Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2026:1528

2026-06-10 Bestuursrecht; Belastingrecht 23/1413
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2026-06-10
Publicatiedatum
2026-06-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23/1413
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid hoger beroep. Gemachtigde heeft niet binnen de door het hof gestelde termijn een volmacht overgelegd. Op de uiterste dag van de door het hof gegeven termijn, om 19.38, heeft gemachtigde om uitstel van de termijn verzocht. Het hof oordeelt dat gemachtigde er niet zonder meer op mocht vertrouwen dat uitstel zou worden verleend. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.261 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1413



Uitspraak op het hoger beroep van






[belanghebbende] ,

wonend in ’ [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,



tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 augustus 2023, nummer BRE 21/5400 in het geding tussen belanghebbende en




de heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland,

hierna: de heffingsambtenaar.





1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te ’ [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.




1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.



1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.



1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), als gesteld gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .



1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een vrijstaande woning (bouwjaar 1978) met een inhoud van 828 m³ en een dakkapel, garage, berging en loods, gelegen op een perceel van 3.495 m².



2.2.
Een deel van het perceel kan niet onbelemmerd worden gebruikt vanwege een naastgelegen watergang. Verder is de woning gelegen nabij een tunnelweg, tolhuisjes en een hoogspanningsmast en is de [adres] een sluiproute voor forensen.



2.3.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 414.000.



2.4.
Het hoger beroep is op 3 oktober 2023 ingediend door [gemachtigde] namens [kantoornaam] . Als bijlage bij het hoger beroepschrift is een schriftelijke machtiging overgelegd met dagtekening 5 november 2021, waarin belanghebbende een volmacht verleent aan de ‘mr. [gemachtigde] , [kantoornaam] ’, om belanghebbende ‘zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden aangaande de aanslag lokale heffingen alsmede de daarop vermelde WOZ-beschikking.’



2.5.
Het hof heeft in een bericht van 17 oktober 2025 aan [gemachtigde] verzocht om uiterlijk 14 november 2025 een bewijsstuk over te leggen waaruit volgt dat [gemachtigde] is gemachtigd om het hogerberoepschrift in te dienen (een recente volmacht die niet ouder is dan 6 maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep). Het hof heeft in dat bericht erop gewezen dat, indien van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, het hoger beroep nietontvankelijk kan worden verklaard en dat het hof het hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling zal nemen.



2.6.
Met dagtekening 14 november 2024 (het hof begrijpt: 14 november 2025) heeft [gemachtigde] via een bericht in Mijn Rechtspraak verzocht om uitstel voor het overleggen van de gevraagde machtiging. Het bericht is door het hof ontvangen op vrijdag 14 november 2025 om 19.38 uur. Op 16 november 2025 heeft het hof een machtiging ontvangen waarin belanghebbende een volmacht verleent aan ‘mr. [gemachtigde] , [kantoornaam] ’, om belanghebbende ‘zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden aangaande de aanslag lokale heffingen alsmede de daarop vermelde WOZ-beschikking.’ De volmacht vermeldt als datum 15 november 2025.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:


s het hoger beroep van belanghebbende ontvankelijk?


heeft de heffingsambtenaar gehandeld in strijd met artikel 6:17 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dan wel het motiveringsbeginsel?


is de WOZ-waarde van de onroerende zaak te hoog vastgesteld?





3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de WOZ-waarde tot € 362.000. De heffingsambtenaar concludeert tot een niet-ontvankelijk hoger beroep.





4Gronden



Ontvankelijkheid hoger beroep




4.1.
In de wet is bepaald dat de rechter in hoger beroep van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging kan verlangen, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.



4.2.
Het hof heeft [gemachtigde] in deze procedure op 17 oktober 2025 het onder 2.5 genoemde bericht gestuurd. [gemachtigde] is door het hof in de gelegenheid gesteld het verzuim uiterlijk 14 november 2025 te herstellen door een recente volmacht over te leggen. [gemachtigde] heeft de gevraagde recente volmacht niet overgelegd binnen de door het hof gestelde termijn.



4.3.
Het hof komt vervolgens toe aan de behandeling van de stelling van belanghebbende dat hij tijdig, in elk geval op de laatste dag van de door het hof gestelde termijn, om uitstel voor het indienen van een machtiging heeft verzocht. Belanghebbende stelt dat het proceseconomisch heel gebruikelijk is om uitstel te krijgen, en dat hij daar ook op mocht vertrouwen. Verder stelt [gemachtigde] dat zijn cliënten druk, of digitaal minder vaardig zijn en dat de machtiging daarom niet binnen de gestelde termijn kon worden overgelegd.



4.4.
Het hof stelt vast dat belanghebbende eerst in de avond van 14 november 2025, dat wil zeggen de uiterste dag van de door het hof gegeven termijn, om uitstel van de termijn heeft verzocht. Anders dan belanghebbende stelt, had hij er niet zonder meer op mogen vertrouwen dat uitstel van deze termijn zou worden verleend. Onder de omstandigheden van dit geval had belanghebbende zich ervan moeten vergewissen of, en zo ja, tot wanneer hem nader uitstel voor het indienen van een recente volmacht was verleend. Ook de stelling van [gemachtigde] dat zijn cliënten druk, of digitaal minder vaardig zijn en dat de machtiging daarom niet binnen de gestelde termijn kon worden overgelegd, kan belanghebbende niet baten. Van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat hij in dergelijke gevallen zijn cliënten informeert over de gevolgen van het niet tijdig aanleveren van een machtiging. Het is het hof voorts niet van overige omstandigheden gebleken op grond waarvan belanghebbende redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.



4.5.
Uit bovenstaande volgt dat de indiener van het beroepschrift de gevraagde machtiging niet binnen de door het hof gestelde termijn heeft overgelegd, zodat belanghebbende in verzuim is geweest. Ook bestaat naar het oordeel van het hof geen aanleiding om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Het hof zal de het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.



Tussenconclusie





4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.



Ten aanzien van het griffierecht





4.7.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.



Ten aanzien van de proceskosten





4.8.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.





5Beslissing


Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.



De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.



De griffier, De raadsheer,



R. Camps J. Wessels




Het aanwenden van een rechtsmiddel




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:



Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Artikel 8:24, lid 2, Awb in verbinding met artikel 8:108 Awb.


Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.


Vgl. Hoge Raad 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5117.


Hoge Raad 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558, r.o. 3.2.