd tegen degenen, die tot zoodanige deelneming aan Loterijen de gelegenheid geven door de verboden Loterij aan te leggen, te houden of tot de exploitatie daarvan mede te werken in een der vormen omschreven in artikel 2 der Wet, terwijl het eveneens niet te verklaren zou zijn, dat in een nieuwe Wet die bestemd zou zijn de Loterijen af te schaffen en de overeenkomsten daaruit van nul en geener waarde te verklaren, dit niet in een der eerste artikelen duidelijk en met zooveel woorden zou worden vooropgesteld;
Overwegende dat namens de verweerster is opgemerkt, dat hier zoude worden opgekomen tegen eene feitelijke beslissing, daar de conclusie, dat de bedoelde overeenkomst er eene is met verboden oorzaak uitlegging dier overeenkomst zou zijn, doch ten onrechte, daar al moge het vaststellen van de oorzaak eener overeenkomst somtijds tot de uitlegging daarvan behooren, de beantwoording der vraag of eene oorzaak, waarvan het bestaan is aangenomen, in den zin van artikel 1373 van het Burgerlijk Wetboek als ongeoorloofd is te beschouwen, zeer zeker staat ter beoordeeling van den rechter in cassatie;
Overwegende wat nu het middel zelf betreft:
dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld, dat het door [eischeres] gekochte stuk was een lot in een hier te lande aangelegde en door de Loterijwet 1905 ongeoorloofd verklaarde en verboden geldloterij;
dat, nu op grond van dat stuk van den aanlegger dier loterij gevorderd werd uitkeering der daarop gevallen prijzen, het Gerechtshof met juistheid heeft beslist, dat die vordering, als berustende op eene overeenkomst met ongeoorloofde oorzaak, niet voor toewijzing vatbaar was en terecht heeft geoordeeld, dat het daarbij niet afdoet, of de gezegde loterijwet bepaaldelijk ook het koopen van loten in een verboden loterij strafbaar stelt;
dat nu wel is waar in het middel is beweerd, dat het niet aannemelijk zou zijn, dat eene overeenkomst als de onderhavige geene rechtsgevolgen zou kunnen hebben, waar zulks niet uitdrukkelijk in de Loterijwet 1905 is bepaald, doch dat bij dit betoog uit het oog wordt verloren, dat de Loterijwet ten deze niet derogeert aan de voorschriften der tweede Afdeeling van Titel II van Boek III van het Burgerlijk Wetboek, en mitsdien, zoo slechts vaststaat, dat de oorzaak der overeenkomst ongeoorloofd is, ook met recht kon beslist worden, dat die overeenkomst geen rechtsgevolgen kon hebben;
dat het middel derhalve niet tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt de eischeresse in de kosten op de cassatie gevallen, aan zijde van de verweerster, tot op de uitspraak van dit arrest begroot op twee gulden tachtig cent aan verschot en op negentig gulden aan salaris.
Gedaan bij de Heeren Mrs. Jhr. de Savornin Lohman, President, Loder, Fentener van Vlissingen, Segers en Jhr. Feith, Raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van den vijftienden Februari 1900 en Achttien, in bijzijn van Mr. Ledeboer, Advocaat-Generaal.