Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:361

2026-02-10 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.348.834_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-02-10
Publicatiedatum
2026-02-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.348.834_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; RVR 2026/67

Inhoudsindicatie

hoger beroep van ECLI:NL:RBLIM:2024:7403. Koopovereenkomst onroerende zaak niet nietig op grond van artikel 3:40 BW en niet vernietigbaar op grond van artikel 3:45 BW.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (38.821 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht


zaaknummer 200.348.834/01




arrest van 10 februari 2026




in de zaak van





1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant sub 2],wonende te [woonplaats] ,
3. [appellant sub 3],overleden op 25 januari 2025, bij leven wonende te [woonplaats] ,

appellanten,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,



tegen





[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.A.M.W. Snackers-Lutgens te Maastricht.



op het bij exploot van dagvaarding van 30 oktober 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 oktober 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiser.



Appellante 1 zal hierna worden aangeduid als [appellant sub 1] , appellant 2 als [appellant sub 2] . en appellante 3 als [appellant sub 3] .

[appellant sub 2] . en [appellant sub 3] gezamenlijk zullen worden aangeduid als de grootouders.
Geïntimeerde zal worden aangeduid als [geïntimeerde] .






1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/301403 / HA ZA 22-50)


Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de rechtbank.






2Het geding in hoger beroep


Het verloop van de procedure blijkt uit:



de dagvaarding in hoger beroep;


de akte van appellanten houdende een verzoek tot schorsing op grond van artikel 225 lid 1 Rv;


de antwoordakte van [geïntimeerde] .;


de rolbeslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek tot schorsing van 25 maart 2025;


de memorie van grieven met producties;


de memorie van antwoord met producties;


de akte van appellanten met producties;


de antwoordakte van [geïntimeerde] . met producties;


de op 1 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling.




Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.






3De beoordeling



De feiten




3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de rechtbank vastgestelde en in hoger beroep niet betwiste feiten, aangevuld met enkele andere feiten die zijn komen vast te staan.


3.2.1.

[appellant sub 3] is op 25 januari 2025 overleden. Zij was de echtgenote van [appellant sub 2] . [geïntimeerde] . is hun beider zoon. [appellant sub 1] is de dochter van [geïntimeerde] . en de kleindochter van de grootouders.



3.2.2.
De grootouders waren eigenaar van een (bedrijfs-) woning met diverse loodsen in Echt. De woning en de loodsen gezamenlijk worden door partijen (en hierna ook door het hof) aangeduid als “de fuui”.



3.2.3.
Op 5 mei 2016 is de woning van de fuui door de grootouders aan [geïntimeerde] . geleverd. Tussen [geïntimeerde] . enerzijds en de grootouders anderzijds is in augustus 2016 een conflict ontstaan over de levering van de loodsen, in welk conflict ook [appellant sub 1] betrokken is geraakt.



3.2.4.

Op 30 oktober 2018 heeft [appellant sub 1] over dat conflict een tekstbericht aan [geïntimeerde] . gestuurd:
“(…) Deze ellende en strijd. Of jullie trots echt belangrijker is dan jullie bloed eigen dochters en je eigen ouders. Er is veel gebeurd en veel gezegd door IEDEREEN, iedereen heeft hier fouten gemaakt. Niet alleen ik, niet alleen jullie, niet alleen [persoon A] of opa en oma. Maar WIJ allemaal.

(…)


Als een van ons, door welke reden dan ook, er opeens niet meer is. Dan hebben we de laatste tijd samen verpest aan ruzie en strijd.(…)”.




3.2.5.

Op 9 april 2020 heeft [geïntimeerde] . aan [appellant sub 1] per e-mail bericht (productie 11, dagvaarding):
“(…)

Ook wat betreft de afspraken over de fuui loopt dit dadelijk allemaal via de rechtbank en zoals je opa ook weet is [persoon B] bereid om dit zelfs onder ede te verklaren voor de rechtbank, wat de afspraken waren en waarom het huis los is gehaald en waar deze vraag vandaag kwam enz enz.(…)”.




3.2.6.
Op 23 december 2020 hebben [geïntimeerde] . en zijn partner een procedure aanhangig gemaakt tegen de grootouders waarin primair is gevorderd nakoming van de overeenkomst tot koop en levering van de bedrijfswoning en loodsen (hierna aangeduid als procedure I).



3.2.7.
Op 24 maart 2021 hebben de grootouders in procedure I hun conclusie van antwoord genomen waarin de overeenkomst en leveringsverplichting ten aanzien van de loodsen wordt betwist.



3.2.8.
Op 17 oktober 2021 is tussen de grootouders en [appellant sub 1] een overeenkomst gesloten tot koop van de loodsen.



3.2.9.
Op 9 november 2021 hebben de grootouders de rechtbank verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling in procedure I omdat [appellant sub 2] . in verband met zijn medische toestand niet in staat zou zijn de mondelinge behandeling van 6 december 2021 bij te wonen, welk verzoek is gehonoreerd.



3.2.10.

Op 29 november 2021 zijn de grootouders en [appellant sub 1] bij de notaris verschenen en is verleden de notariële transportakte waarbij de loodsen aan [appellant sub 1] zijn geleverd tegen een koopsom van € 380.000,00 van welk bedrag € 80.000,00 door middel van schenking van de grootouders aan [appellant sub 1] is voldaan en het restantbedrag van € 300.000,00 is omgezet in een geldlening van de grootouders aan [appellant sub 1] . In de notariële akte is opgenomen:
“(…)

Heden, negen en twintig november tweeduizend een en twintig, verschenen voor mij, [naam notaris] , notaris te Sittard-Geleen:


1. a. de heer [appellant sub 2] (…)”.




3.2.11.
Op 11 januari 2022 heeft [geïntimeerde] . conservatoir beslag op de loodsen gelegd.



3.2.12.

Op 1 mei 2023 heeft in procedure I ten overstaan van de rechtbank een getuigenverhoor plaatsgevonden. [appellant sub 1] heeft daarin – voor zover hier van belang – het volgende verklaard:
“ (…)

Ik heb voor het eerst over deze zaak gehoord toen de woning van de fuui werd verbouwd. (…)Ik heb van zowel mijn vader als mijn opa gehoord dat het de bedoeling was dat mijn ouders eerst de woning zouden kopen en later de bedrijfsloodsen. (…)


Pas achteraf heb ik gehoord dat mijn vader in de veronderstelling verkeerde dat de bedrijfsloodsen aan hem zouden worden geschonken. Ik heb dat vernomen uit een dagvaarding toen er beslag werd gelegd op de bedrijfsloodsen. (…)”.




3.2.13.

Op 13 december 2023 heeft de rechtbank bij eindvonnis in procedure I geoordeeld dat de woning en de loodsen door de grootouders aan [geïntimeerde] . en zijn partner (door de rechtbank aangeduid als “ [geïntimeerden] c.s.”) zijn verkocht voor een koopsom van € 200.000,00 en dat de loodsen uiterlijk in januari 2018 door de grootouders (door de rechtbank aangeduid als “ [appellanten] c.s.”) aan [geïntimeerde] . en zijn partner dienden te worden geleverd:
“(…)




3.1.

verklaart voor recht dat tussen [geïntimeerden] c.s en [appellanten] c.s. een overeenkomst tot stand is gekomen met de volgende inhoud:


a. De eigendom van de (bedrijfs)woning en de bedrijfsloodsen gelegen aan de [straatnaam] [nummer 1] - [nummer 2] - [nummer 4] - [nummer 5] - [nummer 3] te [vestigingsplaats] 9 (…) wordt door [appellanten] c.s. overgedragen aan [geïntimeerden] c.s. tegen betaling van € 200.000,-;


b. de notariële levering van de woning wordt uiterlijk in mei 2016 gerealiseerd. De notariële levering van de bedrijfsloodsen wordt uiterlijk in januari 2018 gerealiseerd;


(…)


d. (…) de koopprijs die is betaald voor de woning heeft te gelden als betaling voor het geheel;


(…)



3.2.

verklaart voor recht dat [appellanten] c.s. in gebreke zijn gebleven in de nakoming van de overeenkomst;



3.3.


veroordeelt [appellanten] c.s. om binnen één maand na dagtekening van dit vonnis mee te werken aan levering van de bedrijfsloodsen aan [geïntimeerden] c.s. middels een notariële transportakte;


(…)




3.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft 3.3 (…)”.


3.2.14.
De grootouders hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 13 december 2023 in procedure I. Het hof heeft, voor zover hier van belang, de grootouders bij arrest van 4 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. De grootouders hebben geen cassatie ingesteld.



3.2.15.
De loodsen zijn op 1 mei 2025 aan [geïntimeerde] . geleverd.



De procedure bij de rechtbank





3.3.1.


[geïntimeerde] . heeft bij de rechtbank, na vermindering van eis, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. te verklaren voor recht dat de overeenkomst en daaropvolgende levering aangaande de onroerende goederen gelegen aan de [straatnaam] [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] en de [straatnaam 2] [nummer 4] (hof: de loodsen) tussen [appellant sub 1] en de grootouders nietig is;
II. [appellant sub 1] en de grootouders te veroordelen de koop en de daaropvolgende levering van het betreffende onroerende goed binnen twee weken na betekening van het vonnis volledig ongedaan te hebben gemaakt en te houden en daartoe alle maatregelen te hebben genomen die daartoe noodzakelijk zijn, waaronder ten minste de wijziging van eigendom in het kadaster, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat het vonnis niet is uitgevoerd met een maximum van € 10.000,00 althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom en maximum, althans te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van die handelingen, eventueel een notariële akte daaronder begrepen, welke noodzakelijk zijn om in de registers de eigendomsovergang van de grootouders naar [appellant sub 1] ongedaan te maken, althans een zodanige beslissing die de rechtbank hiervoor nodig en nuttig zal oordelen;
III. [appellant sub 1] en de grootouders hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot vergoeding van de schade zoals deze door [geïntimeerde] is geleden en is vastgesteld op: € 2.474,00;

Subsidiair

I. te verklaren voor recht dat de overeenkomst en daaropvolgende levering van de onroerende goederen door [geïntimeerde] vernietigd is;
II. [appellant sub 1] en de grootouders te veroordelen de koop en de daaropvolgende levering van het betreffende onroerende goed binnen twee weken na betekening van het vonnis volledig ongedaan te hebben gemaakt en te houden en daartoe alle maatregelen te hebben genomen die daartoe noodzakelijk zijn, waaronder ten minste de wijziging van eigendom in het kadaster; onder verbeurte van een dwangsom (hoofdelijk) van € 100,- per dag dat het vonnis niet is uitgevoerd met een maximum van € 10.000,- althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom en maximum, althans te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van die handelingen, eventueel een notariële akte daaronder begrepen, welke noodzakelijk zijn om in de registers de eigendomsovergang van de grootouders naar [appellant sub 1] ongedaan te maken, althans een zodanige beslissing die de rechtbank hiervoor nodig en nuttig zal oordelen;
III. de dochter [appellant sub 1] en de grootouders hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot vergoeding van de schade zoals deze door [geïntimeerde] is geleden en is vastgesteld op: € 2.474,-;

In alle gevallen

met hoofdelijke veroordeling (eveneens voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad) van gedaagden in de proceskosten (in dit geval de werkelijke althans de kosten volgens het liquidatietarief) van het geding, met inbegrip van de nakosten zoals genoemd in artikel 237 lid 4 Rv, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat gedaagden in verzuim zijn deze kosten te voldoen.




3.3.2.
Aan de primaire vorderingen heeft [geïntimeerde] ., kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de overeenkomst tussen de grootouders en [appellant sub 1] tot koop en levering van de loodsen enkel de strekking had om uitvoering van het vonnis van de rechtbank in procedure I te frustreren, zodat deze in strijd is met de goede zeden en daarom op grond van artikel 3:40 lid 1 BW nietig. Aan de subsidiaire vorderingen heeft [geïntimeerde] ., kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zowel de grootouders als [appellant sub 1] wisten dat [geïntimeerde] . door de koopovereenkomst en de daaropvolgende levering werd benadeeld. Die kunnen daarom op grond van artikel 3:45 BW worden vernietigd.



3.3.3.
Appellanten (gedaagden in eerste aanleg) hebben bij de rechtbank verweer gevoerd.



3.3.4.
In het vonnis van 23 oktober 2024 heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat sprake is van een overeenkomst die – hoewel de inhoudelijke prestatie niet rechtstreeks verboden is – de strekking heeft een ander te benadelen, zodat sprake is van een nietige overeenkomst ex artikel 3:40 BW. De rechtbank heeft de primair onder I. gevorderde verklaring voor recht toegewezen. De rechtbank heeft verstaan dat met de primaire vordering onder II. is bedoeld ongedaanmaking van de inschrijving door afgifte door [appellant sub 1] als rechthebbende van een verklaring van waardeloosheid als bedoeld in artikel 3:28 BW met inschrijving daarvan in de openbare registers. De rechtbank heeft [appellant sub 1] daartoe op straffe van verbeurte van dwangsommen veroordeeld. De rechtbank heeft appellanten (in eerste aanleg: gedaagden) hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.



De procedure in hoger beroep





Processuele aspecten





3.4.
Appellanten hebben voorafgaand aan het nemen van de memorie van grieven verzocht om schorsing van de procedure op grond van artikel 225 lid 1 onder a Rv vanwege het overlijden van [appellant sub 3] op 25 januari 2025. Het hof heeft dat verzoek afgewezen. Het geding wordt op grond van het bepaalde in artikel 225 lid 2 Rv op naam van de oorspronkelijke partij, [appellant sub 3] , voortgezet.


3.5.
Appellanten hebben na de memorie van antwoord bij akte als productie 2 een toelichting van de hand van [appellant sub 1] van twaalf pagina’s overgelegd. [geïntimeerde] . heeft bezwaar gemaakt tegen het nemen van de akte, welk bezwaar het hof heeft afgewezen. Het hof heeft [geïntimeerde] . toegestaan om een antwoordakte te nemen. [geïntimeerde] . heeft bij antwoordakte zijn bezwaar tegen de schriftelijke toelichting van [appellant sub 1] gehandhaafd. Als productie 7 bij de antwoordakte is een zeven pagina’s tellende reactie van [geïntimeerde] . op de toelichting van [appellant sub 1] overgelegd. Het hof heeft ter zitting na een nadere toelichting van partijen beslist dat de akte en de antwoordakte wel worden toegelaten, maar dat de schriftelijke toelichting van [appellant sub 1] (productie 2 van appellanten) en de reactie daarop van [geïntimeerde] . (productie 7 van [geïntimeerde] .) niet worden toegelaten, omdat het hof die in strijd acht met de twee-conclusieregel. Productie 2 van appellanten en productie 7 van [geïntimeerde] . behoren dus niet tot de gedingstukken.



De grieven




3.6.
Appellanten hebben in hoger beroep vijf genummerde grieven aangevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij grief 4 en grief 5 ingetrokken. Appellanten hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] ., met veroordeling van [geïntimeerde] . in de proceskosten van beide instanties.



Grief 1-3



3.7.1.
Het hof zal de grieven 1, 2 en 3 gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven komen appellanten op tegen rov. 5.4. tot en met rov. 5.6. van het vonnis. Daarin overweegt de rechtbank, samengevat, dat [appellant sub 1] op 17 oktober 2021 wist, dan wel behoorde te weten, dat de inzet van procedure I tussen [geïntimeerde] . en de grootouders was de levering van de loodsen aan [geïntimeerde] . De rechtbank oordeelt dat de strekking van de overeenkomst tot overdracht van de loodsen aan [appellant sub 1] enkel is gelegen in het oogmerk om [geïntimeerde] . te benadelen. De voor zowel de grootouders als [appellant sub 1] te voorziene (rechts-) gevolgen van de eigendomsoverdracht waren immers dat [geïntimeerde] . overdracht van die loodsen niet langer kon afdwingen, ook niet na een toewijzend vonnis van de rechtbank in procedure I. Het omzetten van de koopsom in een schenking en een geldlening van de grootouders aan [appellant sub 1] resulteert er bovendien feitelijk in dat voor [geïntimeerde] . ook geen verhaal mogelijk is op de betaalde koopsom. De rechtbank oordeelt dat het kenbare doel van de overeenkomst was om te bewerkstelligen dat [geïntimeerde] . levering van de loodsen niet langer kon afdwingen en dat verhaal op de koopsom kon worden genomen. Op basis daarvan oordeelt de rechtbank dat sprake is van een overeenkomst die – hoewel de prestatie niet rechtstreeks verboden is – de strekking heeft een ander te benadelen zodat sprake is van een nietige overeenkomst ex artikel 3:40 BW.



3.7.2.
Appellanten betogen met hun grieven en de toelichting daarop, verkort weergegeven, het volgende. De grootouders gingen er in oktober/november 2021 van uit dat zij vrij waren om het bedrijfscomplex aan [appellant sub 1] te verkopen en leveren. De grootouders gingen ervan uit dat zij slechts de woning aan [geïntimeerde] . hadden verkocht voor € 200.000,00. In 2015/2016 was het de bedoeling dat [geïntimeerde] . wellicht ook de bedrijfsloodsen zou kopen, maar [geïntimeerde] . kreeg daarvoor de vereiste financiering niet rond. [appellant sub 1] ging er ook van uit, en mocht er ook van uitgaan, dat haar grootouders het bedrijfscomplex aan haar mochten verkopen en leveren. [appellant sub 1] vernam ook van de notaris die de leveringsakte heeft verleden en van haar toenmalige advocaat, dat er geen belemmeringen waren om tot koop van het bedrijfscomplex over te gaan. [appellant sub 1] was ook niet op de hoogte van het standpunt van haar ouders dat de woning en het bedrijfscomplex door haar grootouders aan haar ouders waren verkocht voor € 200.000,00 en van de veronderstelling van haar ouders dat zij de loodsen in feite geschonken hadden gekregen. [appellant sub 1] heeft de aankooptransactie ook niet gedaan om haar ouders te duperen of te benadelen. [appellant sub 1] had eind 2021 slechts meegekregen dat haar ouders de woning weer wilden terugverkopen aan haar grootouders. [appellant sub 1] mocht er dan ook van uitgaan dat haar grootouders niets of niets meer aan [geïntimeerde] . zouden schenken en eerdere overeenkomsten ontbonden waren. Zowel de grootouders als [appellant sub 1] waren volkomen te goeder trouw. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de strekking van de overeenkomst tot levering van de loodsen aan [appellant sub 1] enkel gelegen was geweest in het oogmerk om [geïntimeerde] . te benadelen. Er was dan ook geen sprake van een overeenkomst met een onzedelijke strekking en dus niet van een nietige overeenkomst, aldus appellanten.



3.7.3.


[geïntimeerde] . voert in zijn verweer, samengevat, tegen de grieven aan dat hij in 2015 op zoek was naar een vrijstaande woning met loodsen, om zijn hobby, het sleutelen aan Landrovers, te kunnen uitvoeren. Toen hij een potentiële nieuwe woning had gevonden, hebben de grootouders hem aangeboden om de fuui over te nemen en voorgesteld dat [geïntimeerde] . € 200.000,00 voor het geheel zou betalen, met gespreide betaling over tien jaar. Met te ontvangen huurpenningen uit de verhuur van de loodsen zou [geïntimeerde] . de aankoop kunnen financieren en konden de grootouders een schenking met de warme hand doen. Uiteindelijk hebben de grootouders de betalingsafspraken willen wijzigen naar een betaling van € 200.000,00 in één keer. Op advies van hun financieel adviseur hebben partijen afgesproken het perceel (de fuui) te splitsen in een deel ten aanzien van de woning en een deel ten aanzien van de loodsen. [geïntimeerde] . kon eenvoudiger een financiering op de woning verkrijgen dan op het geheel of enkel op de loodsen. Hij kon de woning zodanig (verder) opknappen dat deze het totaalbedrag voor de fuui van € 200.000,00 kon vertegenwoordigen. Deze zou dan als eerste worden ver-/gekocht om de betaling ineens aan de grootouders te realiseren. Vervolgens zouden de loodsen dan in drie fiscale jaren geschonken kunnen worden op basis van de taxatiewaarde. Conform die afspraken hebben partijen de woning overgedragen en voorbereidingen getroffen voor de daaropvolgende levering van de loodsen. Toen puntje bij paaltje kwam (omstreeks november/december 2016) hebben de grootouders – om voor [geïntimeerde] . onbekende redenen – geweigerd om de loodsen aan [geïntimeerde] . te leveren.
De kinderen van [geïntimeerde] . (en dus de kleinkinderen van de grootouders, twee dames) zijn van meet af aan in de aankoop van de fuui betrokken geweest en hebben meegekregen dat de grootouders zonder aanwijsbare reden opeens van mening waren niet meer gehouden te zijn tot enige levering aan [geïntimeerde] . [appellant sub 1] heeft de grootouders geholpen om een voorstel aan [geïntimeerde] . te formuleren. Op de met de brief overgelegde envelop is het handschrift van [appellant sub 1] duidelijk zichtbaar, aldus [geïntimeerde] .

[appellant sub 1] heeft in correspondentie per e-mail en sms met [geïntimeerde] . aangegeven goed te weten dat haar ouders en haar grootouders ruzie hadden over de aankoop van de fuui en de weigering van de grootouders om over te gaan tot levering van de loodsen, aldus nog steeds [geïntimeerde] . Familieleden en bekenden, die aanwezig waren op verjaardagen van [geïntimeerde] . waarin het thema “aankoop fuui” en “weigering levering loodsen” bij herhaling aan bod is geweest, kunnen [appellant sub 1] ’s kennis bevestigen. Ook tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [appellant sub 1] verklaard dat zij wist dat er ruzie over de loodsen was.
Na conclusiewisseling in procedure I heeft de rechtbank een mondelinge behandeling bepaald op 6 december 2021. Kort daarvoor heeft de advocaat van de grootouders verzocht om aanhouding daarvan wegens een ziekenhuisopname van [appellant sub 2] . Een medische verklaring waaruit de noodzaak tot aanhouding blijkt is ondanks het verzoek van [geïntimeerde] . en diens bezwaar tegen de aanhouding niet verkregen. De rechtbank heeft desondanks de zitting verplaatst naar 7 maart 2022. In de tussentijd, op 29 november 2021, hebben de grootouders, samen met [appellant sub 1] , kennelijk wel de weg naar de notaris – overigens een andere notaris dan degene die voorheen betrokken is geweest bij de levering van de fuui door de grootouders aan [geïntimeerde] . – kunnen vinden om de loodsen aan [appellant sub 1] te leveren. Blijkbaar bestond er daarvoor dus geen medisch (of ander) bezwaar. De rechtbank heeft daarover ten tijde van de mondelinge behandeling gezegd zich “behoorlijk in het ootje genomen” te voelen, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
Uit de leveringsakte blijkt dat de overdracht aan [appellant sub 1] grotendeels om niet is geschied. Ook is uit een procedure tussen [appellant sub 1] en een van de huurders gebleken dat [appellant sub 1] met de grootouders is overeengekomen dat zij – bij een veroordelend vonnis in de zaak tussen de grootouders en [geïntimeerde] . – de loodsen zou terugleveren aan de grootouders.
De terugkoop van de woning door de grootouders, zoals door [geïntimeerde] . geopperd, is gekoppeld aan de niet-nakoming van de gemaakte afspraken omtrent de aankoop van de fuui. Een andere uitleg is volstrekt ondenkbaar en wordt door de grootouders en [appellant sub 1] ook niet betoogd c.q. toegelicht, aldus nog steeds [geïntimeerde] .




3.7.4.
Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat appellanten geen grief hebben gericht tegen rov. 5.2. van het vonnis, waarin de rechtbank overweegt welke maatstaf moet worden aangelegd bij het beoordelen van de vordering. Ook het hof zal die maatstaf hanteren en die hier weergeven. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of openbare orde, is nietig op grond van het bepaalde in artikel 3:40 lid 1 BW. Een rechtshandeling die strekt tot benadeling van schuldeisers kan nietig zijn wegens strijd met goede zeden. Deze nietigheid vindt dan haar grond in de onzedelijke strekking en - anders dan bij de actio pauliana (artikel 3:45 BW) - niet in de nadelige gevolgen voor anderen (HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3650). Voor nietigheid van een rechtshandeling wegens strijd met de goede zeden ex artikel 3:40 BW op de grond dat deze strekt tot benadeling van schuldeisers, is niet noodzakelijk is dat ten tijde van het aangaan van die rechtshandeling al vast stond of aannemelijk was dat die schuldeisers als gevolg van die rechtshandeling daadwerkelijk benadeeld zouden (gaan) worden. Enkel de onzedelijke strekking van de rechtshandeling kan al voldoende zijn om tot nietigheid te komen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de onzedelijke gevolgen van de rechtshandeling voor anderen (bij een overeenkomst: voor de wederpartij) te voorzien of kenbaar waren, of als de onzedelijke motieven van de handelende partij voor anderen kenbaar waren. Hierbij is uitsluitend het moment waarop de rechtshandeling wordt verricht bepalend.



3.7.5.
Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant sub 1] op 17 oktober 2021 wist of behoorde te weten dat de inzet van procedure I tussen [geïntimeerde] . en de grootouders de levering van de loodsen aan [geïntimeerde] . was en vervolgens dat, door voorafgaand aan het vonnis van de rechtbank in procedure I de loodsen aan [appellant sub 1] te leveren, de grootouders en [appellant sub 1] hebben bewerkstelligd dat [geïntimeerde] . levering van de loodsen feitelijk niet meer kon afdwingen, ook niet na een toewijzend vonnis van de rechtbank. Op basis van die omstandigheden heeft de rechtbank geoordeeld dat de strekking van de overeenkomst tot levering van de loodsen aan [appellant sub 1] enkel is gelegen in het oogmerk om [geïntimeerde] . te benadelen. De grieven, voor zover tegen dat oordeel gericht, slagen. Het hof overweegt daartoe het volgende.



3.7.6.

[appellant sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nader toegelicht dat zij de aankooptransactie niet heeft gedaan om [geïntimeerde] . te benadelen. In oktober 2021, toen de gezondheid van [appellant sub 2] . achteruitging, heeft zij tegen haar grootouders gezegd: ‘waarom verkoop je de loodsen niet aan mij?’ De reden dat zij dit wilde was volgens [appellant sub 1] dat dit voor haar een investering in de toekomst was, naar het hof begrijpt vanwege de huurinkomsten die zij als eigenaar van de loodsen zou verkrijgen. Dat [geïntimeerde] . een deel van de loodsen feitelijk in gebruik had, was daarbij voor haar een financiële tegenvaller; zij kende wel mensen die dat deel van haar wilden huren, aldus [appellant sub 1] . In de drie jaar dat zij eigenaar is geweest heeft zij vanwege investeringen die zij moest doen nog niet veel financieel voordeel gehad, maar, aldus [appellant sub 1] , ‘eerst kost het wat en dan levert het wat op’. [geïntimeerde] . heeft niet weersproken dat [appellant sub 1] de loodsen als investering in de toekomst wilde verwerven en dat zij daarmee financieel voordeel zou (kunnen) behalen. Het hof weegt ook mee dat ten tijde van de verkoop en levering van de loodsen aan [appellant sub 1] nog niet in rechte vaststond dat [geïntimeerde] . een ouder recht op levering van de loodsen had. Het geval van een koopovereenkomst die is aangegaan teneinde de rechtmatige rechtsuitoefening van derden krachteloos te maken of te bemoeilijken en die daardoor in strijd met de goede zeden is, doet zich dus niet voor (vgl. hof Amsterdam 12 januari 1944, ECLI:NL:GHAMS:1944:36). Naar het oordeel van het hof heeft [appellant sub 1] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een eigen belang had bij het aangaan van de koopovereenkomst en dat dit niet enkel strekte tot benadeling van [geïntimeerde] . (vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3650, hiervoor ook aangehaald onder 3.7.4.). Dat, zoals [geïntimeerde] . heeft gesteld en [appellant sub 1] niet heeft betwist, [appellant sub 1] met de grootouders is overeengekomen dat zij bij een veroordelend vonnis in procedure I de loodsen zou terugleveren, doet er niet aan af dat [appellant sub 1] een (voldoende) eigen belang bij de transactie had. Ook het feit dat de levering aan [appellant sub 1] plaatsvond kort nadat de mondelinge behandeling in procedure I op verzoek van de gootouders wegens gezondheidsklachten van [appellant sub 2] . was aangehouden, maakt niet dat [appellant sub 1] de koopovereenkomst sloot met het enkele oogmerk om [geïntimeerde] . te benadelen. Mogelijk heeft [appellant sub 1] op de koop toegenomen dat [geïntimeerde] ., als gevolg van de verkoop en levering van de loodsen aan haar, achter het net zou vissen, maar dat is onvoldoende voor het oordeel dat zij de overeenkomst met het (enkele) oogmerk van benadeling van [geïntimeerde] . is aangegaan en dat er sprake is van een nietige overeenkomst vanwege strijd met de goede zeden.



3.7.7.

[geïntimeerde] . heeft, ten opzichte van de gemotiveerde betwisting door appellanten c.q. [appellant sub 1] , onvoldoende onderbouwd gesteld dat de grootouders bij het aangaan van de overeenkomst door een onzedelijk motief werden bewogen en dat dit voor [appellant sub 1] kenbaar was.



3.7.8.
Het oordeel luidt dat de koopovereenkomst tussen de grootouders en [appellant sub 1] niet nietig is wegens strijd met de goede zeden. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en de primaire vorderingen van [geïntimeerde] . alsnog afwijzen.



De subsidiaire vorderingen




3.8.1.
De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof de subsidiaire vorderingen van [geïntimeerde] . moet beoordelen. Subsidiair heeft [geïntimeerde] . onder I gevorderd te verklaren voor recht dat de overeenkomst en daaropvolgende levering van de onroerende goederen door [geïntimeerde] . vernietigd is. Kort samengevat heeft hij daaraan in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat zowel de grootouders als [appellant sub 1] wisten dat [geïntimeerde] . door de koopovereenkomst en de daarop volgende levering werd benadeeld en dat die daarom op grond van artikel 3:45 BW kunnen worden vernietigd. In hoger beroep heeft hij daaraan toegevoegd dat de grootouders en [appellant sub 1] geen enkele andere reden voor de overdracht hadden dan verhaalsmogelijkheden voor [geïntimeerde] . frustreren en saboteren. Een koopsom is immers niet betaald aan de grootouders van [appellant sub 1] . Verhaal daarop zou dan ook niet mogelijk zijn. [geïntimeerde] . beroept zich op het wettelijk vermoeden van wetenschap van benadeling van artikel 3:46 lid 1 aanhef en onder 3a BW.



3.8.2.

Het hof oordeelt als volgt. Artikel 3:45 BW luidt, voor zover van belang:
“1. Indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan.
2. Een rechtshandeling anders dan om niet, die (…) meerzijdig is, kan wegens benadeling slechts worden vernietigd, indien ook degenen met (…) wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn.
(…)”




3.8.3.
Benadeling van een schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden als bedoeld in artikel 3:45 BW veronderstelt dat de schuldeiser, [geïntimeerde] ., een geldvordering heeft, of op enig moment verkrijgt of kan verkrijgen, op de schuldenaar, de grootouders. Artikel 3:45 BW verleent aan de schuldeiser immers een bijzondere bevoegdheid ter bescherming van een geldelijk verhaalsrecht. [geïntimeerde] . had (aanvankelijk) niet een geldvordering op de grootouders, maar, zo kwam in procedure I vast te staan, een recht op levering van de loodsen. Er, bij gebreke van voldoende onderbouwing door [geïntimeerde] . veronderstellenderwijs, van uitgaande dat [geïntimeerde] . met zijn beroep op artikel 3:45 BW het oog heeft op de verkorting van zijn verhaalsrecht met betrekking tot een geldvordering op de grootouders (bijvoorbeeld die tot schadevergoeding wegens tekortkoming in de nakoming van de verplichting tot levering van de loodsen op grond van artikel 6:74 BW), geldt het volgende. In procedure I is komen vast te staan dat [geïntimeerde] . met de grootouders is overeengekomen dat hij de woning en de loodsen in eigendom zou verkrijgen voor een koopsom van € 200.000,00. In deze procedure heeft het hof vastgesteld dat de grootouders de loodsen aan [appellant sub 1] hebben geleverd tegen een koopsom van € 380.000,00, van welk bedrag € 80.000,00 door middel van schenking is voldaan en het restantbedrag van € 300.000,00 is omgezet in een geldlening van de grootouders aan [appellant sub 1] (zie rov. 3.2.10.). [geïntimeerde] . kan zich aldus verhalen op de vordering van € 300.000,00 uit hoofde van geldlening van de grootouders op [appellant sub 1] . Feiten of omstandigheden waaruit moet volgen dat verhaal door [geïntimeerde] . op die vordering niet of niet volledig mogelijk is, zijn gesteld noch gebleken. Bij gebreke daarvan kan het hof niet vaststellen dat [geïntimeerde] . in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld. Het hof komt tot de slotsom dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:45 BW. [geïntimeerde] . heeft de koopovereenkomst tussen de grootouders en [appellant sub 1] en de daarop volgende levering daarom niet met succes vernietigd wegens verkorting van zijn verhaalsrecht. Daarop stuit zijn subsidiaire vordering onder I af. Daarmee is de vordering onder II evenmin toewijsbaar. Ook de vordering onder III tot vergoeding van reële proceskosten en griffierecht zal het hof afwijzen, nu [geïntimeerde] . in het ongelijk wordt gesteld.



Conclusie en proceskosten





3.9.

Het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] . afwijzen. Het hof zal [geïntimeerde] . als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van appellanten zullen worden vastgesteld op:



Griffierecht € 314,00


Salaris advocaat € 1.842,00 (3 punten x tarief II)


Totaal € 2.156,00


De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van appellanten zullen vastgesteld worden op:



Explootkosten € 136,72


Griffierechten € 349,00


Salaris advocaat € 3.642,00 (3 punten x tarief II)


Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)


Totaal € 4.305,72






4De uitspraak


Het hof:



4.1.
vernietigt het vonnis waarvan beroep;


en, opnieuw rechtdoende:




4.2.
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] . af;



4.3.
veroordeelt [geïntimeerde] . in de proceskosten van de eerste aanleg van € 2.156,00 en van het hoger beroep van € 4.305,72, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [geïntimeerde] . niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] . € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



4.4.
verklaart de veroordeling onder 4.3. uitvoerbaar bij voorraad.


Dit arrest is gewezen door mrs. M. van der Schoor, F.M.T. Quaadvliet en O.L. Nunes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 februari 2026.



griffier rolraadsheer