Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:951
2025-04-03
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.347.833_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bekrachtiging beslissing voorzieningenrechter dat onafhankelijke en professionele mentor en bewindvoerder moet worden benoemd over 95-jarige dementerende betrokkene. Jongste dochter wil dit doen, maar raakt constant in conflict met oudste kinderen en de betrokken hulpverlening.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.850 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 3 april 2025
Zaaknummer: 200.347.833/01
Zaaknummers eerste aanleg: 11202668 TE VERZ 24-1056 (bewind) en
11202701 TE VERZ 24-1057 (mentor)
in de zaak in hoger beroep van:
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] , in woonvoorziening [woonvoorziening] van Stichting [stichting 1] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [betrokkene] ofwel de betrokkene,
advocaat: mr. S. Gerrits.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- mevrouw [de jongste dochter] , wonende te [woonplaats] ,
o hierna: de jongste dochter.
mevrouw [dochter 1] , wonende te [woonplaats] ,
de heer [zoon] , wonende te [woonplaats] ,
mevrouw [dochter 2] , wonende te [woonplaats] ,
o hierna gezamenlijk: de oudste kinderen.
- Stichting [stichting 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoeker eerste aanleg,
hierna: Stichting [stichting 1] .
- Stichting [stichting 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
bewindvoerder en mentor van [betrokkene] ,
hierna: Stichting [stichting 2]
In het kort
Dit hoger beroep gaat over de kwestie wie er tot mentor en bewindvoerder moet worden benoemd over (het vermogen van) [betrokkene] .
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 2 augustus 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 november 2024, heeft [betrokkene] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende: primair: het verzoek van Stichting [stichting 1] voor mentorschap en bewindvoering af te wijzen dan wel de jongste dochter als mentor en/of bewindvoerder van [betrokkene] aan te stellen.
2.2.
De beroepstermijn eindigde in deze zaak op 2 november 2024 (artikel 806 Rv). Omdat dit op een zaterdag was, is deze termijn verlengd tot de maandag die hierop volgt en die valt op 4 november 2024 (art. 1 lid 1 Algemene Termijnenwet). Het beroepschrift van [betrokkene] is daarmee tijdig ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
[betrokkene] , bijgestaan door mr. Gerrits;
de jongste dochter;
de oudste kinderen;
Stichting [stichting 1] , vertegenwoordigd door mevrouw [jurist] (jurist) en de heer [regiomanager] (regiomanager);
Stichting [stichting 2] , vertegenwoordigd door mevrouw [mentor] (mentor) en mevrouw [bewindvoerder] (bewindvoerder).
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 23 juli 2024;
de brief van de oudste kinderen van 16 december 2024;
de brief van Stichting [stichting 2] van 7 januari 2025;
de brief van Stichting [stichting 1] van 13 januari 2025.
3De beoordeling
3.1.
[betrokkene] is een 95-jarige vrouw (geboren op [geboortedatum] 1930 te [geboorteplaats] ). De rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2024 een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend op basis waarvan [betrokkene] in [woonvoorziening] in [plaats] is gaan wonen. Dit is een wooncomplex in [plaats] van Stichting [stichting 1] voor mensen met dementie die niet meer zelfstandig kunnen wonen.
3.2.
Bij de bestreden beschikkingen heeft de rechtbank een mentorschap en een bewind ingesteld ten behoeve van [betrokkene] onder gelijktijdige benoeming van Stichting [stichting 2] tot mentor en bewindvoerder.
3.3.
[betrokkene] kan zich met de beslissing over de benoeming van de mentor en de bewindvoerder niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Haar standpunt, zoals verwoord in het beroepschrift en door haar advocaat tijdens de mondelinge behandeling, luidt – samengevat en voor zover relevant – als volgt.
De rechter dient bij de benoeming van de mentor en bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene te volgen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. [betrokkene] heeft de voorkeur voor de jongste dochter als bewindvoerder en mentor. De kantonrechter heeft [betrokkene] niet eens gehoord en aldus zich niet kunnen vergewissen van haar keuze. De jongste dochter heeft haar moeder al 13 jaar verzorgd, is altijd haar vertegenwoordigster geweest en heeft nooit aangegeven dat deze (zorg)taak haar te veel is. Behoudens de jongste dochter willen de andere kinderen niet worden benoemd tot mentor en dan blijft alleen de jongste dochter nog over om als belangenbehartiger van [betrokkene] op te treden. Zij heeft haar bereidstelling daartoe ook meerdere malen kenbaar gemaakt. De jongste dochter is de vertrouwenspersoon van [betrokkene] met wie [betrokkene] de beste band heeft. De oudste kinderen hebben het te druk. De mentor heeft aangegeven dat [betrokkene] op maar 3 dagen van de week op verlof mag gaan met haar jongste dochter voor maximaal 3 uur per keer. Dit is niet hoe [betrokkene] het graag zou willen. [betrokkene] weet niet eens wie haar mentor is, want de mentor komt nooit langs. [betrokkene] wil dat haar jongste dochter langskomt, maar dat mag niet meer, omdat de jongste dochter een toegangsverbod heeft gekregen. Stichting [stichting 1] houdt niet van kritische familieleden (zoals de jongste dochter) en heeft haar opzij geschoven. Stichting [stichting 2] is extreem op één hand met Stichting [stichting 1] en er is voor het gemak voor een professionele derde gekozen. Als de jongste dochter de mentor en bewindvoerder wordt, zal zij met de oudste kinderen onderling afspraken maken over de zaken die [betrokkene] betreffen. Dat kan per Whatsapp of e-mail. De oudste kinderen willen hun handen er van af houden;, zij vinden het zo goed geregeld dat hebben geen omkijken meer naar hun moeder. In [woonvoorziening] is [betrokkene] vaak verdrietig. Het voelt als een gevangenis en ze wordt afgeluisterd.
3.4.
Het standpunt van de jongste dochter, zoals verklaard op de mondelinge behandeling in hoger beroep, luidt als volgt.
De jongste dochter is zelf niet in hoger beroep gegaan, omdat deze zaak over de rechten van haar moeder gaat en die rechten worden geschonden. De jongste dochter was altijd de contactpersoon voor haar moeder. Van een wettelijke vertegenwoordiging en/of een volmacht is nooit sprake geweest. Als zij tot mentor zou worden benoemd, zou zij regelen dat [betrokkene] in een ander tehuis wordt geplaatst waar zij niet opgesloten wordt en niet wordt behandeld als een crimineel. Het gaat alle perken te buiten hoe er met [betrokkene] wordt omgegaan. Niemand wordt zo behandeld in het tehuis als [betrokkene] . De jongste dochter kan niet eens een kopje koffie drinken met haar moeder, zij moet alle bezoeken 24 uur van tevoren aanvragen en ze mag haar niet meenemen naar de audicien of voor een wandeling. Als de oudste kinderen niet komen opdagen voor een ingepland bezoekmoment, mag de jongste dochter dat niet overnemen. De jongste dochter heeft [betrokkene] al 77 keer meegenomen. Er is geen bewijs dat de jongste dochter zich heeft misdragen ten opzichte van de medewerkers van Stichting [stichting 1] . Zij wil alleen maar haar moeder uit deze situatie halen, want [betrokkene] is diep ongelukkig in [woonvoorziening] . Met Stichting [stichting 2] valt niet te communiceren; daar heeft de jongste dochter geen contact mee. De jongste dochter wil niet navragen aan Stichting [stichting 1] of het klopt wat [betrokkene] zegt dat de oudste kinderen [betrokkene] nooit meenemen. Tot slot merkt de jongste dochter op dat er niks mis is met [betrokkene] ; het gaat heel goed met haar.
3.5.
Het standpunt van de oudste drie kinderen, zoals geformuleerd in hun brief en aangevuld op de mondelinge behandeling, luidt als volgt.
[betrokkene] heeft (vergevorderde) dementie en is niet in staat zelf nog beslissingen te
nemen over haar eigen zorg en geldzaken. [betrokkene] is al vier keer wilsonbekwaam verklaard. Het is fijn dat er een derde partij als mentor/bewindvoerder is aangewezen; de drie oudste kinderen zijn het oneens met de jongste dochter over de vraag hoe om te gaan met de situatie rondom [betrokkene] . De oudste kinderen hebben er geen vertrouwen in dat de jongste dochter het mentorschap/de bewindvoering zal uitvoeren in enig overleg met hen of op een manier waarmee zij het eens zijn. [betrokkene] zit goed op haar plek in [woonvoorziening] . Zij heeft het naar haar zin en doet overal aan mee. De oudste kinderen mogen totaal vier keer per week langskomen en daar maken ze alle drie gebruik van. Het hoort bij het ziektebeeld van [betrokkene] dat ze zegt dat ze ‘nergens komt’ en dat ze ‘nooit iemand ziet’. [betrokkene] zou zelfs tegen de paus zeggen dat ze diep ongelukkig is. De jongste dochter heeft geen inzicht in het ziektebeeld van [betrokkene] . De jongste dochter maakt met iedereen ruzie en haar wil is wet. De oudste kinderen zijn erg te spreken over de bewindvoerder en de mentor. Dat is niet omdat ze zelf blij zijn ‘ervan af te zijn’, maar omdat ze deze taken zelf niet meer willen uitvoeren. Die tijd is voorbij en het is niet verstandig gelet op de familieverhoudingen. Dan zouden er bedreigingen volgen. De instanties hebben last van de jongste dochter die haar eigen regels erop nahoudt. De jongste dochter wil niet communiceren met de oudste kinderen, zij heeft per e-mail aangegeven dat ze niks met de oudste kinderen en met Stichting [stichting 2] te maken wil hebben.
3.6.
Het standpunt van Stichting [stichting 1] , zoals geformuleerd in de brief en aangevuld op de mondelinge behandeling, luidt – samengevat – als volgt.
De relatie tussen de jongste dochter en de overige betrokkenen in de omgeving van [betrokkene] , waaronder ook Stichting [stichting 1] , is aanmerkelijk verslechterd en verstoord geraakt. Een gesprek tussen Stichting [stichting 1] en de jongste dochter is momenteel niet (goed) mogelijk. De jongste dochter houdt zich niet aan de met en door de mentor gemaakte afspraken en onttrekt [betrokkene] regelmatig zonder toestemming aan de zorg van Stichting [stichting 1] . Het gaat beter met [betrokkene] sinds zij in [woonvoorziening] verblijft. [betrokkene] laat nooit merken dat zij het niet naar haar zin heeft en dat ze zou willen vertrekken. [betrokkene] doet mee in de groep en heeft haar plekje gevonden. In gesprekken laat zij blijken dat haar vier haar kinderen haar allen dierbaar zijn. Buiten de momenten dat de jongste dochter er is, heeft [betrokkene] het prima naar haar zin. Terugval en onrust wordt vooral veroorzaakt door de conflictueuze wijze van optreden van de jongste dochter en de nadelige invloed die dit op [betrokkene] heeft. Ook dit hoger beroep moet in dit licht worden bezien: [betrokkene] entameert deze procedure niet, maar veeleer de jongste dochter die met deze gang van zaken haar visie over wat goed is voor [betrokkene] voor elkaar probeert te krijgen en het (terug)krijgen van regie om die visie in de praktijk te brengen probeert te realiseren. [betrokkene] is wilsonbekwaam en kan beslissingen op dit punt niet meer overzien en zelf nemen. De jongste dochter heeft geen inzicht in het ziektebeeld van haar moeder. Stichting [stichting 1] heeft niets tegen de jongste dochter als persoon, maar wel tegen haar gedrag: hoe ze met haar moeder omgaat, de voortdurende terrorisatie, indoctrinatie en het (zowel per telefoon als in persoon) inpraten op [betrokkene] . [betrokkene] is verdrietig als het gebeurt, maar ze vergeet het gelukkig snel. Stichting [stichting 1] is de jongste dochter gaan beperken in de mogelijkheden om [betrokkene] te zien. Dit is geen beperking aan [betrokkene] zelf. De incidenten die ertoe hebben geleid dat de jongste dochter is beperkt in haar contact met [betrokkene] , liegen er niet om. Stichting [stichting 1] moest deze maatregelen nemen. De jongste dochter had eerst een aantal waarschuwingen gekregen vanwege het niet nakomen van afspraken. Zo heeft zij [betrokkene] één keer niet teruggebracht en is [betrokkene] zelfs een nacht weggebleven. De jongste dochter vertoont onfatsoenlijk gedrag richting de medewerkers van Stichting [stichting 1] . Ze stelt zich bedreigend op in de openbare ruimte of buiten het gebouw. Medewerkers van de Stichting [stichting 1] hebben zich ziekgemeld door het gedrag van de jongste dochter. Verschillende medewerkers durven niet naar huis te gaan na een dienst, omdat ze bang zijn opgewacht te worden door de jongste dochter en haar echtgenoot. De jongste dochter heeft haar eigen realiteit. Het is stuitend wat er gebeurt en dat [betrokkene] in de zittingszaal bij de mondelinge behandeling in hoger beroep aanwezig is.
3.7.
Het standpunt van Stichting [stichting 2] luidt – samengevat – als volgt. Het is in het belang van [betrokkene] dat er een professionele mentor en bewindvoerder is. [betrokkene] kan gezien haar dementieel toestandsbeeld niet voor haar eigen belangen opkomen. Er is geen goede onderlinge verstandhouding tussen haar kinderen en er zal geen goede samenwerking tot stand komen. De jongste dochter is het niet eens met gemaakte afspraken en houdt zich hier geregeld niet aan. Dit bemoeilijkt de samenwerking met zorgverleners, familieleden en andere betrokkenen. Op het moment dat er een overleg met alle betrokkenen gepland staat om eerder gemaakte afspraken te evalueren en eventueel bij te stellen, laat de jongste dochter verstek gaan. De mentor heeft met de vier kinderen afspraken gemaakt wanneer zij hun moeder kunnen zien. De jongste dochter heeft met de dinsdag, donderdag en zaterdag meer dagen tot haar beschikking dan de oudste kinderen die gezamenlijk de maandag, woensdag en vrijdag delen. Op de dagen die niet gereserveerd zijn voor bezoeken van de jongste dochter, mogen de oudste kinderen altijd langskomen bij [betrokkene] . Vanaf het moment dat de mentor is gestart, zoekt de jongste dochter via telefoon, e-mail en Whatsapp veel contact, omdat ze het niet eens is met bepaalde afspraken. De mentor krijgt dagelijks e-mails waarin de jongste dochter haar veel verwijten maakt. De jongste dochter mocht inderdaad niet naar de audicien met [betrokkene] , omdat ze daarvoor dagen koos die voor de oudste kinderen gepland waren om contact te hebben met [betrokkene] . De mentor gaat in dit dossier ruim over haar uren heen en deze uren worden niet aan [betrokkene] besteed, maar aan de jongste dochter. De mentor heeft gelezen in een e-mail van de dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling (verstuurd om 17.15 uur) dat zij toestemming zou hebben gegeven dat [betrokkene] de mondelinge behandeling zou mogen bijwonen en dat is absoluut niet waar. Het is kwalijk dat [betrokkene] mee is genomen naar het gerechtshof.
Het hof overweegt als volgt.
3.8.1.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft [betrokkene] haar primaire verzoek in hoger beroep tot afwijzing van het verzoek van Stichting [stichting 1] voor mentorschap en bewindvoering, ingetrokken. Het hof hoeft over dit verzoek dan ook niet langer te oordelen.
3.8.2.
Het hof constateert dat niet langer in geschil is dat [betrokkene] ten gevolge van haar geestelijke toestand niet meer in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat de ingestelde maatregelen noodzakelijk zijn. Aan het hof ligt alleen ter beoordeling voor wie er tot bewindvoerder en mentor dienen te worden benoemd.
3.8.3.
Ingevolge artikel 1:452 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:435 lid 1 BW benoemt de rechter bij het uitspreken van het mentorschap/bewind spoedig mogelijk daarna een mentor/bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon. Volgens lid 3 van beide artikelen volgt de rechter bij de benoeming van de mentor/bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. De wet spreekt – indien de betrokkene geen echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel heeft – in het vierde lid van voorgaande wetsartikelen de voorkeur uit voor één van diens ouders, kinderen, broers of zusters.
3.8.4.
Het hof stelt voorop niet overtuigd te zijn dat het de uitdrukkelijke wil van [betrokkene] is dat haar jongste dochter tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd. Uit de beschikking van de rechtbank van 19 maart 2024 (waarbij ten aanzien van [betrokkene] een machtiging is verleend tot opname en verblijf) blijkt dat [betrokkene] in een vergevorderd stadium van haar dementie zit met stoornissen in het kortetermijngeheugen en hiaten in het langetermijngeheugen. Op de mondelinge behandeling bij het hof bleek [betrokkene] niet te weten waarom zij in de rechtszaal was en bleek zij bovendien, mogelijk vanwege problemen met haar gehoor, niet in staat om de vragen van de voorzitter tot zich te kunnen nemen en deze te beantwoorden. Los van de vraag of dit hoger beroep wel of niet is ingegeven door de uitdrukkelijke voorkeur van [betrokkene] zelf, is het hof van oordeel dat het hoger beroep moet worden afgewezen. Het hof legt nu uit waarom.
3.8.5.
Een mentor en een bewindvoerder dienen in nauw contact te staan met de begeleiders en hulpverleners van Stichting [stichting 1] over de financiële en niet-financiële zorg van [betrokkene] . Het is noodzakelijk dat er met professionele afstand beslissingen kunnen worden genomen waarbij de belangen van [betrokkene] als betrokkene leidend zijn. Verder is inzicht in de problematiek en professionele afstand tot de hulpverlening als mentor en bewindvoerder noodzakelijk om objectief te kunnen bepalen wat verantwoorde keuzes zijn voor [betrokkene] als betrokkene met deze aandoening en wat juist niet. Het hof acht de jongste dochter hiertoe niet in staat.
3.8.6.
De jongste dochter heeft in woord en daad te kennen gegeven dat zij niet meer wil communiceren met de oudste kinderen en ook niet met Stichting [stichting 1] . In de huidige situatie communiceert zij ook niet met Stichting [stichting 2] De verhoudingen tussen de jongste dochter enerzijds en de overige betrokkenen (de oudste kinderen en Stichting [stichting 1] ) anderzijds zijn dermate ernstig verstoord geraakt dat benoeming van de jongste dochter voor alle betrokkenen een onwerkbare situatie zou opleveren die bovendien teveel in de weg zou staan aan het verlenen van de adequate zorg die [betrokkene] nodig heeft. Stichting [stichting 1] staat in nauw contact met [betrokkene] en heeft verklaard dat [betrokkene] een lieve kwetsbare vrouw is die van alle vier haar kinderen evenveel houdt. [betrokkene] is er ook daarom bij gebaat dat zij een goed en onbelast contact heeft met al haar kinderen en dat er evenwicht in de positie zit die zij ten opzichte van hun moeder aannemen.
3.8.7.
Het hof ziet dat de jongste dochter zich, vanuit haar eigen beleving en overtuiging, ten volle inspant om ervoor te zorgen dat haar moeder optimaal wordt verzorgd. Zij wil bovenal haar moeder weghalen uit [woonvoorziening] waar [betrokkene] , volgens de jongste dochter, slecht wordt behandeld. Het is opvallend dat de jongste dochter consequent spreekt over [woonvoorziening] als een ‘gevangenis’ waar [betrokkene] wordt ‘gestraft’ en ‘gesanctioneerd’, terwijl uit de verklaringen van de overige betrokkenen blijkt dat [betrokkene] het naar haar zin heeft in [woonvoorziening] . Uit de verklaring van Stichting [stichting 2] blijkt dat de jongste dochter zich heel dwingend opstelt en zoveel tijd van de mentor in beslag neemt dat de mentor niet toekomt aan het daadwerkelijk contact hebben met [betrokkene] . Ook de verklaring van Stichting [stichting 1] over het bedreigende gedrag van de jongste dochter, de negatieve invloed hiervan op [betrokkene] en de impact die dit heeft op de medewerkers van Stichting [stichting 1] , baart het hof zorgen. Het gedrag van de jongste dochter heeft er zelfs toe geleid dat haar de vrije toegang tot [woonvoorziening] – en daarmee: tot haar moeder – is ontzegd. Stichting [stichting 1] heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat de bezoekrestricties tussen de jongste dochter en [betrokkene] uitsluitend zijn ingegeven door het gedrag van de jongste dochter. Volgens Stichting [stichting 2] heeft de jongste dochter onder valse voorwendselen – zij had geen toestemming van de mentor, maar beweerde dat ze dit wel had – [betrokkene] meegenomen naar het gerechtshof om deze rechtszaak bij te wonen. Alle betrokkenen, met uitsluiting van de jongste dochter, hebben op de mondelinge behandeling hun ongenoegen geuit over hoe belastend het voor [betrokkene] is geweest dat dit is gebeurd. Het hof onderschrijft dit, waarbij het hof bovendien bedenkingen heeft over het nut om [betrokkene] mee te nemen naar de mondelinge behandeling, aangezien de primaire verzoeken (afwijzen bewind en mentorschap vanwege het ontbreken van de noodzaak) niet werden gehandhaafd en [betrokkene] niet in staat bleek om vragen van het hof te beantwoorden. De jongste dochter heeft tot op heden niet laten zien dat zij voldoende inzicht heeft in de forse beperkingen van haar moeder. Gelet op dit gebrek aan inzicht en het gedrag van de jongste dochter, is niet te verwachten dat zij op een goede manier de belangen van [betrokkene] kan waarnemen.
3.8.8.
Al hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht, brengt het hof tot de conclusie dat er sprake is van gegronde redenen, die aanleiding geven om af te wijken van de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene – voor zover [betrokkene] in staat is om haar voorkeur te uiten – in de kwestie wie er tot haar bewindvoerder en mentor dienen te worden benoemd. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
3.8.9.
Beslist wordt als volgt.
4De beslissing
Het hof:
verklaart [betrokkene] in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover zij daarin heeft verzocht tot vernietiging van de ingestelde maatregelen tot mentorschap en bewind;
bekrachtigt bestreden beschikking voor het overige.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 3 april 2025
Zaaknummer: 200.347.833/01
Zaaknummers eerste aanleg: 11202668 TE VERZ 24-1056 (bewind) en
11202701 TE VERZ 24-1057 (mentor)
in de zaak in hoger beroep van:
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] , in woonvoorziening [woonvoorziening] van Stichting [stichting 1] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [betrokkene] ofwel de betrokkene,
advocaat: mr. S. Gerrits.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- mevrouw [de jongste dochter] , wonende te [woonplaats] ,
o hierna: de jongste dochter.
mevrouw [dochter 1] , wonende te [woonplaats] ,
de heer [zoon] , wonende te [woonplaats] ,
mevrouw [dochter 2] , wonende te [woonplaats] ,
o hierna gezamenlijk: de oudste kinderen.
- Stichting [stichting 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoeker eerste aanleg,
hierna: Stichting [stichting 1] .
- Stichting [stichting 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
bewindvoerder en mentor van [betrokkene] ,
hierna: Stichting [stichting 2]
In het kort
Dit hoger beroep gaat over de kwestie wie er tot mentor en bewindvoerder moet worden benoemd over (het vermogen van) [betrokkene] .
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 2 augustus 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 november 2024, heeft [betrokkene] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende: primair: het verzoek van Stichting [stichting 1] voor mentorschap en bewindvoering af te wijzen dan wel de jongste dochter als mentor en/of bewindvoerder van [betrokkene] aan te stellen.
2.2.
De beroepstermijn eindigde in deze zaak op 2 november 2024 (artikel 806 Rv). Omdat dit op een zaterdag was, is deze termijn verlengd tot de maandag die hierop volgt en die valt op 4 november 2024 (art. 1 lid 1 Algemene Termijnenwet). Het beroepschrift van [betrokkene] is daarmee tijdig ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
[betrokkene] , bijgestaan door mr. Gerrits;
de jongste dochter;
de oudste kinderen;
Stichting [stichting 1] , vertegenwoordigd door mevrouw [jurist] (jurist) en de heer [regiomanager] (regiomanager);
Stichting [stichting 2] , vertegenwoordigd door mevrouw [mentor] (mentor) en mevrouw [bewindvoerder] (bewindvoerder).
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 23 juli 2024;
de brief van de oudste kinderen van 16 december 2024;
de brief van Stichting [stichting 2] van 7 januari 2025;
de brief van Stichting [stichting 1] van 13 januari 2025.
3De beoordeling
3.1.
[betrokkene] is een 95-jarige vrouw (geboren op [geboortedatum] 1930 te [geboorteplaats] ). De rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2024 een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend op basis waarvan [betrokkene] in [woonvoorziening] in [plaats] is gaan wonen. Dit is een wooncomplex in [plaats] van Stichting [stichting 1] voor mensen met dementie die niet meer zelfstandig kunnen wonen.
3.2.
Bij de bestreden beschikkingen heeft de rechtbank een mentorschap en een bewind ingesteld ten behoeve van [betrokkene] onder gelijktijdige benoeming van Stichting [stichting 2] tot mentor en bewindvoerder.
3.3.
[betrokkene] kan zich met de beslissing over de benoeming van de mentor en de bewindvoerder niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Haar standpunt, zoals verwoord in het beroepschrift en door haar advocaat tijdens de mondelinge behandeling, luidt – samengevat en voor zover relevant – als volgt.
De rechter dient bij de benoeming van de mentor en bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene te volgen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. [betrokkene] heeft de voorkeur voor de jongste dochter als bewindvoerder en mentor. De kantonrechter heeft [betrokkene] niet eens gehoord en aldus zich niet kunnen vergewissen van haar keuze. De jongste dochter heeft haar moeder al 13 jaar verzorgd, is altijd haar vertegenwoordigster geweest en heeft nooit aangegeven dat deze (zorg)taak haar te veel is. Behoudens de jongste dochter willen de andere kinderen niet worden benoemd tot mentor en dan blijft alleen de jongste dochter nog over om als belangenbehartiger van [betrokkene] op te treden. Zij heeft haar bereidstelling daartoe ook meerdere malen kenbaar gemaakt. De jongste dochter is de vertrouwenspersoon van [betrokkene] met wie [betrokkene] de beste band heeft. De oudste kinderen hebben het te druk. De mentor heeft aangegeven dat [betrokkene] op maar 3 dagen van de week op verlof mag gaan met haar jongste dochter voor maximaal 3 uur per keer. Dit is niet hoe [betrokkene] het graag zou willen. [betrokkene] weet niet eens wie haar mentor is, want de mentor komt nooit langs. [betrokkene] wil dat haar jongste dochter langskomt, maar dat mag niet meer, omdat de jongste dochter een toegangsverbod heeft gekregen. Stichting [stichting 1] houdt niet van kritische familieleden (zoals de jongste dochter) en heeft haar opzij geschoven. Stichting [stichting 2] is extreem op één hand met Stichting [stichting 1] en er is voor het gemak voor een professionele derde gekozen. Als de jongste dochter de mentor en bewindvoerder wordt, zal zij met de oudste kinderen onderling afspraken maken over de zaken die [betrokkene] betreffen. Dat kan per Whatsapp of e-mail. De oudste kinderen willen hun handen er van af houden;, zij vinden het zo goed geregeld dat hebben geen omkijken meer naar hun moeder. In [woonvoorziening] is [betrokkene] vaak verdrietig. Het voelt als een gevangenis en ze wordt afgeluisterd.
3.4.
Het standpunt van de jongste dochter, zoals verklaard op de mondelinge behandeling in hoger beroep, luidt als volgt.
De jongste dochter is zelf niet in hoger beroep gegaan, omdat deze zaak over de rechten van haar moeder gaat en die rechten worden geschonden. De jongste dochter was altijd de contactpersoon voor haar moeder. Van een wettelijke vertegenwoordiging en/of een volmacht is nooit sprake geweest. Als zij tot mentor zou worden benoemd, zou zij regelen dat [betrokkene] in een ander tehuis wordt geplaatst waar zij niet opgesloten wordt en niet wordt behandeld als een crimineel. Het gaat alle perken te buiten hoe er met [betrokkene] wordt omgegaan. Niemand wordt zo behandeld in het tehuis als [betrokkene] . De jongste dochter kan niet eens een kopje koffie drinken met haar moeder, zij moet alle bezoeken 24 uur van tevoren aanvragen en ze mag haar niet meenemen naar de audicien of voor een wandeling. Als de oudste kinderen niet komen opdagen voor een ingepland bezoekmoment, mag de jongste dochter dat niet overnemen. De jongste dochter heeft [betrokkene] al 77 keer meegenomen. Er is geen bewijs dat de jongste dochter zich heeft misdragen ten opzichte van de medewerkers van Stichting [stichting 1] . Zij wil alleen maar haar moeder uit deze situatie halen, want [betrokkene] is diep ongelukkig in [woonvoorziening] . Met Stichting [stichting 2] valt niet te communiceren; daar heeft de jongste dochter geen contact mee. De jongste dochter wil niet navragen aan Stichting [stichting 1] of het klopt wat [betrokkene] zegt dat de oudste kinderen [betrokkene] nooit meenemen. Tot slot merkt de jongste dochter op dat er niks mis is met [betrokkene] ; het gaat heel goed met haar.
3.5.
Het standpunt van de oudste drie kinderen, zoals geformuleerd in hun brief en aangevuld op de mondelinge behandeling, luidt als volgt.
[betrokkene] heeft (vergevorderde) dementie en is niet in staat zelf nog beslissingen te
nemen over haar eigen zorg en geldzaken. [betrokkene] is al vier keer wilsonbekwaam verklaard. Het is fijn dat er een derde partij als mentor/bewindvoerder is aangewezen; de drie oudste kinderen zijn het oneens met de jongste dochter over de vraag hoe om te gaan met de situatie rondom [betrokkene] . De oudste kinderen hebben er geen vertrouwen in dat de jongste dochter het mentorschap/de bewindvoering zal uitvoeren in enig overleg met hen of op een manier waarmee zij het eens zijn. [betrokkene] zit goed op haar plek in [woonvoorziening] . Zij heeft het naar haar zin en doet overal aan mee. De oudste kinderen mogen totaal vier keer per week langskomen en daar maken ze alle drie gebruik van. Het hoort bij het ziektebeeld van [betrokkene] dat ze zegt dat ze ‘nergens komt’ en dat ze ‘nooit iemand ziet’. [betrokkene] zou zelfs tegen de paus zeggen dat ze diep ongelukkig is. De jongste dochter heeft geen inzicht in het ziektebeeld van [betrokkene] . De jongste dochter maakt met iedereen ruzie en haar wil is wet. De oudste kinderen zijn erg te spreken over de bewindvoerder en de mentor. Dat is niet omdat ze zelf blij zijn ‘ervan af te zijn’, maar omdat ze deze taken zelf niet meer willen uitvoeren. Die tijd is voorbij en het is niet verstandig gelet op de familieverhoudingen. Dan zouden er bedreigingen volgen. De instanties hebben last van de jongste dochter die haar eigen regels erop nahoudt. De jongste dochter wil niet communiceren met de oudste kinderen, zij heeft per e-mail aangegeven dat ze niks met de oudste kinderen en met Stichting [stichting 2] te maken wil hebben.
3.6.
Het standpunt van Stichting [stichting 1] , zoals geformuleerd in de brief en aangevuld op de mondelinge behandeling, luidt – samengevat – als volgt.
De relatie tussen de jongste dochter en de overige betrokkenen in de omgeving van [betrokkene] , waaronder ook Stichting [stichting 1] , is aanmerkelijk verslechterd en verstoord geraakt. Een gesprek tussen Stichting [stichting 1] en de jongste dochter is momenteel niet (goed) mogelijk. De jongste dochter houdt zich niet aan de met en door de mentor gemaakte afspraken en onttrekt [betrokkene] regelmatig zonder toestemming aan de zorg van Stichting [stichting 1] . Het gaat beter met [betrokkene] sinds zij in [woonvoorziening] verblijft. [betrokkene] laat nooit merken dat zij het niet naar haar zin heeft en dat ze zou willen vertrekken. [betrokkene] doet mee in de groep en heeft haar plekje gevonden. In gesprekken laat zij blijken dat haar vier haar kinderen haar allen dierbaar zijn. Buiten de momenten dat de jongste dochter er is, heeft [betrokkene] het prima naar haar zin. Terugval en onrust wordt vooral veroorzaakt door de conflictueuze wijze van optreden van de jongste dochter en de nadelige invloed die dit op [betrokkene] heeft. Ook dit hoger beroep moet in dit licht worden bezien: [betrokkene] entameert deze procedure niet, maar veeleer de jongste dochter die met deze gang van zaken haar visie over wat goed is voor [betrokkene] voor elkaar probeert te krijgen en het (terug)krijgen van regie om die visie in de praktijk te brengen probeert te realiseren. [betrokkene] is wilsonbekwaam en kan beslissingen op dit punt niet meer overzien en zelf nemen. De jongste dochter heeft geen inzicht in het ziektebeeld van haar moeder. Stichting [stichting 1] heeft niets tegen de jongste dochter als persoon, maar wel tegen haar gedrag: hoe ze met haar moeder omgaat, de voortdurende terrorisatie, indoctrinatie en het (zowel per telefoon als in persoon) inpraten op [betrokkene] . [betrokkene] is verdrietig als het gebeurt, maar ze vergeet het gelukkig snel. Stichting [stichting 1] is de jongste dochter gaan beperken in de mogelijkheden om [betrokkene] te zien. Dit is geen beperking aan [betrokkene] zelf. De incidenten die ertoe hebben geleid dat de jongste dochter is beperkt in haar contact met [betrokkene] , liegen er niet om. Stichting [stichting 1] moest deze maatregelen nemen. De jongste dochter had eerst een aantal waarschuwingen gekregen vanwege het niet nakomen van afspraken. Zo heeft zij [betrokkene] één keer niet teruggebracht en is [betrokkene] zelfs een nacht weggebleven. De jongste dochter vertoont onfatsoenlijk gedrag richting de medewerkers van Stichting [stichting 1] . Ze stelt zich bedreigend op in de openbare ruimte of buiten het gebouw. Medewerkers van de Stichting [stichting 1] hebben zich ziekgemeld door het gedrag van de jongste dochter. Verschillende medewerkers durven niet naar huis te gaan na een dienst, omdat ze bang zijn opgewacht te worden door de jongste dochter en haar echtgenoot. De jongste dochter heeft haar eigen realiteit. Het is stuitend wat er gebeurt en dat [betrokkene] in de zittingszaal bij de mondelinge behandeling in hoger beroep aanwezig is.
3.7.
Het standpunt van Stichting [stichting 2] luidt – samengevat – als volgt. Het is in het belang van [betrokkene] dat er een professionele mentor en bewindvoerder is. [betrokkene] kan gezien haar dementieel toestandsbeeld niet voor haar eigen belangen opkomen. Er is geen goede onderlinge verstandhouding tussen haar kinderen en er zal geen goede samenwerking tot stand komen. De jongste dochter is het niet eens met gemaakte afspraken en houdt zich hier geregeld niet aan. Dit bemoeilijkt de samenwerking met zorgverleners, familieleden en andere betrokkenen. Op het moment dat er een overleg met alle betrokkenen gepland staat om eerder gemaakte afspraken te evalueren en eventueel bij te stellen, laat de jongste dochter verstek gaan. De mentor heeft met de vier kinderen afspraken gemaakt wanneer zij hun moeder kunnen zien. De jongste dochter heeft met de dinsdag, donderdag en zaterdag meer dagen tot haar beschikking dan de oudste kinderen die gezamenlijk de maandag, woensdag en vrijdag delen. Op de dagen die niet gereserveerd zijn voor bezoeken van de jongste dochter, mogen de oudste kinderen altijd langskomen bij [betrokkene] . Vanaf het moment dat de mentor is gestart, zoekt de jongste dochter via telefoon, e-mail en Whatsapp veel contact, omdat ze het niet eens is met bepaalde afspraken. De mentor krijgt dagelijks e-mails waarin de jongste dochter haar veel verwijten maakt. De jongste dochter mocht inderdaad niet naar de audicien met [betrokkene] , omdat ze daarvoor dagen koos die voor de oudste kinderen gepland waren om contact te hebben met [betrokkene] . De mentor gaat in dit dossier ruim over haar uren heen en deze uren worden niet aan [betrokkene] besteed, maar aan de jongste dochter. De mentor heeft gelezen in een e-mail van de dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling (verstuurd om 17.15 uur) dat zij toestemming zou hebben gegeven dat [betrokkene] de mondelinge behandeling zou mogen bijwonen en dat is absoluut niet waar. Het is kwalijk dat [betrokkene] mee is genomen naar het gerechtshof.
Het hof overweegt als volgt.
3.8.1.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft [betrokkene] haar primaire verzoek in hoger beroep tot afwijzing van het verzoek van Stichting [stichting 1] voor mentorschap en bewindvoering, ingetrokken. Het hof hoeft over dit verzoek dan ook niet langer te oordelen.
3.8.2.
Het hof constateert dat niet langer in geschil is dat [betrokkene] ten gevolge van haar geestelijke toestand niet meer in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat de ingestelde maatregelen noodzakelijk zijn. Aan het hof ligt alleen ter beoordeling voor wie er tot bewindvoerder en mentor dienen te worden benoemd.
3.8.3.
Ingevolge artikel 1:452 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:435 lid 1 BW benoemt de rechter bij het uitspreken van het mentorschap/bewind spoedig mogelijk daarna een mentor/bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon. Volgens lid 3 van beide artikelen volgt de rechter bij de benoeming van de mentor/bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. De wet spreekt – indien de betrokkene geen echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel heeft – in het vierde lid van voorgaande wetsartikelen de voorkeur uit voor één van diens ouders, kinderen, broers of zusters.
3.8.4.
Het hof stelt voorop niet overtuigd te zijn dat het de uitdrukkelijke wil van [betrokkene] is dat haar jongste dochter tot bewindvoerder en mentor wordt benoemd. Uit de beschikking van de rechtbank van 19 maart 2024 (waarbij ten aanzien van [betrokkene] een machtiging is verleend tot opname en verblijf) blijkt dat [betrokkene] in een vergevorderd stadium van haar dementie zit met stoornissen in het kortetermijngeheugen en hiaten in het langetermijngeheugen. Op de mondelinge behandeling bij het hof bleek [betrokkene] niet te weten waarom zij in de rechtszaal was en bleek zij bovendien, mogelijk vanwege problemen met haar gehoor, niet in staat om de vragen van de voorzitter tot zich te kunnen nemen en deze te beantwoorden. Los van de vraag of dit hoger beroep wel of niet is ingegeven door de uitdrukkelijke voorkeur van [betrokkene] zelf, is het hof van oordeel dat het hoger beroep moet worden afgewezen. Het hof legt nu uit waarom.
3.8.5.
Een mentor en een bewindvoerder dienen in nauw contact te staan met de begeleiders en hulpverleners van Stichting [stichting 1] over de financiële en niet-financiële zorg van [betrokkene] . Het is noodzakelijk dat er met professionele afstand beslissingen kunnen worden genomen waarbij de belangen van [betrokkene] als betrokkene leidend zijn. Verder is inzicht in de problematiek en professionele afstand tot de hulpverlening als mentor en bewindvoerder noodzakelijk om objectief te kunnen bepalen wat verantwoorde keuzes zijn voor [betrokkene] als betrokkene met deze aandoening en wat juist niet. Het hof acht de jongste dochter hiertoe niet in staat.
3.8.6.
De jongste dochter heeft in woord en daad te kennen gegeven dat zij niet meer wil communiceren met de oudste kinderen en ook niet met Stichting [stichting 1] . In de huidige situatie communiceert zij ook niet met Stichting [stichting 2] De verhoudingen tussen de jongste dochter enerzijds en de overige betrokkenen (de oudste kinderen en Stichting [stichting 1] ) anderzijds zijn dermate ernstig verstoord geraakt dat benoeming van de jongste dochter voor alle betrokkenen een onwerkbare situatie zou opleveren die bovendien teveel in de weg zou staan aan het verlenen van de adequate zorg die [betrokkene] nodig heeft. Stichting [stichting 1] staat in nauw contact met [betrokkene] en heeft verklaard dat [betrokkene] een lieve kwetsbare vrouw is die van alle vier haar kinderen evenveel houdt. [betrokkene] is er ook daarom bij gebaat dat zij een goed en onbelast contact heeft met al haar kinderen en dat er evenwicht in de positie zit die zij ten opzichte van hun moeder aannemen.
3.8.7.
Het hof ziet dat de jongste dochter zich, vanuit haar eigen beleving en overtuiging, ten volle inspant om ervoor te zorgen dat haar moeder optimaal wordt verzorgd. Zij wil bovenal haar moeder weghalen uit [woonvoorziening] waar [betrokkene] , volgens de jongste dochter, slecht wordt behandeld. Het is opvallend dat de jongste dochter consequent spreekt over [woonvoorziening] als een ‘gevangenis’ waar [betrokkene] wordt ‘gestraft’ en ‘gesanctioneerd’, terwijl uit de verklaringen van de overige betrokkenen blijkt dat [betrokkene] het naar haar zin heeft in [woonvoorziening] . Uit de verklaring van Stichting [stichting 2] blijkt dat de jongste dochter zich heel dwingend opstelt en zoveel tijd van de mentor in beslag neemt dat de mentor niet toekomt aan het daadwerkelijk contact hebben met [betrokkene] . Ook de verklaring van Stichting [stichting 1] over het bedreigende gedrag van de jongste dochter, de negatieve invloed hiervan op [betrokkene] en de impact die dit heeft op de medewerkers van Stichting [stichting 1] , baart het hof zorgen. Het gedrag van de jongste dochter heeft er zelfs toe geleid dat haar de vrije toegang tot [woonvoorziening] – en daarmee: tot haar moeder – is ontzegd. Stichting [stichting 1] heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat de bezoekrestricties tussen de jongste dochter en [betrokkene] uitsluitend zijn ingegeven door het gedrag van de jongste dochter. Volgens Stichting [stichting 2] heeft de jongste dochter onder valse voorwendselen – zij had geen toestemming van de mentor, maar beweerde dat ze dit wel had – [betrokkene] meegenomen naar het gerechtshof om deze rechtszaak bij te wonen. Alle betrokkenen, met uitsluiting van de jongste dochter, hebben op de mondelinge behandeling hun ongenoegen geuit over hoe belastend het voor [betrokkene] is geweest dat dit is gebeurd. Het hof onderschrijft dit, waarbij het hof bovendien bedenkingen heeft over het nut om [betrokkene] mee te nemen naar de mondelinge behandeling, aangezien de primaire verzoeken (afwijzen bewind en mentorschap vanwege het ontbreken van de noodzaak) niet werden gehandhaafd en [betrokkene] niet in staat bleek om vragen van het hof te beantwoorden. De jongste dochter heeft tot op heden niet laten zien dat zij voldoende inzicht heeft in de forse beperkingen van haar moeder. Gelet op dit gebrek aan inzicht en het gedrag van de jongste dochter, is niet te verwachten dat zij op een goede manier de belangen van [betrokkene] kan waarnemen.
3.8.8.
Al hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht, brengt het hof tot de conclusie dat er sprake is van gegronde redenen, die aanleiding geven om af te wijken van de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene – voor zover [betrokkene] in staat is om haar voorkeur te uiten – in de kwestie wie er tot haar bewindvoerder en mentor dienen te worden benoemd. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
3.8.9.
Beslist wordt als volgt.
4De beslissing
Het hof:
verklaart [betrokkene] in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover zij daarin heeft verzocht tot vernietiging van de ingestelde maatregelen tot mentorschap en bewind;
bekrachtigt bestreden beschikking voor het overige.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en K.A. Boshouwers en is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.