Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3330
2025-11-18
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.340.104_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dexia-zaak tussenpersoon NBG Finance (NBG) na voorlopig getuigenverhoor afnemer, echtgenote, medewerker NBG en voormalig directeur NBG.
Citeert (10)
- ECLI:NL:HR:2016:2012 Hoge Raad 02-09-2016
- ECLI:NL:HR:2018:1935 Hoge Raad 12-10-2018
- ECLI:NL:HR:2022:862 Hoge Raad 10-06-2022
- ECLI:NL:HR:2024:715 Hoge Raad 17-05-2024
- ECLI:NL:HR:2024:716 Hoge Raad 17-05-2024
- ECLI:NL:HR:2023:882 Hoge Raad 09-06-2023
- ECLI:NL:HR:2023:885 Hoge Raad 09-06-2023
- ECLI:NL:HR:2024:715 Hoge Raad 17-05-2024
- ECLI:NL:HR:2024:716 Hoge Raad 17-05-2024
- ECLI:NL:HR:2022:853 Hoge Raad 10-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (37.393 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.340.104/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als: de afnemer,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 31 augustus 2023, gewezen tussen de afnemer als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9723501 EL 22-25)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de bij zivverbericht van 6 november 2025 door de afnemer toegezonden pleitaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling;
de bij zivverbericht van 6 november 2025 door Dexia toegezonden pleitaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling, met als bijlagen de processen-verbaal van het (voorlopige) getuigenverhoor van 10 juni 2025 en 28 oktober 2025 in de zaak met nummer 200.340.104/02;
de mondelinge behandeling op 7 november 2025 waarbij partijen, zoals tevoren aangekondigd, niet zijn verschenen en waarbij de op voorhand door partijen toegezonden pleitaantekeningen en processen-verbaal aan de gedingstukken zijn toegevoegd.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De kern van de zaak
3.1.
Deze zaak gaat in hoger beroep over één effectenleaseovereenkomst met contractnummer 21685513 en de naam ‘Capital Effect’ (hierna: de (effectenlease)overeenkomst) die via een tussenpersoon (NBG Finance) tot stand is gekomen tussen Dexia en de afnemer. Centraal staat de vraag of de afnemer door de tussenpersoon is geadviseerd terwijl deze niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte en of Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Indien dat het geval is, is Dexia gehouden de door de afnemer geleden schade volledig te vergoeden. De kantonrechter heeft de vordering van de afnemer met betrekking tot voormelde effectenleaseovereenkomst grotendeels toegewezen en de vordering van Dexia met betrekking tot deze overeenkomst voorwaardelijk toegewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van de afnemer en van Dexia opnieuw.
4De beoordeling
4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van de afnemer en van Dexia en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
4.2.2.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de afnemer grotendeels toegewezen en de vordering van Dexia voorwaardelijk toegewezen, op de wijze als in het dictum daarvan is bepaald.
4.3.1.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vordering van de afnemer en tot het alsnog toewijzen van haar vordering.
4.3.2.
De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
4.3.
Deze procedure betreft onder andere een zogenaamde 'waiver'-procedure, inhoudende dat Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat de afnemer in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van de tussen partijen gesloten effectenleaseovereenkomst.
Advisering NBG Finance en wetenschap Dexia
4.4.
Dexia heeft aangevoerd dat NBG Finance geen vergunningplichtig advies aan de afnemer heeft gegeven en dat Dexia in elk geval niet wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door NBG Finance. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.5.
Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en de afnemer tot stand is gekomen door tussenkomst van NBG Finance die als bemiddelaar optrad. Daarmee is NBG Finance bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van (het destijds geldende) artikel 1b onder 1 Wte (oud).
4.6.
Een effectenbemiddelaar die mogelijk cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling, wordt ook cliëntenremisier genoemd. NBG Finance had geen vergunning zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte (oud), om als effectenbemiddelaar diensten aan te bieden. Zij kon echter aanspraak maken op de generieke vrijstelling van artikel 12 lid 1 Vrijstellingsregeling Wte (oud) om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling zoals Dexia, die zelf over een vergunning beschikte. De reden van deze vrijstelling was dat de instelling bij wie de cliënt werd aangebracht, zelf al aan toezicht was onderworpen, dan wel daarvan was vrijgesteld. Het stond NBG Finance als cliëntenremisier niet vrij om zonder vergunning mede op te treden als beleggingsadviseur. Artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (en voorheen artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995) verbood Dexia om een effectenleaseovereenkomst met een klant aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden. Deze laatste omstandigheid – het contracteren in weerwil van dit verbod – moet Dexia in een dergelijk geval bij de toepassing van artikel 6:101 BW zwaar worden aangerekend. Bij effectenleaseovereenkomsten die op deze manier tot stand zijn gekomen, is de inhoud van het advies niet meer van belang, evenmin als een eventueel eigen inzicht van de klant in het aan te schaffen product. Dexia had de klant immers hoe dan ook moeten weigeren. De billijkheid eist dan in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de effectenleaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last vormden (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935).
4.7.
Kortom, voor de beantwoording van de vraag of de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, moet worden beoordeeld of: (i) de klant voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door NBG Finance in de uitoefening van haar bedrijf is geadviseerd, en (ii) of Dexia dit wist of behoorde te weten.
4.8.
Het hof verwijst verder voor het toepasselijke juridisch kader naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, rov. 2.7.1 t/m 2.10.21. In het bijzonder heeft de Hoge Raad in dit arrest geoordeeld dat het antwoord op de vraag wanneer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door een daarbij optredende tussenpersoon dient te worden gevonden door vast te stellen van welke — als ‘beleggingsadvies’ te kwalificeren — activiteiten een cliëntenremisier zich diende te onthouden om vrijgesteld te blijven van de vergunningplicht (rov. 2.10.1). De reikwijdte van deze vrijstelling dient als volgt te worden bepaald (rov. 2.10.13):
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
- geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
- uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
4.9.
In de onderhavige zaak heeft de afnemer een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop NBG Finance in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “De feitelijke gang van zaken” van de inleidende dagvaarding. De stellingen van de afnemer komen, samengevat, op het volgende neer. De afnemer heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met een medewerker van NBG Finance. Daarbij is besproken dat de afnemer (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen de afnemer daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is de afnemer door de medewerker van NBG Finance geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de NBG Finance medewerker geschikt voor de situatie van de afnemer. De afnemer heeft op het advies van de medewerker van NBG Finance vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. De medewerker van NBG Finance heeft het aanvraagformulier voor de afnemer verzorgd. De effectenovereenkomst is later aan de afnemer ter ondertekening voorgelegd en vervolgens is de afnemer de overeenkomst aangegaan, aldus de afnemer. De aldus jegens de afnemer gevolgde handelwijze stemt volgens de afnemer overeen met de gebruikelijke werkwijze van NBG Finance, waartoe de afnemer heeft verwezen naar de producties die hierna zijn weergegeven.
4.10.
Tijdens het voorlopige getuigenverhoor hebben de afnemer en zijn echtgenote, samengevat, opnieuw verklaard dat de medewerker van NBG Finance, [persoon H] , de afnemer een op zijn wens en financiële situatie afgestemd product heeft aanbevolen.
4.11.
Dexia heeft de stellingen van de afnemer slechts in algemene zin betwist. Volgens haar volgt uit diverse door haar overgelegde producties dan wel verklaringen dat de werkwijze van NBG Finance veelvuldig was beperkt tot het doen van algemene aanprijzingen. Dexia heeft voorts naar aanleiding van de getuigenverklaringen van de afnemer en zijn echtgenote aangevoerd dat zij een onjuiste herinnering hebben aan ten behoeve van welke overeenkomst de hypotheek is verhoogd en dat zij geen verklaring hebben gegeven waarom de eerste overeenkomst is beëindigd en er vervolgens een tweede overeenkomst voor een geringere hoofdsom is gesloten. Dit brengt volgens Dexia mee dat de verklaringen van de afnemer en zijn echtgenote over de feitelijke gang van zaken tijdens de gesprekken met de medewerker van NBG Finance met wantrouwen moeten worden bekeken.
4.12.
Voorop staat dat de door de afnemer geschetste betrokkenheid van NBG Finance bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, indien deze komt vast te staan, in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022 moet worden gekwalificeerd als advisering. Het hof verwerpt daarmee het verweer van Dexia, zoals zij dat onder meer in de memorie van grieven onder verwijzing naar de door haar overgelegde opinie heeft gevoerd, dat de door de afnemer gestelde betrokkenheid niet als advisering in de zin van artikel 41 Nadere Regeling 1999 kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof volgt uit de door de afnemer overgelegde producties, zoals die hierna zijn weergegeven, voldoende dat NBG Finance een gebruikelijke werkwijze had die aansluit bij de concrete stellingen van de afnemer over hoe NBG Finance in zijn geval heeft gehandeld. De getuigenverklaring van [persoon H] over zijn gebruikelijke werkwijze sluit hierbij aan. Ook de getuigenverklaring van [persoon A] over de vaste werkwijze van medewerkers van NBG sluit daarbij aan. Weliswaar verklaart [persoon A] later tijdens het verhoor genuanceerder over de werkwijze, maar ook dan verklaart hij dat op basis van de wensen van de klant een of meer producten aan de klant werden voorgehouden. Daarmee heeft de afnemer zijn stelling dat er is geadviseerd voldoende gemotiveerd onderbouwd. Het had op de weg van Dexia gelegen om concreet te stellen en toe te lichten dat en op welke wijze in onderhavig geval is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze. Het in algemene bewoordingen geformuleerde verweer dat NBG Finance zich in veel zaken onthield van het geven van advies, is daartoe onvoldoende. Hetgeen Dexia in haar pleitaantekeningen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van de afnemer en zijn echtgenote heeft aangevoerd geldt niet als een voldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van de afnemer over de feitelijke gang van zaken en biedt het hof, gelet op voormelde getuigenverklaringen van de heren [persoon H] en [persoon A] en de door de afnemer overgelegde producties, zoals die hierna zijn weergegeven, ook geen aanleiding de juistheid ervan te betwijfelen. Voor zover Dexia in haar pleitnota nog aandacht vestigt op de passage uit de getuigenverklaring van [persoon A] dat het ook gebeurde dat klanten actief om effectenlease vroegen, gaat zij er ten onrechte aan voorbij dat die passage Dexia niet kan baten. Immers, uit de getuigenverklaringen van de afnemer, zijn echtgenote en [persoon H] volgt dat die situatie zich in dit geval niet voordeed.
Ook de stelling van Dexia dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, wordt door het hof verworpen. Zoals hierna wordt overwogen, was Dexia er destijds mee bekend dat NBG Finance standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die NBG Finance als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 Nadere Regeling 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij NBG Finance wat de aard van de betrokkenheid van NBG Finance was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden omdat deze zich wel degelijk in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek kennelijk niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu kennelijk niet meer in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat er in onderhavige zaak geen advies is verleend, komen voor risico van Dexia.
Bovendien heeft Dexia niet uitgelegd op basis waarvan zij in haar memorandum van 26 maart 2007 (zie citaten hierna) tot de conclusie is gekomen dat de werkzaamheden van tussenpersonen zelden beperkt zijn gebleven tot het aanbrengen van een klant, maar dat doorgaans daarnaast sprake is geweest van het geven van beleggingsadvies. Evenmin heeft zij uitgelegd hoe deze conclusie – en het onderzoek dat daaraan kennelijk vooraf is gegaan – zich verdraagt met haar stelling dat het voor haar niet mogelijk is na te gaan in welke gevallen wel of niet is geadviseerd. Uit het memorandum volgt niet, zoals Dexia stelt, dat slechts is verondersteld dat door tussenpersonen beleggingsadviezen zijn gegeven. Naar aanleiding van het betoog van Dexia in haar pleitaantekeningen dat de webpagina van NBG waar de afnemer zich ter onderbouwing van zijn stellingen op beroept niet van 23 oktober 1999, vóór het sluiten van de onderhavige overeenkomst, dateert, overweegt het hof het volgende. Dexia heeft niet gemotiveerd van welke datum die webpagina dan wel dateert. Dat was in het kader van de weerspreking van de stellingen van de afnemer wel van Dexia te vergen nu het haar eigen webpagina betreft waarop gegevens staan die zich in haar domein bevinden. Nu Dexia dit niet heeft gedaan verwerpt het hof het betoog van Dexia. Dexia heeft dan ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat de afnemer voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van die overeenkomst heeft gekregen van NBG Finance in de uitoefening van haar bedrijf. Dit neemt het hof dan ook als vaststaand aan. Dit betekent dat de afnemer de effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door NBG Finance die daarbij de reikwijdte van haar vrijstelling van de vergunningplicht heeft overschreden. Het hof ziet voor bovenstaand oordeel een bevestiging in de arresten van de Hoge Raad van 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715 en ECLI:NL:HR:2024:716 (beide afgedaan met 81 RO).
4.13.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Dexia bij het sluiten van de effectenleaseovereenkomst wist dat sprake was van deze advisering door NBG Finance of dit behoorde te weten. Volgens de afnemer dient de vraag bevestigend te worden beantwoord. Er was volgens de afnemer sprake van een nauwe samenwerking tussen Dexia en NBG Finance. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de afnemer onder meer verwezen naar de volgende producties.
a. a) De toenmalige website van NBG Finance waar over de werkwijze van NBG Finance onder meer vermeld stond:
“
Werkwijze
Ieder mens is uniek. Een goed doordacht financieel advies behoort daarom altijd persoonlijk maatwerk te zijn. Met die gedachte werd NBG Finance opgericht.
Persoonlijk contact
Een goed Financieel Plan begint al bij het maken van een afspraak voor een kennismakingsgesprek met uw persoonlijk financieel adviseur. Tijdens dit eerste gesprek brengen we zorgvuldig uw huidige financiële situatie in kaart. Ook voor ogenschijnlijk eenvoudige onderwerpen is dit belangrijk omdat bij financiële zaken doorgaans uiteenlopende belangen verstrengeld zijn. Goed luisteren is daarom belangrijk in onze werkwijze. Wat zijn uw wensen? Welk doel wilt u bereiken? En waarom? De antwoorden hierop inventariseren we volgens een zorgvuldige methode.
Advies op maat
Afhankelijk van uw doelstellingen stellen we een advies op maat samen. Hierin staat het door u gekozen product centraal. Of het nu een Hypotheekadvies, een Pensioenadvies of een ander Financieel advies betreft, ieder advies wordt gebaseerd op uw persoonlijke situatie en toekomstwensen. (…)
Service en gemak
Zodra het advies tot in detail akkoord is, zorgen wij ervoor dat het ook tot in detail wordt uitgevoerd. Zelf heeft u er nauwelijks omkijken naar. (…) Om u volledig van dienst te zijn, regelen wij eventuele afspraken met een makelaar, notaris en/of andere specialisten. (…).”
“Het proces van Financiële Planning
(…)
Inventarisatie van uw persoonlijke omstandigheden
Hierbij wordt een analyse gemaakt van uw huidige situatie. De aspecten die aan bod komen zijn: huidige financiële situatie, de huidige gezinssituatie en de relevante wettelijke regelingen.
Inventarisatie van uw persoonlijke wensen
Hierbij besteden we veel aandacht aan uw persoonlijke doelstellingen op het gebied van: Wonen, besteedbaar inkomen, bescherming tegen financiële risico’s, eerder stoppen met werken, studerende kinderen, een jaar er tussenuit of andere (financiële) wensen die u heeft.
Voorbereiden van het Financieel Plan
Op kantoor schrijft de Financieel Planner van NBG Finance uw Financieel Plan. (…) Na een zorgvuldige kwaliteitscontrole legt de Financieel Planner het plan aan u voor.
Keuze van de juiste financiële producten
Na uw goedkeuring van het Financieel Plan vult de Financieel Planner van NBG finance het plan verder in met financiële producten. (…)”
b) Een schriftelijke verklaring van een voormalig werknemer van NBG Finance, [persoon D] :
“(…) Van september 1996 tot en met januari 2015 was ik in dienst van NBG Finance als financieel adviseur. Over de werkwijze ten aanzien van de aandelenlease-producten van Labouchere (tegenwoordig Dexia) en Aegon verklaar ik dat wij deze producten middels persoonlijke advisering afsloten. In een persoonlijk gesprek werd de persoonlijke (financiële) situatie en de wensen van de klant in kaart gebracht. Vervolgens werd een aandelenlease-contract geadviseerd dat geschikt werd geacht voor de persoonlijke situatie. Aandelenlease werd geadviseerd voor verschillende doelstellingen zoals opbouw van een pensioen, aflossen van de hypotheek en studie van de kinderen. Een veel voorkomend advies was om de overwaarde op de eigen woning op te nemen middels een hypotheeklening en dit bedrag als vooruitbetaling te investeren in een aandelenlease-product van Labouchere of Aegon. Het advies werd vaak in een persoonlijk financieel plan schriftelijk vastgelegd.
Bovengenoemde werkwijze was gebruikelijk voor alle adviseurs van NBG Finance.”
c) Een e-mailbericht van [persoon A] , algemeen directeur NBG Finance, van 11 november 2015:
“Labouchere onderhield intensief contacten met NBG. Eerst via [persoon B] en later (nadat [persoon B] directeur werd bij Labouchere) vooral via [persoon C] . Zowel [persoon B] als [persoon C] gaven op regelmatige basis (minstens 6 keer per jaar) presentaties aan onze hypotheekadviseurs. In deze presentaties werd de werking van de software van Labouchere uitgelegd en uitdrukkelijk gewezen op de voordelen van beleggen met geleend geld in het Labouchere product.”
“Zowel [persoon B] als [persoon C] wisten dat het merendeel van de klanten die via remissiers (waaronder NBG) aangebracht werden, belegden met de overwaarde van hun woning (…).”
“NBG gebruikte in alle gevallen de software en instructies van Labouchere mbt informatieverstrekking aan de klant.”
d) Het jaarverslag 1997 van Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van Dexia:
“Onder de naam Bank Labouchere worden ook leaseproducten ontwikkeld voor distributie via onafhankelijke intermediairs. Deze producten zijn gericht op spaarders en beleggers die behoefte hebben aan een persoonlijk advies door een onafhankelijk intermediair. Dit voorziet in een duidelijke behoefte.”
e) De volgende tekst van de websites van Dexia in de periode van april 2000 tot en met augustus 2003:
“
Labouchere Beleggingsproducten
Met de effectenleaseproducten van Labouchere Beleggingsproducten is het voor iedereen mogelijk kansrijk te beleggen. Ze zijn bestemd voor particulieren die op basis van hun financiële situatie deskundig advies van gespecialiseerde onafhankelijke financiële adviseurs wensen.”
“De producten worden uitsluitend aangeboden via onafhankelijke, gespecialiseerde financiële adviseurs in ons land. Hun kwaliteit en kennis van zaken garandeert hun cliënten een met zorg omkleed, persoonlijk advies. Door training en begeleiding van de financiële adviseurs houden de accountmanagers van Labouchere Beleggingsproducten hen uitvoerig op de hoogte van de ver-schillende producten.”
“Bank Labouchere Beleggingsproducten heeft een slagvaardige reputatie als het gaat om het ontwikkelen van innovatieve en creatieve beleggingsproducten. Onderdeel daarvan zijn de effectenleaseproducten, waarmee wij marktleider zijn. Deze bieden wij u aan via gespecialiseerde, onafhankelijke financieel adviseurs. De zorgvuldig geselecteerde financieel intermediairs kunnen u in deze fiscaal ingewikkelde tijden deskundig begeleiden bij de snelle en efficiënte opbouw van een aantrekkelijk kapitaal. De financieel intermediairs van Bank Labouchere Beleggingsproducten worden continue getraind, ondersteund en op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen en producten.”
f) Een memorandum, opgesteld door Dexia, waarin onder meer het volgende staat:
“1.5 Tussenpersonen kwalificeerden onder de werking van de toenmalige Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (‘Wte’) als cliëntenremisiers. De werkzaamheden van de tussenpersonen zijn zelden beperkt gebleven tot de werkzaamheden van een cliëntenremisier in strikte zin, namelijk tot het aanbrengen van een cliënt bij een effecteninstelling. Doorgaans is er daarnaast sprake geweest van het geven van beleggingsadvies. (…)”
En in 5.1 van bedoeld memorandum:
“Hierboven is aan de orde geweest dat tussenpersonen die hebben bemiddeld terzake van effectenleaseproducten in de praktijk doorgaans ook hebben gefungeerd als beleggingsadviseur van de desbetreffende lessee. (…)”
4.14.
Dexia heeft opgemerkt dat de hiervoor onder a genoemde tekst van de toenmalig website van NBG Finance slechts getuigt van de ambities van NBG Finance, niet van de realiteit. Dexia heeft echter niet, althans onvoldoende, gemotiveerd betwist dat de tekst van de website de algemene werkwijze van NBG Finance ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst correct weergeeft. Daaraan doet niet af dat de werkwijze niet in alle gevallen steeds gevolgd is zoals op de website beschreven.
4.15.
Met betrekking tot het e-mailbericht van de algemeen directeur van NBG Finance heeft Dexia aangevoerd dat de herkomst van deze verklaring, een onderhands document, niet valt vast te stellen, laat staan dat duidelijk is hoe deze “verklaring” tot stand is gekomen. Deze betwisting heeft Dexia naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende gemotiveerd. Dexia legt niet uit waarom het voor haar bijvoorbeeld niet mogelijk is geweest om deze persoon te vragen of het klopt dat hij deze “verklaring” heeft afgelegd. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat deze “verklaring” van [persoon A] afkomstig is. Verder zegt de verklaring van [persoon D] volgens Dexia niets over de vraag of in het onderhavige geval aan de afnemer een vergunningplichtig advies is gegeven.
Als reactie op het e-mailbericht van de algemeen directeur van NBG Finance heeft Dexia nog aangevoerd dat niet duidelijk is waarop de antwoorden in dit bericht zien nu de vraagstelling geen onderdeel uitmaakt van de overgelegde productie, dat in dit bericht niet staat dat NBG Finance geregeld beleggingsadvies gaf en evenmin dat Dexia daarmee bekend zou zijn geweest.
Dexia heeft de inhoud van de hiervoor onder b, en c genoemde producties als zodanig evenwel niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Uit de producties komt het beeld naar voren, zoals de afnemer heeft aangevoerd, dat het geven van gespecialiseerde adviezen onderdeel uitmaakte van de bedrijfsopzet en vaste werkwijze van NBG Finance. Ook heeft Dexia niet betwist dat de website van NBG Finance haar bekend was of kon zijn. Evenmin is bestreden dat (de rechtsvoorgangster van) Dexia intensieve contacten onderhield met NBG Finance, noch dat NBG Finance instructies van Labouchere/Dexia gebruikte teneinde deze in staat te stellen te adviseren over de producten van Labouchere/Dexia. Dexia betoogt in haar pleitaantekeningen dat [persoon A] is teruggekomen van zijn verklaring dat Dexia weet had van de omstandigheid dat NBG Finance haar klanten adviseerde. [persoon A] verklaart weliswaar dat hij nu niet meer precies weet of hij met [persoon B] heeft besproken dat de geschiktheid van een beleggingsproduct met de klant werd besproken, maar hij heeft geen afstand genomen van zijn hiervoor onder c vermelde verklaring. Het hof kent daarom onverkort aan die verklaring betekenis toe.
4.16.
Dexia heeft de inhoud van de hiervoor onder d tot en met f genoemde citaten niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij merkt met betrekking tot de (hiervoor onder e genoemde) teksten die in de maanden april 2000 tot en met augustus 2003 op de website van Dexia hebben gestaan, enkel op dat het gaat om ronkende reclameteksten, die kennelijk niet door de juridische afdeling zijn getoetst. Ook de betekenis van de (hiervoor onder d genoemde) tekst van het jaarverslag van Dexia over 1997 is volgens haar verwaarloosbaar, omdat dit dient ter informatie van de kapitaalverschaffers en niet is gericht op de afnemers van de producten. Ten aanzien van het hiervoor onder f genoemde memorandum merkt Dexia nog op dat het dateert uit 2007, terwijl alleen relevant is wat Dexia ten tijde van het sluiten van de overeenkomst wist of moest weten, zodat dit stuk volgens Dexia ook niet van belang is.
Naar het oordeel van het hof kan het memorandum uit 2007 worden gelezen in het licht van de pagina’s uit het jaarverslag over het jaar 1997, waarin uitdrukkelijk staat dat de leaseproducten van Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van Dexia, zelfs specifiek waren ontwikkeld voor distributie via onafhankelijke intermediairs en zijn gericht op spaarders en beleggers die behoefte hebben aan persoonlijk advies door een onafhankelijke intermediair, hetwelk voorziet in een duidelijke behoefte. Dat sluit ook aan bij de tekst die Dexia toentertijd op haar website publiceerde.
4.17.
Dexia heeft verwezen naar een getuigenverklaring van B.T.A. [persoon I] , voormalig medewerker van een franchisenemer van Spaar Select, van 5 september 2018. Dexia heeft daarnaast verwezen naar getuigenverklaringen van [persoon E] , [persoon F] , [persoon G] en [persoon C] . Uit de getuigenverklaring van [persoon I] die Dexia heeft overgelegd, leidt het hof niet af dat in de klantgesprekken die deze medewerker voerde niet werd geadviseerd. In elk geval is een enkele verklaring van een medewerker van (een franchisenemer van) Spaar Select van onvoldoende gewicht om af te doen aan hetgeen volgt uit de inhoud van de hiervoor onder 4.13 aangehaalde citaten over de gebruikelijke werkwijze van NBG Finance. De overige getuigenverklaringen waarnaar Dexia verwijst, leggen in dit verband eveneens te weinig gewicht in de schaal, en hebben bovendien niet specifiek betrekking op NBG Finance.
4.18.
Dexia verwijst voorts naar verklaringen en brieven van afnemers ter onderbouwing van haar stelling dat effectenleaseovereenkomsten op verschillende wijze werden afgesloten door tussenpersonen, en ter onderbouwing van haar betwisting dat NBG Finance een vaste werkwijze had waarbij zij klanten adviseerde. Uit deze verklaringen en brieven, voor zover Dexia in de processtukken daarnaar verwijst, volgt niet dat deze betrekking hebben op NBG Finance. Bovendien doet de omstandigheid dat in bepaalde gevallen mogelijk niet door NBG Finance zou zijn geadviseerd er niet aan af dat uit bovengenoemde citaten onder 4.13. volgt dat dit wel de gebruikelijke werkwijze was van NBG Finance, althans dat zij dit op grote schaal deed, en dat Dexia daarmee bekend was.
4.19.
Alles overziend, komt het hof in deze zaak tot het volgende oordeel. Dexia was ermee bekend dat in het kader van de gebruikelijke werkwijze van NBG Finance advies werd verleend aan potentiële klanten. Gezien die gebruikelijke werkwijze had het op de weg van Dexia gelegen, zoals hiervoor is overwogen, om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij NBG Finance om te beoordelen of er al dan niet was geadviseerd. Indien Dexia al niet wist dat de afnemer door NBG Finance was geadviseerd, dan had zij dus behoren te weten dat NBG Finance de afnemer had geadviseerd, in de zin dat deze een gepersonaliseerde aanbeveling had gekregen van NBG Finance tot het aangaan van de effectenleaseovereenkomst. Voor bewijslevering op dit punt is dan ook geen plaats.
4.20.
Gelet op het voorgaande heeft Dexia bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer in strijd gehandeld met artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999. Het hof ziet voorgaande overwegingen en conclusies bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:882 (Dexia/T.) en ECLI:NL:HR:2023:885 (Dexia/S)) en de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad van 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715 en ECLI:NL:HR:2024:716 (beide afgedaan met 81 RO). In dit geval eist de billijkheid daarom dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, voor zowel de (eventuele) restschuld van de afnemer als voor de door deze betaalde rente, aflossing en kosten. Het beroep op eigen schuld gaat dan ook niet op. De grieven 1en 2 falen.
Uit het voorgaande volgt dat als gevolg van de onvoldoende gemotiveerde betwisting door Dexia van de stellingen van de afnemer voor (tegen)bewijslevering, anders dan Dexia in randnummer 59 van haar memorie van grieven betoogt, geen plaats is.
4.21.
Voor het overige heeft Dexia geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat haar algemene bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt verworpen.
Conclusie en proceskosten
4.22.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia falen en/of niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen.
4.23.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten aan de zijde van de afnemer worden begroot op € 343,-- aan griffierecht en op (3 punten (1 punt memorie van antwoord, 0,5 punt pleitaantekeningen t.b.v. de mondelinge behandeling, 1,5 punten getuigenverhoor en voorzetting getuigenverhoor) x tarief II € 1.214,--) € 3.642,-- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals door de afnemer gevorderd.
4.24.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Daarom zal het hof de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden (ECLI:NL:HR:2022:853).
5De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de afnemer op € 343,-- aan griffierecht en op € 3.642,-- voor salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;
verklaart de veroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, E.A.M. van Oorschot en F.C. Alink-Steinberg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.340.104/01
arrest van 18 november 2025
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als: de afnemer,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 31 augustus 2023, gewezen tussen de afnemer als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9723501 EL 22-25)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties;
de bij zivverbericht van 6 november 2025 door de afnemer toegezonden pleitaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling;
de bij zivverbericht van 6 november 2025 door Dexia toegezonden pleitaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling, met als bijlagen de processen-verbaal van het (voorlopige) getuigenverhoor van 10 juni 2025 en 28 oktober 2025 in de zaak met nummer 200.340.104/02;
de mondelinge behandeling op 7 november 2025 waarbij partijen, zoals tevoren aangekondigd, niet zijn verschenen en waarbij de op voorhand door partijen toegezonden pleitaantekeningen en processen-verbaal aan de gedingstukken zijn toegevoegd.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De kern van de zaak
3.1.
Deze zaak gaat in hoger beroep over één effectenleaseovereenkomst met contractnummer 21685513 en de naam ‘Capital Effect’ (hierna: de (effectenlease)overeenkomst) die via een tussenpersoon (NBG Finance) tot stand is gekomen tussen Dexia en de afnemer. Centraal staat de vraag of de afnemer door de tussenpersoon is geadviseerd terwijl deze niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte en of Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Indien dat het geval is, is Dexia gehouden de door de afnemer geleden schade volledig te vergoeden. De kantonrechter heeft de vordering van de afnemer met betrekking tot voormelde effectenleaseovereenkomst grotendeels toegewezen en de vordering van Dexia met betrekking tot deze overeenkomst voorwaardelijk toegewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van de afnemer en van Dexia opnieuw.
4De beoordeling
4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van de afnemer en van Dexia en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
4.2.2.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de afnemer grotendeels toegewezen en de vordering van Dexia voorwaardelijk toegewezen, op de wijze als in het dictum daarvan is bepaald.
4.3.1.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vordering van de afnemer en tot het alsnog toewijzen van haar vordering.
4.3.2.
De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
4.3.
Deze procedure betreft onder andere een zogenaamde 'waiver'-procedure, inhoudende dat Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat de afnemer in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van de tussen partijen gesloten effectenleaseovereenkomst.
Advisering NBG Finance en wetenschap Dexia
4.4.
Dexia heeft aangevoerd dat NBG Finance geen vergunningplichtig advies aan de afnemer heeft gegeven en dat Dexia in elk geval niet wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door NBG Finance. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.5.
Tussen partijen staat vast dat de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en de afnemer tot stand is gekomen door tussenkomst van NBG Finance die als bemiddelaar optrad. Daarmee is NBG Finance bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst opgetreden als effectenbemiddelaar in de zin van (het destijds geldende) artikel 1b onder 1 Wte (oud).
4.6.
Een effectenbemiddelaar die mogelijk cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling, wordt ook cliëntenremisier genoemd. NBG Finance had geen vergunning zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 Wte (oud), om als effectenbemiddelaar diensten aan te bieden. Zij kon echter aanspraak maken op de generieke vrijstelling van artikel 12 lid 1 Vrijstellingsregeling Wte (oud) om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling zoals Dexia, die zelf over een vergunning beschikte. De reden van deze vrijstelling was dat de instelling bij wie de cliënt werd aangebracht, zelf al aan toezicht was onderworpen, dan wel daarvan was vrijgesteld. Het stond NBG Finance als cliëntenremisier niet vrij om zonder vergunning mede op te treden als beleggingsadviseur. Artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (en voorheen artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995) verbood Dexia om een effectenleaseovereenkomst met een klant aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur was opgetreden. Deze laatste omstandigheid – het contracteren in weerwil van dit verbod – moet Dexia in een dergelijk geval bij de toepassing van artikel 6:101 BW zwaar worden aangerekend. Bij effectenleaseovereenkomsten die op deze manier tot stand zijn gekomen, is de inhoud van het advies niet meer van belang, evenmin als een eventueel eigen inzicht van de klant in het aan te schaffen product. Dexia had de klant immers hoe dan ook moeten weigeren. De billijkheid eist dan in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de reeds betaalde rente, aflossing en kosten. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de effectenleaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last vormden (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935).
4.7.
Kortom, voor de beantwoording van de vraag of de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, moet worden beoordeeld of: (i) de klant voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door NBG Finance in de uitoefening van haar bedrijf is geadviseerd, en (ii) of Dexia dit wist of behoorde te weten.
4.8.
Het hof verwijst verder voor het toepasselijke juridisch kader naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, rov. 2.7.1 t/m 2.10.21. In het bijzonder heeft de Hoge Raad in dit arrest geoordeeld dat het antwoord op de vraag wanneer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door een daarbij optredende tussenpersoon dient te worden gevonden door vast te stellen van welke — als ‘beleggingsadvies’ te kwalificeren — activiteiten een cliëntenremisier zich diende te onthouden om vrijgesteld te blijven van de vergunningplicht (rov. 2.10.1). De reikwijdte van deze vrijstelling dient als volgt te worden bepaald (rov. 2.10.13):
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
- geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
- uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
4.9.
In de onderhavige zaak heeft de afnemer een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop NBG Finance in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “De feitelijke gang van zaken” van de inleidende dagvaarding. De stellingen van de afnemer komen, samengevat, op het volgende neer. De afnemer heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met een medewerker van NBG Finance. Daarbij is besproken dat de afnemer (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen de afnemer daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is de afnemer door de medewerker van NBG Finance geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de NBG Finance medewerker geschikt voor de situatie van de afnemer. De afnemer heeft op het advies van de medewerker van NBG Finance vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. De medewerker van NBG Finance heeft het aanvraagformulier voor de afnemer verzorgd. De effectenovereenkomst is later aan de afnemer ter ondertekening voorgelegd en vervolgens is de afnemer de overeenkomst aangegaan, aldus de afnemer. De aldus jegens de afnemer gevolgde handelwijze stemt volgens de afnemer overeen met de gebruikelijke werkwijze van NBG Finance, waartoe de afnemer heeft verwezen naar de producties die hierna zijn weergegeven.
4.10.
Tijdens het voorlopige getuigenverhoor hebben de afnemer en zijn echtgenote, samengevat, opnieuw verklaard dat de medewerker van NBG Finance, [persoon H] , de afnemer een op zijn wens en financiële situatie afgestemd product heeft aanbevolen.
4.11.
Dexia heeft de stellingen van de afnemer slechts in algemene zin betwist. Volgens haar volgt uit diverse door haar overgelegde producties dan wel verklaringen dat de werkwijze van NBG Finance veelvuldig was beperkt tot het doen van algemene aanprijzingen. Dexia heeft voorts naar aanleiding van de getuigenverklaringen van de afnemer en zijn echtgenote aangevoerd dat zij een onjuiste herinnering hebben aan ten behoeve van welke overeenkomst de hypotheek is verhoogd en dat zij geen verklaring hebben gegeven waarom de eerste overeenkomst is beëindigd en er vervolgens een tweede overeenkomst voor een geringere hoofdsom is gesloten. Dit brengt volgens Dexia mee dat de verklaringen van de afnemer en zijn echtgenote over de feitelijke gang van zaken tijdens de gesprekken met de medewerker van NBG Finance met wantrouwen moeten worden bekeken.
4.12.
Voorop staat dat de door de afnemer geschetste betrokkenheid van NBG Finance bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, indien deze komt vast te staan, in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022 moet worden gekwalificeerd als advisering. Het hof verwerpt daarmee het verweer van Dexia, zoals zij dat onder meer in de memorie van grieven onder verwijzing naar de door haar overgelegde opinie heeft gevoerd, dat de door de afnemer gestelde betrokkenheid niet als advisering in de zin van artikel 41 Nadere Regeling 1999 kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof volgt uit de door de afnemer overgelegde producties, zoals die hierna zijn weergegeven, voldoende dat NBG Finance een gebruikelijke werkwijze had die aansluit bij de concrete stellingen van de afnemer over hoe NBG Finance in zijn geval heeft gehandeld. De getuigenverklaring van [persoon H] over zijn gebruikelijke werkwijze sluit hierbij aan. Ook de getuigenverklaring van [persoon A] over de vaste werkwijze van medewerkers van NBG sluit daarbij aan. Weliswaar verklaart [persoon A] later tijdens het verhoor genuanceerder over de werkwijze, maar ook dan verklaart hij dat op basis van de wensen van de klant een of meer producten aan de klant werden voorgehouden. Daarmee heeft de afnemer zijn stelling dat er is geadviseerd voldoende gemotiveerd onderbouwd. Het had op de weg van Dexia gelegen om concreet te stellen en toe te lichten dat en op welke wijze in onderhavig geval is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze. Het in algemene bewoordingen geformuleerde verweer dat NBG Finance zich in veel zaken onthield van het geven van advies, is daartoe onvoldoende. Hetgeen Dexia in haar pleitaantekeningen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen van de afnemer en zijn echtgenote heeft aangevoerd geldt niet als een voldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van de afnemer over de feitelijke gang van zaken en biedt het hof, gelet op voormelde getuigenverklaringen van de heren [persoon H] en [persoon A] en de door de afnemer overgelegde producties, zoals die hierna zijn weergegeven, ook geen aanleiding de juistheid ervan te betwijfelen. Voor zover Dexia in haar pleitnota nog aandacht vestigt op de passage uit de getuigenverklaring van [persoon A] dat het ook gebeurde dat klanten actief om effectenlease vroegen, gaat zij er ten onrechte aan voorbij dat die passage Dexia niet kan baten. Immers, uit de getuigenverklaringen van de afnemer, zijn echtgenote en [persoon H] volgt dat die situatie zich in dit geval niet voordeed.
Ook de stelling van Dexia dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, wordt door het hof verworpen. Zoals hierna wordt overwogen, was Dexia er destijds mee bekend dat NBG Finance standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die NBG Finance als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 Nadere Regeling 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij NBG Finance wat de aard van de betrokkenheid van NBG Finance was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de effectenleaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden omdat deze zich wel degelijk in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek kennelijk niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu kennelijk niet meer in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat er in onderhavige zaak geen advies is verleend, komen voor risico van Dexia.
Bovendien heeft Dexia niet uitgelegd op basis waarvan zij in haar memorandum van 26 maart 2007 (zie citaten hierna) tot de conclusie is gekomen dat de werkzaamheden van tussenpersonen zelden beperkt zijn gebleven tot het aanbrengen van een klant, maar dat doorgaans daarnaast sprake is geweest van het geven van beleggingsadvies. Evenmin heeft zij uitgelegd hoe deze conclusie – en het onderzoek dat daaraan kennelijk vooraf is gegaan – zich verdraagt met haar stelling dat het voor haar niet mogelijk is na te gaan in welke gevallen wel of niet is geadviseerd. Uit het memorandum volgt niet, zoals Dexia stelt, dat slechts is verondersteld dat door tussenpersonen beleggingsadviezen zijn gegeven. Naar aanleiding van het betoog van Dexia in haar pleitaantekeningen dat de webpagina van NBG waar de afnemer zich ter onderbouwing van zijn stellingen op beroept niet van 23 oktober 1999, vóór het sluiten van de onderhavige overeenkomst, dateert, overweegt het hof het volgende. Dexia heeft niet gemotiveerd van welke datum die webpagina dan wel dateert. Dat was in het kader van de weerspreking van de stellingen van de afnemer wel van Dexia te vergen nu het haar eigen webpagina betreft waarop gegevens staan die zich in haar domein bevinden. Nu Dexia dit niet heeft gedaan verwerpt het hof het betoog van Dexia. Dexia heeft dan ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat de afnemer voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van die overeenkomst heeft gekregen van NBG Finance in de uitoefening van haar bedrijf. Dit neemt het hof dan ook als vaststaand aan. Dit betekent dat de afnemer de effectenleaseovereenkomst is aangegaan na advies door NBG Finance die daarbij de reikwijdte van haar vrijstelling van de vergunningplicht heeft overschreden. Het hof ziet voor bovenstaand oordeel een bevestiging in de arresten van de Hoge Raad van 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715 en ECLI:NL:HR:2024:716 (beide afgedaan met 81 RO).
4.13.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Dexia bij het sluiten van de effectenleaseovereenkomst wist dat sprake was van deze advisering door NBG Finance of dit behoorde te weten. Volgens de afnemer dient de vraag bevestigend te worden beantwoord. Er was volgens de afnemer sprake van een nauwe samenwerking tussen Dexia en NBG Finance. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de afnemer onder meer verwezen naar de volgende producties.
a. a) De toenmalige website van NBG Finance waar over de werkwijze van NBG Finance onder meer vermeld stond:
“
Werkwijze
Ieder mens is uniek. Een goed doordacht financieel advies behoort daarom altijd persoonlijk maatwerk te zijn. Met die gedachte werd NBG Finance opgericht.
Persoonlijk contact
Een goed Financieel Plan begint al bij het maken van een afspraak voor een kennismakingsgesprek met uw persoonlijk financieel adviseur. Tijdens dit eerste gesprek brengen we zorgvuldig uw huidige financiële situatie in kaart. Ook voor ogenschijnlijk eenvoudige onderwerpen is dit belangrijk omdat bij financiële zaken doorgaans uiteenlopende belangen verstrengeld zijn. Goed luisteren is daarom belangrijk in onze werkwijze. Wat zijn uw wensen? Welk doel wilt u bereiken? En waarom? De antwoorden hierop inventariseren we volgens een zorgvuldige methode.
Advies op maat
Afhankelijk van uw doelstellingen stellen we een advies op maat samen. Hierin staat het door u gekozen product centraal. Of het nu een Hypotheekadvies, een Pensioenadvies of een ander Financieel advies betreft, ieder advies wordt gebaseerd op uw persoonlijke situatie en toekomstwensen. (…)
Service en gemak
Zodra het advies tot in detail akkoord is, zorgen wij ervoor dat het ook tot in detail wordt uitgevoerd. Zelf heeft u er nauwelijks omkijken naar. (…) Om u volledig van dienst te zijn, regelen wij eventuele afspraken met een makelaar, notaris en/of andere specialisten. (…).”
“Het proces van Financiële Planning
(…)
Inventarisatie van uw persoonlijke omstandigheden
Hierbij wordt een analyse gemaakt van uw huidige situatie. De aspecten die aan bod komen zijn: huidige financiële situatie, de huidige gezinssituatie en de relevante wettelijke regelingen.
Inventarisatie van uw persoonlijke wensen
Hierbij besteden we veel aandacht aan uw persoonlijke doelstellingen op het gebied van: Wonen, besteedbaar inkomen, bescherming tegen financiële risico’s, eerder stoppen met werken, studerende kinderen, een jaar er tussenuit of andere (financiële) wensen die u heeft.
Voorbereiden van het Financieel Plan
Op kantoor schrijft de Financieel Planner van NBG Finance uw Financieel Plan. (…) Na een zorgvuldige kwaliteitscontrole legt de Financieel Planner het plan aan u voor.
Keuze van de juiste financiële producten
Na uw goedkeuring van het Financieel Plan vult de Financieel Planner van NBG finance het plan verder in met financiële producten. (…)”
b) Een schriftelijke verklaring van een voormalig werknemer van NBG Finance, [persoon D] :
“(…) Van september 1996 tot en met januari 2015 was ik in dienst van NBG Finance als financieel adviseur. Over de werkwijze ten aanzien van de aandelenlease-producten van Labouchere (tegenwoordig Dexia) en Aegon verklaar ik dat wij deze producten middels persoonlijke advisering afsloten. In een persoonlijk gesprek werd de persoonlijke (financiële) situatie en de wensen van de klant in kaart gebracht. Vervolgens werd een aandelenlease-contract geadviseerd dat geschikt werd geacht voor de persoonlijke situatie. Aandelenlease werd geadviseerd voor verschillende doelstellingen zoals opbouw van een pensioen, aflossen van de hypotheek en studie van de kinderen. Een veel voorkomend advies was om de overwaarde op de eigen woning op te nemen middels een hypotheeklening en dit bedrag als vooruitbetaling te investeren in een aandelenlease-product van Labouchere of Aegon. Het advies werd vaak in een persoonlijk financieel plan schriftelijk vastgelegd.
Bovengenoemde werkwijze was gebruikelijk voor alle adviseurs van NBG Finance.”
c) Een e-mailbericht van [persoon A] , algemeen directeur NBG Finance, van 11 november 2015:
“Labouchere onderhield intensief contacten met NBG. Eerst via [persoon B] en later (nadat [persoon B] directeur werd bij Labouchere) vooral via [persoon C] . Zowel [persoon B] als [persoon C] gaven op regelmatige basis (minstens 6 keer per jaar) presentaties aan onze hypotheekadviseurs. In deze presentaties werd de werking van de software van Labouchere uitgelegd en uitdrukkelijk gewezen op de voordelen van beleggen met geleend geld in het Labouchere product.”
“Zowel [persoon B] als [persoon C] wisten dat het merendeel van de klanten die via remissiers (waaronder NBG) aangebracht werden, belegden met de overwaarde van hun woning (…).”
“NBG gebruikte in alle gevallen de software en instructies van Labouchere mbt informatieverstrekking aan de klant.”
d) Het jaarverslag 1997 van Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van Dexia:
“Onder de naam Bank Labouchere worden ook leaseproducten ontwikkeld voor distributie via onafhankelijke intermediairs. Deze producten zijn gericht op spaarders en beleggers die behoefte hebben aan een persoonlijk advies door een onafhankelijk intermediair. Dit voorziet in een duidelijke behoefte.”
e) De volgende tekst van de websites van Dexia in de periode van april 2000 tot en met augustus 2003:
“
Labouchere Beleggingsproducten
Met de effectenleaseproducten van Labouchere Beleggingsproducten is het voor iedereen mogelijk kansrijk te beleggen. Ze zijn bestemd voor particulieren die op basis van hun financiële situatie deskundig advies van gespecialiseerde onafhankelijke financiële adviseurs wensen.”
“De producten worden uitsluitend aangeboden via onafhankelijke, gespecialiseerde financiële adviseurs in ons land. Hun kwaliteit en kennis van zaken garandeert hun cliënten een met zorg omkleed, persoonlijk advies. Door training en begeleiding van de financiële adviseurs houden de accountmanagers van Labouchere Beleggingsproducten hen uitvoerig op de hoogte van de ver-schillende producten.”
“Bank Labouchere Beleggingsproducten heeft een slagvaardige reputatie als het gaat om het ontwikkelen van innovatieve en creatieve beleggingsproducten. Onderdeel daarvan zijn de effectenleaseproducten, waarmee wij marktleider zijn. Deze bieden wij u aan via gespecialiseerde, onafhankelijke financieel adviseurs. De zorgvuldig geselecteerde financieel intermediairs kunnen u in deze fiscaal ingewikkelde tijden deskundig begeleiden bij de snelle en efficiënte opbouw van een aantrekkelijk kapitaal. De financieel intermediairs van Bank Labouchere Beleggingsproducten worden continue getraind, ondersteund en op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen en producten.”
f) Een memorandum, opgesteld door Dexia, waarin onder meer het volgende staat:
“1.5 Tussenpersonen kwalificeerden onder de werking van de toenmalige Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 (‘Wte’) als cliëntenremisiers. De werkzaamheden van de tussenpersonen zijn zelden beperkt gebleven tot de werkzaamheden van een cliëntenremisier in strikte zin, namelijk tot het aanbrengen van een cliënt bij een effecteninstelling. Doorgaans is er daarnaast sprake geweest van het geven van beleggingsadvies. (…)”
En in 5.1 van bedoeld memorandum:
“Hierboven is aan de orde geweest dat tussenpersonen die hebben bemiddeld terzake van effectenleaseproducten in de praktijk doorgaans ook hebben gefungeerd als beleggingsadviseur van de desbetreffende lessee. (…)”
4.14.
Dexia heeft opgemerkt dat de hiervoor onder a genoemde tekst van de toenmalig website van NBG Finance slechts getuigt van de ambities van NBG Finance, niet van de realiteit. Dexia heeft echter niet, althans onvoldoende, gemotiveerd betwist dat de tekst van de website de algemene werkwijze van NBG Finance ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst correct weergeeft. Daaraan doet niet af dat de werkwijze niet in alle gevallen steeds gevolgd is zoals op de website beschreven.
4.15.
Met betrekking tot het e-mailbericht van de algemeen directeur van NBG Finance heeft Dexia aangevoerd dat de herkomst van deze verklaring, een onderhands document, niet valt vast te stellen, laat staan dat duidelijk is hoe deze “verklaring” tot stand is gekomen. Deze betwisting heeft Dexia naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende gemotiveerd. Dexia legt niet uit waarom het voor haar bijvoorbeeld niet mogelijk is geweest om deze persoon te vragen of het klopt dat hij deze “verklaring” heeft afgelegd. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat deze “verklaring” van [persoon A] afkomstig is. Verder zegt de verklaring van [persoon D] volgens Dexia niets over de vraag of in het onderhavige geval aan de afnemer een vergunningplichtig advies is gegeven.
Als reactie op het e-mailbericht van de algemeen directeur van NBG Finance heeft Dexia nog aangevoerd dat niet duidelijk is waarop de antwoorden in dit bericht zien nu de vraagstelling geen onderdeel uitmaakt van de overgelegde productie, dat in dit bericht niet staat dat NBG Finance geregeld beleggingsadvies gaf en evenmin dat Dexia daarmee bekend zou zijn geweest.
Dexia heeft de inhoud van de hiervoor onder b, en c genoemde producties als zodanig evenwel niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Uit de producties komt het beeld naar voren, zoals de afnemer heeft aangevoerd, dat het geven van gespecialiseerde adviezen onderdeel uitmaakte van de bedrijfsopzet en vaste werkwijze van NBG Finance. Ook heeft Dexia niet betwist dat de website van NBG Finance haar bekend was of kon zijn. Evenmin is bestreden dat (de rechtsvoorgangster van) Dexia intensieve contacten onderhield met NBG Finance, noch dat NBG Finance instructies van Labouchere/Dexia gebruikte teneinde deze in staat te stellen te adviseren over de producten van Labouchere/Dexia. Dexia betoogt in haar pleitaantekeningen dat [persoon A] is teruggekomen van zijn verklaring dat Dexia weet had van de omstandigheid dat NBG Finance haar klanten adviseerde. [persoon A] verklaart weliswaar dat hij nu niet meer precies weet of hij met [persoon B] heeft besproken dat de geschiktheid van een beleggingsproduct met de klant werd besproken, maar hij heeft geen afstand genomen van zijn hiervoor onder c vermelde verklaring. Het hof kent daarom onverkort aan die verklaring betekenis toe.
4.16.
Dexia heeft de inhoud van de hiervoor onder d tot en met f genoemde citaten niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij merkt met betrekking tot de (hiervoor onder e genoemde) teksten die in de maanden april 2000 tot en met augustus 2003 op de website van Dexia hebben gestaan, enkel op dat het gaat om ronkende reclameteksten, die kennelijk niet door de juridische afdeling zijn getoetst. Ook de betekenis van de (hiervoor onder d genoemde) tekst van het jaarverslag van Dexia over 1997 is volgens haar verwaarloosbaar, omdat dit dient ter informatie van de kapitaalverschaffers en niet is gericht op de afnemers van de producten. Ten aanzien van het hiervoor onder f genoemde memorandum merkt Dexia nog op dat het dateert uit 2007, terwijl alleen relevant is wat Dexia ten tijde van het sluiten van de overeenkomst wist of moest weten, zodat dit stuk volgens Dexia ook niet van belang is.
Naar het oordeel van het hof kan het memorandum uit 2007 worden gelezen in het licht van de pagina’s uit het jaarverslag over het jaar 1997, waarin uitdrukkelijk staat dat de leaseproducten van Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van Dexia, zelfs specifiek waren ontwikkeld voor distributie via onafhankelijke intermediairs en zijn gericht op spaarders en beleggers die behoefte hebben aan persoonlijk advies door een onafhankelijke intermediair, hetwelk voorziet in een duidelijke behoefte. Dat sluit ook aan bij de tekst die Dexia toentertijd op haar website publiceerde.
4.17.
Dexia heeft verwezen naar een getuigenverklaring van B.T.A. [persoon I] , voormalig medewerker van een franchisenemer van Spaar Select, van 5 september 2018. Dexia heeft daarnaast verwezen naar getuigenverklaringen van [persoon E] , [persoon F] , [persoon G] en [persoon C] . Uit de getuigenverklaring van [persoon I] die Dexia heeft overgelegd, leidt het hof niet af dat in de klantgesprekken die deze medewerker voerde niet werd geadviseerd. In elk geval is een enkele verklaring van een medewerker van (een franchisenemer van) Spaar Select van onvoldoende gewicht om af te doen aan hetgeen volgt uit de inhoud van de hiervoor onder 4.13 aangehaalde citaten over de gebruikelijke werkwijze van NBG Finance. De overige getuigenverklaringen waarnaar Dexia verwijst, leggen in dit verband eveneens te weinig gewicht in de schaal, en hebben bovendien niet specifiek betrekking op NBG Finance.
4.18.
Dexia verwijst voorts naar verklaringen en brieven van afnemers ter onderbouwing van haar stelling dat effectenleaseovereenkomsten op verschillende wijze werden afgesloten door tussenpersonen, en ter onderbouwing van haar betwisting dat NBG Finance een vaste werkwijze had waarbij zij klanten adviseerde. Uit deze verklaringen en brieven, voor zover Dexia in de processtukken daarnaar verwijst, volgt niet dat deze betrekking hebben op NBG Finance. Bovendien doet de omstandigheid dat in bepaalde gevallen mogelijk niet door NBG Finance zou zijn geadviseerd er niet aan af dat uit bovengenoemde citaten onder 4.13. volgt dat dit wel de gebruikelijke werkwijze was van NBG Finance, althans dat zij dit op grote schaal deed, en dat Dexia daarmee bekend was.
4.19.
Alles overziend, komt het hof in deze zaak tot het volgende oordeel. Dexia was ermee bekend dat in het kader van de gebruikelijke werkwijze van NBG Finance advies werd verleend aan potentiële klanten. Gezien die gebruikelijke werkwijze had het op de weg van Dexia gelegen, zoals hiervoor is overwogen, om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij NBG Finance om te beoordelen of er al dan niet was geadviseerd. Indien Dexia al niet wist dat de afnemer door NBG Finance was geadviseerd, dan had zij dus behoren te weten dat NBG Finance de afnemer had geadviseerd, in de zin dat deze een gepersonaliseerde aanbeveling had gekregen van NBG Finance tot het aangaan van de effectenleaseovereenkomst. Voor bewijslevering op dit punt is dan ook geen plaats.
4.20.
Gelet op het voorgaande heeft Dexia bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst met de afnemer in strijd gehandeld met artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999. Het hof ziet voorgaande overwegingen en conclusies bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:882 (Dexia/T.) en ECLI:NL:HR:2023:885 (Dexia/S)) en de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad van 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715 en ECLI:NL:HR:2024:716 (beide afgedaan met 81 RO). In dit geval eist de billijkheid daarom dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, voor zowel de (eventuele) restschuld van de afnemer als voor de door deze betaalde rente, aflossing en kosten. Het beroep op eigen schuld gaat dan ook niet op. De grieven 1en 2 falen.
Uit het voorgaande volgt dat als gevolg van de onvoldoende gemotiveerde betwisting door Dexia van de stellingen van de afnemer voor (tegen)bewijslevering, anders dan Dexia in randnummer 59 van haar memorie van grieven betoogt, geen plaats is.
4.21.
Voor het overige heeft Dexia geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat haar algemene bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt verworpen.
Conclusie en proceskosten
4.22.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia falen en/of niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen.
4.23.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten aan de zijde van de afnemer worden begroot op € 343,-- aan griffierecht en op (3 punten (1 punt memorie van antwoord, 0,5 punt pleitaantekeningen t.b.v. de mondelinge behandeling, 1,5 punten getuigenverhoor en voorzetting getuigenverhoor) x tarief II € 1.214,--) € 3.642,-- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals door de afnemer gevorderd.
4.24.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Daarom zal het hof de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden (ECLI:NL:HR:2022:853).
5De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de afnemer op € 343,-- aan griffierecht en op € 3.642,-- voor salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;
verklaart de veroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, E.A.M. van Oorschot en F.C. Alink-Steinberg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2025.
griffier rolraadsheer