Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3803
2025-11-13
Strafrecht
20-000915-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (42.208 tekens)
Parketnummer : 20-000915-24
Uitspraak : 13 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 maart 2024, met parketnummer 02-253280-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 02-207103-17 (parketnummer arrest hof 20-001060-18), in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘Gewoontewitwassen’ (feit 1 primair) en ‘de eendaadse samenloop van: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en een feit, bedoeld in het derde of vijfde lid van artikel 11 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ (feit 2 en feit 3), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dien aanzien veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder onder het parketnummer 02-207103-17 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 22 weken afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De raadsman heeft met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde integraal vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd, in welk verband de raadsman eveneens heeft bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen. Tenslotte heeft de raadsman betoogd dat een inbeslaggenomen personenauto aan de verdachte zal worden geretourneerd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Dit laat evenwel onverlet dat het hof zich in grote mate kan verenigen met de bewijsconstructie en de overwegingen van de rechtbank daaromtrent, zodat het hof het vonnis van de rechtbank hierna tot uitgangspunt zal nemen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019 te Breda, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (een) voorwerp(en) (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en), (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535) gebruik gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019, te Breda, althans in Nederland, een voorwerp (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535) (enkel) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535), gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
2.hij op of omstreeks 23 februari 2021 te Breda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 135 gram henneptoppen en/of ongeveer 142 hennepstekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
3.hij op of omstreeks 23 februari 2021 te Breda (in een woning aan [adres] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten een hoeveelheid hennep, althans hennepstekken en/of henneptoppen en/of meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en), waaronder een afzuiginstallatie en/of weegschaal en/of lege plantenbakken en/of warmte mat en/of gripzakken en/of ventilator en/of slakkenhuis en/of thermostaat en/of plantenvoeding dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten de woning aan [adres] , waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 3
Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder feit 3 tenlastegelegde en overweegt daartoe het volgende.
Artikel 11a Opiumwet stelt, voor zover hier van belang, strafbaar degene die (kort gezegd) voorwerpen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (als bedoeld in art. 11, lid 3 Opiumwet) en/of tot het plegen van grootschalige hennepteelt (als bedoeld in art. 11, lid 5 Opiumwet). Artikel 11a Opiumwet richt zich niet op de bestrijding van alle hennepteelt, maar nadrukkelijk op de bestrijding van professionele/bedrijfsmatige teelt en/of grootschalige teelt.
Uit het dossier komt naar voren dat er op 23 februari 2021 de volgende voorwerpen in de woning van de verdachte zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen:
- slakkenhuis;
- plantenvoeding;
- thermostaat;
- warmtemat;
- 142 hennepstekjes, en
- zak gedroogde henneptoppen.
Hoewel kan worden vastgesteld – hetgeen ook niet ter discussie heeft gestaan – dat voormelde goederen, met uitzondering van de henneptoppen, kunnen worden aangewend bij en ten behoeve van het kweken van hennep, is het hof van oordeel, dat uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten zijn gebleken die in rechte de conclusie rechtvaardigen dat de voorwerpen zijn bestemd voor grootschalige, professioneel ingerichte, hennepkwekerijen en die vanwege hun aard en/of functie zijn bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of voor bedrijfsmatig gebruik onder professioneel gecreëerde omstandigheden ter bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van de hennepkwekerij (dus op verkoop van de oogst). Dat de verdachte eerder ter zake van hennepteelt is veroordeeld, is daartoe onvoldoende.
Het bewijs schiet derhalve tekort om vast te kunnen stellen dat het hier gaat om (een gezamenlijkheid van) voorwerpen die vanwege hun aard en/of functie zijn bestemd voor grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt als vorenomschreven.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. hij in de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019, te Breda, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535 voorhanden gehad en van dit voorwerp (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2.hij op 23 februari 2021 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 135 gram henneptoppen en 142 hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche De Baronie, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, met registratienummer ZB3R020039 (onderzoek Domène), gesloten d.d. 8 november 2021, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 254.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2021 (dossierpagina’s 21-22), met bijlagen, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Inkomen inclusief fiscaalpartner:
[verdachte] genoot over de navolgende jaren het navolgende aan netto inkomen:
2015 €21.362
2016 €21.384
2017 €27.832
2018 €27.294
2019 €27.798
05/2020 €12.174
Saldo EURO bankrekeningen:
[verdachte] maakte over de navolgende jaren gebruik van de navolgende bankrekeningen met bijbehorende saldi:
Rekeningnummer
2019
2018
2017
2016
2015
[rekeningnummer 1]
0
[rekeningnummer 2]
-5
[rekeningnummer 3]
69
261
55
14
123
[rekeningnummer 3]
2687
2686
2690
2707
2695
[rekeningnummer 4]
0
-13
[rekeningnummer 5]
4
0
1
-10
-9
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2020 (dossierpagina’s 37-40), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Saldo en transactiegegevens van de bankrekening [rekeningnummer 3] . Op naam van [verdachte] , [adres] , geboren op [geboortedag] 1947.
De gegevens werden opgevraagd over de periode 30-07-2017 tot en met 31-07-2020.
Voor de analyse is de periode 23 augustus 2017 tot en met 14 juli 2019 gehanteerd. De relevante bevindingen worden hieronder uiteen gezet.
[rekeningnummer 3] (betaalrekening).
In de genoemde periode werd er met grote regelmaat geld via contante stortingen op de rekening bijgeschreven. De gestorte bedragen variëren van 150,-- tot 2600,-- per keer met een totaal bedrag van 87.955,--. De contante stortingen vinden over het algemeen plaats rondom de momenten dat het saldo op de bankrekening negatief is of dreigt te raken.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2020 (dossierpagina’s 40-42), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Saldo en transactiegegevens van de bankrekening [rekeningnummer 5] . Op naam van [verdachte] , [adres] , geboren op [geboortedag] 1947.
De gegevens werden opgevraagd over de periode 30-07-2017 tot en met 31-07-2020.
Voor de analyse is de periode 31 juli 2017 tot en met 14 juli 2019 gehanteerd. De relevante bevindingen worden hieronder uiteen gezet.
[rekeningnummer 5] (betaalrekening)
In de onderzochte periode werd er voor een totaalbedrag van € 30.870,-- contant op de rekening gestort. Bij deze transacties staat als enige omschrijving ING en de plaats van het bankfiliaal waar gestort werd. Het geldbedrag werd in 15 transacties gestort en de bedragen varieerden van € 300,-- tot € 2500,--.
In de periode van 30 augustus 2017 tot en met 19 september 2019 werd er € 13.360,-- van
bankrekening [rekeningnummer 3] ook op naam van [verdachte] op de onderzochte
rekening van [verdachte] overgemaakt.
4. Proces-verbaal binnentreden in woning d.d. 23 februari 2021 (dossierpagina’s 61 tot en met 63, met fotobijlage, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op dinsdag, 23 februari 2021 om 08:30 uur, trad ik binnen in de woning [adres] , bewoond door [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1947.
Op de zolder constateerde ik, verbalisant [verbalisant 3] , een tafel met daarop ongeveer 140 hennep stekken, zie bijlage 3. De verdachte verklaarde over de hennep stekken dat het niet slim van hem was om dit in zijn huis te hebben.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2021 (dossierpagina’s 80-81), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
Op dinsdag 23 februari 2021 kregen wij een melding van het operationeel centrum om te gaan naar [adres] voor het aantreffen van een hennepstekkerij. (…) Op het bureau zijn de henneptoppen getest door een ervaren drugstester, verbalisant [verbalisant 6] . deze testte positief op Hennep. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , herken de drugs aan kleur, geur en structuur als hennep. Een THC houdende drugs welke in lijst II van de Opiumwet is strafbaar gesteld. Bij het wegen van de hennep zagen wij dat het 135 gram netto betrof.
6. De kennisgeving van inbeslagneming registratienummer: PL2000-2021047935-5, (pg. 105 ), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats [adres]
Datum en tijd 23 februari 2021 te 10:15 uur
Beslagene
Achternaam [verdachte]
Voornamen [verdachte]
Geboren [geboortedag] 1947
Geboorteplaats [geboorteplaats] Nederland
Volgnummer 1
Goednummer PL2000-2021047935-2306482
Categorie omschrijving Bloem/plant/boom/struik
Object Hennepplant (Hennepstekken)
Aantal/eenheid 142 stuks
Bijzonderheden 142 kleine hennepstekjes van ongeveer 10 cm hoog
Afstand door beslagene Ja, als eigenaar
Eigenaar [verdachte] , [adres]
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman, in de kern bezien, de verweren herhaald die in eerste aanleg ten overstaan van de rechtbank zijn gevoerd (al dan niet aangevuld) en – samengevat, en op de gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – het navolgende aangevoerd.
De verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen, nu hij ter zake van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en stortingen een uitvoerige en met bescheiden onderbouwde verklaring heeft afgelegd. Deze verklaring behelst – kort gezegd – dat de stortingen zijn gedaan met geld dat de verdachte gedurende een groot aantal jaren legaal heeft verdiend. Het geld is afkomstig uit diverse legale inkomstenbronnen, waaronder de verkoop van vastgoed en de verkoop van (handel in) kunst. Deze verklaring geldt als een concrete min of meer verifieerbare verklaring, welke niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk kan worden aangemerkt. Het Openbaar Ministerie heeft evenwel verzuimd nader onderzoek te verrichtten naar de juistheid van de verklaring, zodat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en aldus vrijspraak moet volgen.
Naar het oordeel van het hof vinden de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging hun weerlegging in de door rechtbank gebezigde bewijsmiddelen alsmede in de overwegingen van de rechtbank daaromtrent. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank tot uitgangspunt en overweegt met - en waar nodig in aanvulling op - de rechtbank het volgende.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” niettemin bewezen kan worden geacht, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte een dergelijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het juridisch kader toegepast
De verdachte heeft in de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019 middels 110 contante geldstortingen een totaalbedrag van € 107.535,- op zijn bankrekeningen gestort. Deze transacties staan op geen enkele wijze in verhouding tot de kenbare inkomsten van verdachte in die periode. De verdachte ontving immers een AOW-uitkering van € 1.285,- per maand, die giraal werd uitbetaald op zijn bankrekening. Blijkens de bewijsmiddelen waren de contante stortingen soms wel twee keer zo hoog. Daarbij komt dat de verdachte gepensioneerd is en zonder beroep of bedrijf. Derhalve is van andere legale inkomstenbronnen in de tenlastegelegde periode niet gebleken. Evenmin is uit het verhandelde ter terechtzitting de noodzaak tot het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld door de verdachte gebleken. Met de rechtbank neemt het hof voorts in aanmerking dat het daarnaast een feit van algemene bekendheid is dat diverse vormen van criminaliteit, waaronder de hennepteelt en -handel, gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verdachte diverse malen voor hennep gerelateerde feiten is veroordeeld. De laatste veroordeling dateert van 31 december 2020, waarbij aan de verdachte door dit hof een gevangenisstraf van 26 weken, waarvan 22 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren is opgelegd. Uit de stukken komt verder naar voren dat aan de verdachte meermalen de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd, zulks om hem het criminele vermogen te ontnemen dat hij met voormelde hennepfeiten had verkregen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voormelde omstandigheden, tezamen en in onderling verband beschouwd, een vermoeden van witwassen rechtvaardigen.
De verdachte heeft ten aanzien van de herkomst van de geldstortingen diverse en steeds wisselende verklaringen afgelegd, zowel bij de politie, alsmede ten overstaan van de rechtbank en laatstelijk in hoger beroep bij het hof. Echter, in het dossier staan ook verklaringen van de verdachte opgetekend, daterende van voor diens verhoren bij de politie. Zo heeft de verdachte ten overstaan van personeel van de bank, toen deze hem confronteerden met de geldstortingen, verklaard dat het geld afkomstig was uit winsten van horecabedrijven en de overwaarde van de verkoop van twee panden. Bij gelegenheid van de doorzoeking van diens woning heeft de verdachte verklaard dat het geld onder andere afkomstig was uit zijn disco in Dordrecht en dat hij geld thuis bewaarde, maar hij het ging storten om het te doneren aan mensen in Afrika.
De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoren bij de politie onder andere verklaard dat de contante stortingen afkomstig zijn uit contant geld dat hij in huis had door de verkopen van onroerend goed in het verleden en van de verkopen van kunstvoorwerpen die zouden hebben plaatsgevonden tot 2008/2009. Hij is het contante geld gaan storten om zijn bankrekening aan te vullen. Later heeft de verdachte in dat verhoor verklaard dat hij het geld heeft gestort om betalingen te verrichten, maar de verdachte kon niet aangeven aan wie en waarvoor. Ter zitting van de rechtbank heeft de verdachte echter verklaard dat hij ten tijde van de contante stortingen geld nodig had en dat zijn contante geld in huis op was. Daarom is hij kunstvoorwerpen die hij nog in zijn bezit had, gaan verkopen. Hiervoor heeft hij contante bedragen ontvangen die hij vervolgens op zijn bankrekening heeft gestort. Over de herkomst van het geld verklaarde de verdachte toen dat het geld afkomstig was uit verkochte kunst. Die verklaring ter zitting laat zich niet rijmen met de eerdere verklaring van verdachte over de contante stortingen en kan dan ook niet, en anders dan de verdediging heeft betoogd, als een aanvulling op de eerdere verklaring worden beschouwd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van het geld dat hij contant op zijn bankrekeningen heeft gestort. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat daar waar de verklaringen van verdachte bij de politie nog enige aanknopingspunten boden voor onderzoek door het Openbaar Ministerie, de verklaring van verdachte ter zitting bij de rechtbank die niet bood. De verdachte heeft namelijk geen concrete gegevens en/of informatie verstrekt over de kunstverkopen die hij rondom de tenlastegelegde periode zou hebben verricht. Zo heeft hij geen inzicht gegeven aan wie hij welke kunstvoorwerpen heeft verkocht en voor welke bedragen dit is gebeurd. De verdachte heeft enkel verklaard dat hij ook wat heeft verkocht aan een winkel in de Passage te Breda. De rechtbank heeft overwogen dat zulks de vraag oproept waarom de verdachte deze verklaring pas ter zitting heeft afgelegd en niet al tijdens de politieverhoren naar voren heeft gebracht, maar verdachte heeft deze vraag volgens de rechtbank niet kunnen beantwoorden.
De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geoordeeld dat de verklaring van de verdachte niet concreet en verifieerbaar is en dat onder deze omstandigheden ook niet van het Openbaar Ministerie gevergd kon worden om daar nader onderzoek naar te doen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat door het inconsistente verklaren van verdachte de verklaring niet voldoet aan het criterium dat deze op voorhand als niet hoogst onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt.
In hoger beroep heeft de verdediging gepoogd om de verklaring(en) van de verdachte nader handen en voeten te geven, middels het verzoek om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen. Volgens de verklaring van de verdachte heeft hij van [getuige 1] een kunstgalerie overgenomen en ook heeft hij meerdere kunstvoorwerpen aan die [getuige 1] verkocht. Een en ander strekt ter onderbouwing van zijn verklaring dat het geld afkomstig is uit de kunsthandel. Volgens verdachtes verklaring heeft [getuige 2] voor de verdachte kunstvoorwerpen verkocht.
[getuige 1] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft ontkend dat hij een kunstgalerie aan de verdachte heeft verkocht. Ook heeft hij verklaard dat hij, op mogelijk een enkel voorwerp na, nooit kunstvoorwerpen van de verdachte heeft gekocht. Van [getuige 2] heeft de verdediging enkel de voornaam en een telefoonnummer aan het kabinet van de raadsheer-commissaris verstrekt. De raadsheer-commissaris is via dat telefoonnummer in contact gekomen met een persoon die weliswaar zegt dat zijn naam [getuige 2] is, maar verder heeft verklaard dat hij geen idee heeft waarover de raadsheer-commissaris hem wilde spreken, dat hij de verdachte niet kent, überhaupt zijn naam nooit heeft gehoord en dat hij nooit iets gedaan heeft met kunst. Aldus moet worden vastgesteld dat de verdachte er in hoger beroep niet in is geslaagd om zijn verklaring(en) nader te onderbouwen en aannemelijk te maken.
Het vorenstaande voert het hof – gelijk de rechtbank eerder heeft geoordeeld – tot de conclusie dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld.
Gelet op het vorengaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Hierbij heeft het hof voorts nog in aanmerking genomen dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat het geld over een geruime periode, uit meerdere legale bronnen van inkomsten, is verdiend, wordt weerlegd door de omstandigheid dat de verdachte in het verleden meermalen onherroepelijk wegens strafbare feiten, waaronder hennepteelt, is veroordeeld en dat aan hem tevens meermalen de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd, zulks voor substantiële bedragen. Een en ander laat zich niet rijmen met de stelling van de verdachte dat hij gedurende geruime tijd aanzienlijke bronnen van legaal inkomen genoot.
Het hof verwerpt aldus de verweren van de verdediging in al hun onderdelen en – onder overneming van de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onderdeel ‘gewoonte’ – acht het hof gewoontewitwassen bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de strafoplegging van de rechtbank zal bevestigen, zodat aan de verdachte wordt opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft – onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder diens leeftijd en slechte financiële positie, alsmede het tijdsverloop in deze zaak en de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden – het hof verzocht te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, en een eventueel op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk te doen zijn.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft gedurende geruime periode uit misdrijf afkomstige gelden op diens bankrekeningen gestort en daarvan gebruik gemaakt. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie. Het ondermijnt de integriteit van het financiële stelsel en veroorzaakt een aantasting van het economische verkeer. Daarnaast werkt witwassen het voortbestaan van verscheidene vormen van criminaliteit in de hand. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij 135 gram henneptoppen en 142 hennepstekjes opzettelijk aanwezig heeft gehad. Door aldus te handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de productie van softdrugs. De bijdrage van de verdachte aan de productie van softdrugs houdt de illegale handel ervan in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten waarmee de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft verder acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen, ook wegens soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Meer in het bijzonder komt uit verdachtes strafblad naar voren dat hij op 31 december 2020 door dit hof ter zake van – kort gezegd – hennepteelt is veroordeeld tot gevangenisstraf van 26 weken, waarvan 22 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De onderhavige drugsfeiten dateren van twee maanden na deze veroordeling.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dit verband naar voren gebracht – en een en ander is door diens raadsman nader toegelicht – dat hij inmiddels 78 jaar oud is en dientengevolge kampt met diverse gezondheidsklachten, waaronder problemen met zijn geheugen. De verdachte heeft een huurwoning en woont samen met zijn volwassen dochter. De verdachte ontvangt een AOW-uitkering en een bescheiden pensioen en daarvan kan hij momenteel rondkomen. De financiële positie van de verdachte is geruime tijd zeer beperkt geweest als gevolg van diverse aan hem opgelegde maatregelen tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte kan naar eigen zeggen een taakstraf verrichten.
Het hof stelt voorop dat het in gevallen zoals het onderhavige, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het recidiverend gedrag van de verdachte en in verband met een juiste normhandhaving, doorgaans een gevangenisstraf van substantiële duur pleegt op te leggen.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep evenwel nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, alsmede dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 25 februari 2021, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer bij de politie is verhoord. De rechtbank heeft op 21 maart 2024 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 1 jaar en ongeveer 1 maand. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof, naast een taakstraf van na te melden duur, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Bij het oordeel om thans aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen heeft het hof, naast de overschrijding van de redelijke termijn, voorts de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede de omstandigheid dat er thans in het kader van deze strafzaak nog een ontnemingszaak aan de orde is, mede in aanmerking genomen.
Het vorenstaande leidt tot de volgende slotsom.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis passend en geboden.
Beslag
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de teruggave aan verdachte te gelasten van een inbeslaggenomen personenauto.
Het hof overweegt als volgt.
Nu de beslaglijst met de datum van de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank, zijnde 7 maart 2024, geen melding maakt van inbeslaggenomen voorwerpen en de officier van justitie, blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van gelijke datum, te kennen heeft gegeven dat er geen beslag aan de orde is, acht het hof geen termen aanwezig om overeenkomstig het standpunt van de raadsman te beslissen.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie te Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 weken, opgelegd bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 31 december 2020, onder het parketnummer 20-001060-18. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering zal afwijzen.
Hoewel de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, waaronder een soortgelijk feit, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, nu de tenuitvoerlegging niet opportuun wordt geacht, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hiervoor weergegeven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant van 12 december 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020 onder parketnummer 20-001060-18 (parketnummer rechtbank 02-207103-17), voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur 22 weken, met een proeftijd van 2 jaren.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 13 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. van Setten voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Uitspraak : 13 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 maart 2024, met parketnummer 02-253280-21 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 02-207103-17 (parketnummer arrest hof 20-001060-18), in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder de feiten 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘Gewoontewitwassen’ (feit 1 primair) en ‘de eendaadse samenloop van: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en een feit, bedoeld in het derde of vijfde lid van artikel 11 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ (feit 2 en feit 3), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dien aanzien veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder onder het parketnummer 02-207103-17 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 22 weken afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De raadsman heeft met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde integraal vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd, in welk verband de raadsman eveneens heeft bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen. Tenslotte heeft de raadsman betoogd dat een inbeslaggenomen personenauto aan de verdachte zal worden geretourneerd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Dit laat evenwel onverlet dat het hof zich in grote mate kan verenigen met de bewijsconstructie en de overwegingen van de rechtbank daaromtrent, zodat het hof het vonnis van de rechtbank hierna tot uitgangspunt zal nemen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019 te Breda, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) (een) voorwerp(en) (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van (een) voorwerp(en), (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535) gebruik gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019, te Breda, althans in Nederland, een voorwerp (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535) (enkel) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535), gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
2.hij op of omstreeks 23 februari 2021 te Breda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 135 gram henneptoppen en/of ongeveer 142 hennepstekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
3.hij op of omstreeks 23 februari 2021 te Breda (in een woning aan [adres] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten een hoeveelheid hennep, althans hennepstekken en/of henneptoppen en/of meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en), waaronder een afzuiginstallatie en/of weegschaal en/of lege plantenbakken en/of warmte mat en/of gripzakken en/of ventilator en/of slakkenhuis en/of thermostaat en/of plantenvoeding dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten de woning aan [adres] , waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 3
Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder feit 3 tenlastegelegde en overweegt daartoe het volgende.
Artikel 11a Opiumwet stelt, voor zover hier van belang, strafbaar degene die (kort gezegd) voorwerpen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (als bedoeld in art. 11, lid 3 Opiumwet) en/of tot het plegen van grootschalige hennepteelt (als bedoeld in art. 11, lid 5 Opiumwet). Artikel 11a Opiumwet richt zich niet op de bestrijding van alle hennepteelt, maar nadrukkelijk op de bestrijding van professionele/bedrijfsmatige teelt en/of grootschalige teelt.
Uit het dossier komt naar voren dat er op 23 februari 2021 de volgende voorwerpen in de woning van de verdachte zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen:
- slakkenhuis;
- plantenvoeding;
- thermostaat;
- warmtemat;
- 142 hennepstekjes, en
- zak gedroogde henneptoppen.
Hoewel kan worden vastgesteld – hetgeen ook niet ter discussie heeft gestaan – dat voormelde goederen, met uitzondering van de henneptoppen, kunnen worden aangewend bij en ten behoeve van het kweken van hennep, is het hof van oordeel, dat uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten zijn gebleken die in rechte de conclusie rechtvaardigen dat de voorwerpen zijn bestemd voor grootschalige, professioneel ingerichte, hennepkwekerijen en die vanwege hun aard en/of functie zijn bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of voor bedrijfsmatig gebruik onder professioneel gecreëerde omstandigheden ter bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van de hennepkwekerij (dus op verkoop van de oogst). Dat de verdachte eerder ter zake van hennepteelt is veroordeeld, is daartoe onvoldoende.
Het bewijs schiet derhalve tekort om vast te kunnen stellen dat het hier gaat om (een gezamenlijkheid van) voorwerpen die vanwege hun aard en/of functie zijn bestemd voor grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt als vorenomschreven.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. hij in de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019, te Breda, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535 voorhanden gehad en van dit voorwerp (te weten een geldbedrag van in totaal EUR 107.535) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2.hij op 23 februari 2021 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 135 gram henneptoppen en 142 hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche De Baronie, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, met registratienummer ZB3R020039 (onderzoek Domène), gesloten d.d. 8 november 2021, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 254.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2021 (dossierpagina’s 21-22), met bijlagen, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Inkomen inclusief fiscaalpartner:
[verdachte] genoot over de navolgende jaren het navolgende aan netto inkomen:
2015 €21.362
2016 €21.384
2017 €27.832
2018 €27.294
2019 €27.798
05/2020 €12.174
Saldo EURO bankrekeningen:
[verdachte] maakte over de navolgende jaren gebruik van de navolgende bankrekeningen met bijbehorende saldi:
Rekeningnummer
2019
2018
2017
2016
2015
[rekeningnummer 1]
0
[rekeningnummer 2]
-5
[rekeningnummer 3]
69
261
55
14
123
[rekeningnummer 3]
2687
2686
2690
2707
2695
[rekeningnummer 4]
0
-13
[rekeningnummer 5]
4
0
1
-10
-9
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2020 (dossierpagina’s 37-40), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Saldo en transactiegegevens van de bankrekening [rekeningnummer 3] . Op naam van [verdachte] , [adres] , geboren op [geboortedag] 1947.
De gegevens werden opgevraagd over de periode 30-07-2017 tot en met 31-07-2020.
Voor de analyse is de periode 23 augustus 2017 tot en met 14 juli 2019 gehanteerd. De relevante bevindingen worden hieronder uiteen gezet.
[rekeningnummer 3] (betaalrekening).
In de genoemde periode werd er met grote regelmaat geld via contante stortingen op de rekening bijgeschreven. De gestorte bedragen variëren van 150,-- tot 2600,-- per keer met een totaal bedrag van 87.955,--. De contante stortingen vinden over het algemeen plaats rondom de momenten dat het saldo op de bankrekening negatief is of dreigt te raken.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2020 (dossierpagina’s 40-42), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Saldo en transactiegegevens van de bankrekening [rekeningnummer 5] . Op naam van [verdachte] , [adres] , geboren op [geboortedag] 1947.
De gegevens werden opgevraagd over de periode 30-07-2017 tot en met 31-07-2020.
Voor de analyse is de periode 31 juli 2017 tot en met 14 juli 2019 gehanteerd. De relevante bevindingen worden hieronder uiteen gezet.
[rekeningnummer 5] (betaalrekening)
In de onderzochte periode werd er voor een totaalbedrag van € 30.870,-- contant op de rekening gestort. Bij deze transacties staat als enige omschrijving ING en de plaats van het bankfiliaal waar gestort werd. Het geldbedrag werd in 15 transacties gestort en de bedragen varieerden van € 300,-- tot € 2500,--.
In de periode van 30 augustus 2017 tot en met 19 september 2019 werd er € 13.360,-- van
bankrekening [rekeningnummer 3] ook op naam van [verdachte] op de onderzochte
rekening van [verdachte] overgemaakt.
4. Proces-verbaal binnentreden in woning d.d. 23 februari 2021 (dossierpagina’s 61 tot en met 63, met fotobijlage, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op dinsdag, 23 februari 2021 om 08:30 uur, trad ik binnen in de woning [adres] , bewoond door [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1947.
Op de zolder constateerde ik, verbalisant [verbalisant 3] , een tafel met daarop ongeveer 140 hennep stekken, zie bijlage 3. De verdachte verklaarde over de hennep stekken dat het niet slim van hem was om dit in zijn huis te hebben.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2021 (dossierpagina’s 80-81), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
Op dinsdag 23 februari 2021 kregen wij een melding van het operationeel centrum om te gaan naar [adres] voor het aantreffen van een hennepstekkerij. (…) Op het bureau zijn de henneptoppen getest door een ervaren drugstester, verbalisant [verbalisant 6] . deze testte positief op Hennep. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , herken de drugs aan kleur, geur en structuur als hennep. Een THC houdende drugs welke in lijst II van de Opiumwet is strafbaar gesteld. Bij het wegen van de hennep zagen wij dat het 135 gram netto betrof.
6. De kennisgeving van inbeslagneming registratienummer: PL2000-2021047935-5, (pg. 105 ), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats [adres]
Datum en tijd 23 februari 2021 te 10:15 uur
Beslagene
Achternaam [verdachte]
Voornamen [verdachte]
Geboren [geboortedag] 1947
Geboorteplaats [geboorteplaats] Nederland
Volgnummer 1
Goednummer PL2000-2021047935-2306482
Categorie omschrijving Bloem/plant/boom/struik
Object Hennepplant (Hennepstekken)
Aantal/eenheid 142 stuks
Bijzonderheden 142 kleine hennepstekjes van ongeveer 10 cm hoog
Afstand door beslagene Ja, als eigenaar
Eigenaar [verdachte] , [adres]
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman, in de kern bezien, de verweren herhaald die in eerste aanleg ten overstaan van de rechtbank zijn gevoerd (al dan niet aangevuld) en – samengevat, en op de gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – het navolgende aangevoerd.
De verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen, nu hij ter zake van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en stortingen een uitvoerige en met bescheiden onderbouwde verklaring heeft afgelegd. Deze verklaring behelst – kort gezegd – dat de stortingen zijn gedaan met geld dat de verdachte gedurende een groot aantal jaren legaal heeft verdiend. Het geld is afkomstig uit diverse legale inkomstenbronnen, waaronder de verkoop van vastgoed en de verkoop van (handel in) kunst. Deze verklaring geldt als een concrete min of meer verifieerbare verklaring, welke niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk kan worden aangemerkt. Het Openbaar Ministerie heeft evenwel verzuimd nader onderzoek te verrichtten naar de juistheid van de verklaring, zodat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en aldus vrijspraak moet volgen.
Naar het oordeel van het hof vinden de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging hun weerlegging in de door rechtbank gebezigde bewijsmiddelen alsmede in de overwegingen van de rechtbank daaromtrent. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank tot uitgangspunt en overweegt met - en waar nodig in aanvulling op - de rechtbank het volgende.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf” niettemin bewezen kan worden geacht, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte een dergelijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het juridisch kader toegepast
De verdachte heeft in de periode van 30 september 2017 tot en met 17 oktober 2019 middels 110 contante geldstortingen een totaalbedrag van € 107.535,- op zijn bankrekeningen gestort. Deze transacties staan op geen enkele wijze in verhouding tot de kenbare inkomsten van verdachte in die periode. De verdachte ontving immers een AOW-uitkering van € 1.285,- per maand, die giraal werd uitbetaald op zijn bankrekening. Blijkens de bewijsmiddelen waren de contante stortingen soms wel twee keer zo hoog. Daarbij komt dat de verdachte gepensioneerd is en zonder beroep of bedrijf. Derhalve is van andere legale inkomstenbronnen in de tenlastegelegde periode niet gebleken. Evenmin is uit het verhandelde ter terechtzitting de noodzaak tot het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld door de verdachte gebleken. Met de rechtbank neemt het hof voorts in aanmerking dat het daarnaast een feit van algemene bekendheid is dat diverse vormen van criminaliteit, waaronder de hennepteelt en -handel, gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verdachte diverse malen voor hennep gerelateerde feiten is veroordeeld. De laatste veroordeling dateert van 31 december 2020, waarbij aan de verdachte door dit hof een gevangenisstraf van 26 weken, waarvan 22 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren is opgelegd. Uit de stukken komt verder naar voren dat aan de verdachte meermalen de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd, zulks om hem het criminele vermogen te ontnemen dat hij met voormelde hennepfeiten had verkregen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voormelde omstandigheden, tezamen en in onderling verband beschouwd, een vermoeden van witwassen rechtvaardigen.
De verdachte heeft ten aanzien van de herkomst van de geldstortingen diverse en steeds wisselende verklaringen afgelegd, zowel bij de politie, alsmede ten overstaan van de rechtbank en laatstelijk in hoger beroep bij het hof. Echter, in het dossier staan ook verklaringen van de verdachte opgetekend, daterende van voor diens verhoren bij de politie. Zo heeft de verdachte ten overstaan van personeel van de bank, toen deze hem confronteerden met de geldstortingen, verklaard dat het geld afkomstig was uit winsten van horecabedrijven en de overwaarde van de verkoop van twee panden. Bij gelegenheid van de doorzoeking van diens woning heeft de verdachte verklaard dat het geld onder andere afkomstig was uit zijn disco in Dordrecht en dat hij geld thuis bewaarde, maar hij het ging storten om het te doneren aan mensen in Afrika.
De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoren bij de politie onder andere verklaard dat de contante stortingen afkomstig zijn uit contant geld dat hij in huis had door de verkopen van onroerend goed in het verleden en van de verkopen van kunstvoorwerpen die zouden hebben plaatsgevonden tot 2008/2009. Hij is het contante geld gaan storten om zijn bankrekening aan te vullen. Later heeft de verdachte in dat verhoor verklaard dat hij het geld heeft gestort om betalingen te verrichten, maar de verdachte kon niet aangeven aan wie en waarvoor. Ter zitting van de rechtbank heeft de verdachte echter verklaard dat hij ten tijde van de contante stortingen geld nodig had en dat zijn contante geld in huis op was. Daarom is hij kunstvoorwerpen die hij nog in zijn bezit had, gaan verkopen. Hiervoor heeft hij contante bedragen ontvangen die hij vervolgens op zijn bankrekening heeft gestort. Over de herkomst van het geld verklaarde de verdachte toen dat het geld afkomstig was uit verkochte kunst. Die verklaring ter zitting laat zich niet rijmen met de eerdere verklaring van verdachte over de contante stortingen en kan dan ook niet, en anders dan de verdediging heeft betoogd, als een aanvulling op de eerdere verklaring worden beschouwd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van het geld dat hij contant op zijn bankrekeningen heeft gestort. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat daar waar de verklaringen van verdachte bij de politie nog enige aanknopingspunten boden voor onderzoek door het Openbaar Ministerie, de verklaring van verdachte ter zitting bij de rechtbank die niet bood. De verdachte heeft namelijk geen concrete gegevens en/of informatie verstrekt over de kunstverkopen die hij rondom de tenlastegelegde periode zou hebben verricht. Zo heeft hij geen inzicht gegeven aan wie hij welke kunstvoorwerpen heeft verkocht en voor welke bedragen dit is gebeurd. De verdachte heeft enkel verklaard dat hij ook wat heeft verkocht aan een winkel in de Passage te Breda. De rechtbank heeft overwogen dat zulks de vraag oproept waarom de verdachte deze verklaring pas ter zitting heeft afgelegd en niet al tijdens de politieverhoren naar voren heeft gebracht, maar verdachte heeft deze vraag volgens de rechtbank niet kunnen beantwoorden.
De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geoordeeld dat de verklaring van de verdachte niet concreet en verifieerbaar is en dat onder deze omstandigheden ook niet van het Openbaar Ministerie gevergd kon worden om daar nader onderzoek naar te doen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat door het inconsistente verklaren van verdachte de verklaring niet voldoet aan het criterium dat deze op voorhand als niet hoogst onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt.
In hoger beroep heeft de verdediging gepoogd om de verklaring(en) van de verdachte nader handen en voeten te geven, middels het verzoek om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen. Volgens de verklaring van de verdachte heeft hij van [getuige 1] een kunstgalerie overgenomen en ook heeft hij meerdere kunstvoorwerpen aan die [getuige 1] verkocht. Een en ander strekt ter onderbouwing van zijn verklaring dat het geld afkomstig is uit de kunsthandel. Volgens verdachtes verklaring heeft [getuige 2] voor de verdachte kunstvoorwerpen verkocht.
[getuige 1] is in hoger beroep door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft ontkend dat hij een kunstgalerie aan de verdachte heeft verkocht. Ook heeft hij verklaard dat hij, op mogelijk een enkel voorwerp na, nooit kunstvoorwerpen van de verdachte heeft gekocht. Van [getuige 2] heeft de verdediging enkel de voornaam en een telefoonnummer aan het kabinet van de raadsheer-commissaris verstrekt. De raadsheer-commissaris is via dat telefoonnummer in contact gekomen met een persoon die weliswaar zegt dat zijn naam [getuige 2] is, maar verder heeft verklaard dat hij geen idee heeft waarover de raadsheer-commissaris hem wilde spreken, dat hij de verdachte niet kent, überhaupt zijn naam nooit heeft gehoord en dat hij nooit iets gedaan heeft met kunst. Aldus moet worden vastgesteld dat de verdachte er in hoger beroep niet in is geslaagd om zijn verklaring(en) nader te onderbouwen en aannemelijk te maken.
Het vorenstaande voert het hof – gelijk de rechtbank eerder heeft geoordeeld – tot de conclusie dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld.
Gelet op het vorengaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Hierbij heeft het hof voorts nog in aanmerking genomen dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat het geld over een geruime periode, uit meerdere legale bronnen van inkomsten, is verdiend, wordt weerlegd door de omstandigheid dat de verdachte in het verleden meermalen onherroepelijk wegens strafbare feiten, waaronder hennepteelt, is veroordeeld en dat aan hem tevens meermalen de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd, zulks voor substantiële bedragen. Een en ander laat zich niet rijmen met de stelling van de verdachte dat hij gedurende geruime tijd aanzienlijke bronnen van legaal inkomen genoot.
Het hof verwerpt aldus de verweren van de verdediging in al hun onderdelen en – onder overneming van de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het onderdeel ‘gewoonte’ – acht het hof gewoontewitwassen bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de strafoplegging van de rechtbank zal bevestigen, zodat aan de verdachte wordt opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft – onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder diens leeftijd en slechte financiële positie, alsmede het tijdsverloop in deze zaak en de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden – het hof verzocht te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, en een eventueel op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk te doen zijn.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft gedurende geruime periode uit misdrijf afkomstige gelden op diens bankrekeningen gestort en daarvan gebruik gemaakt. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie. Het ondermijnt de integriteit van het financiële stelsel en veroorzaakt een aantasting van het economische verkeer. Daarnaast werkt witwassen het voortbestaan van verscheidene vormen van criminaliteit in de hand. Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij 135 gram henneptoppen en 142 hennepstekjes opzettelijk aanwezig heeft gehad. Door aldus te handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de productie van softdrugs. De bijdrage van de verdachte aan de productie van softdrugs houdt de illegale handel ervan in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten waarmee de openbare orde ernstig kan worden ondermijnd. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het psychische aandoeningen betreft. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft verder acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen, ook wegens soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Meer in het bijzonder komt uit verdachtes strafblad naar voren dat hij op 31 december 2020 door dit hof ter zake van – kort gezegd – hennepteelt is veroordeeld tot gevangenisstraf van 26 weken, waarvan 22 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De onderhavige drugsfeiten dateren van twee maanden na deze veroordeling.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dit verband naar voren gebracht – en een en ander is door diens raadsman nader toegelicht – dat hij inmiddels 78 jaar oud is en dientengevolge kampt met diverse gezondheidsklachten, waaronder problemen met zijn geheugen. De verdachte heeft een huurwoning en woont samen met zijn volwassen dochter. De verdachte ontvangt een AOW-uitkering en een bescheiden pensioen en daarvan kan hij momenteel rondkomen. De financiële positie van de verdachte is geruime tijd zeer beperkt geweest als gevolg van diverse aan hem opgelegde maatregelen tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte kan naar eigen zeggen een taakstraf verrichten.
Het hof stelt voorop dat het in gevallen zoals het onderhavige, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het recidiverend gedrag van de verdachte en in verband met een juiste normhandhaving, doorgaans een gevangenisstraf van substantiële duur pleegt op te leggen.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep evenwel nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld, alsmede dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 25 februari 2021, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer bij de politie is verhoord. De rechtbank heeft op 21 maart 2024 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 1 jaar en ongeveer 1 maand. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof, naast een taakstraf van na te melden duur, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Bij het oordeel om thans aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen heeft het hof, naast de overschrijding van de redelijke termijn, voorts de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede de omstandigheid dat er thans in het kader van deze strafzaak nog een ontnemingszaak aan de orde is, mede in aanmerking genomen.
Het vorenstaande leidt tot de volgende slotsom.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis passend en geboden.
Beslag
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de teruggave aan verdachte te gelasten van een inbeslaggenomen personenauto.
Het hof overweegt als volgt.
Nu de beslaglijst met de datum van de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank, zijnde 7 maart 2024, geen melding maakt van inbeslaggenomen voorwerpen en de officier van justitie, blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van gelijke datum, te kennen heeft gegeven dat er geen beslag aan de orde is, acht het hof geen termen aanwezig om overeenkomstig het standpunt van de raadsman te beslissen.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie te Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 weken, opgelegd bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 31 december 2020, onder het parketnummer 20-001060-18. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering zal afwijzen.
Hoewel de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, waaronder een soortgelijk feit, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, nu de tenuitvoerlegging niet opportuun wordt geacht, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hiervoor weergegeven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant van 12 december 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020 onder parketnummer 20-001060-18 (parketnummer rechtbank 02-207103-17), voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur 22 weken, met een proeftijd van 2 jaren.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. Y. van Setten, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 13 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. van Setten voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.