Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3254
2025-11-11
Civiel recht; Arbeidsrecht
200.337.538_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2025:3254 → ECLI:NL:RBZWB:2023:9369
Inhoudsindicatie
Zijn partijen een relatiebeding overeengekomen? Onderhandse akte in de zin van art. 156 Rv. Betwisting echtheid onderhandse akte. Verdeling bewijslast conform de hoofdregel. Tegenbewijs staat open tegen de voorshands bewezen stelling.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2019:641 Hoge Raad 19-04-2019
- ECLI:NL:HR:2000:AA4278 Hoge Raad 14-01-2000
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.268 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.337.538/01
arrest van 11 november 2025
in de zaak van
ZLH B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als ZLH,
advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.J. Klingeman te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 maart 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 9942182 \ CV EXPL 22-1883 gewezen vonnis van 13 december 2023.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 26 maart 2024 waarbij het hof een mondeling behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van mondeling behandeling na aanbrengen van 5 juni 2024;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties en wijziging van eis;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens antwoord wijziging van eis met productie;
de akte wijziging van eis (vermindering en vermeerdering) van de zijde van [geïntimeerde] ;
de bij H12 formulier van 15 augustus 2025 door de advocaat van ZLH overgelegde akte overlegging productie (3);
de bij H12 formulier van 18 augustus 2025 door de advocaat van [geïntimeerde] overgelegde akte houdende overlegging producties (48 tot en met 52);
de mondeling behandeling, waarbij partijen spreeknotities hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg
6De beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
ZLH is een onderneming met als activiteiten hypotheek- en kredietbemiddeling. ZLH behoorde tot de [xx] Groep. Bestuurder van ZLH is [persoon A] . [persoon B] is zijn broer. Hij was commercieel directeur van [xx] Groep.
6.1.2.
[geïntimeerde] was vanaf 2004 werkzaam als hypotheekadviseur bij [zz] Assurantiën v.o.f. te [A] . Met ingang van 24 februari 2014 is [geïntimeerde] op freelance basis gaan werken als hypotheekadviseur voor [xx] B.V. (eveneens onderdeel van de [xx] Groep).
6.1.3.
Per 1 december 2017 is [geïntimeerde] als hypotheekadviseur in loondienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) ZLH in de functie van hypotheekadviseur.
6.1.4.
Op 28 december 2017 (14:32) heeft [persoon C] , destijds belast met HRM bij [xx] , aan [persoon B] en [persoon D] , destijds mede-aandeelhouder geschreven:
Vanochtend vond ik in loket.nl inderdaad de gegevens van [geïntimeerde] (hof: [geïntimeerde] ) waar staat dat hij per 01-12-2017 in dienst is gegaan bij ZH. Heeft hij hiervoor een arbeidsovereenkomst ondertekend? Ik heb deze niet opgesteld. Mocht dit niet zijn gebeurd, dan zal dat nog wel moeten plaatsvinden.
Bij deze ook het verzoek voortaan informatie mbt arbeidscontracten iig ook via mij te laten lopen. Hetzelfde geldt
voor het vullen van loket. Als dit een vrij toegankelijke applicatie wordt, zijn gegevens niet meer te checken. Ik heb [geïntimeerde] namelijk niet toegevoegd in loket.
6.1.5.
Bij de stukken bevindt zich een schermafbeelding van genoemd loket (WerknemerLoket) waarin is opgenomen dat [geïntimeerde] per 1 december 2017 in dienst is getreden voor bepaalde tijd tot en met 30 mei 2018.
6.1.6.
Bij mail van 28 december 2017 (15.35 uur) heeft [persoon B] aan [persoon D] en [geïntimeerde] het verzoek gedaan de bijgevoegde arbeidsovereenkomst op korte termijn te ondertekenen. In de bijgevoegde arbeidsovereenkomst is [xx] Hypotheken B.V. werkgever. De arbeidsovereenkomst is gedateerd op 1 december 2017 en is gesloten voor bepaalde tijd. Er is geen relatiebeding opgenomen. Van deze versie heeft ZLH ook een door [geïntimeerde] ondertekend exemplaar. Aan de onderzijde staat: 1 december 2017. Dit door [geïntimeerde] ondertekende exemplaar is op 3 januari 2018 door [persoon B] naar [persoon D] en [persoon C] gestuurd met het verzoek dit exemplaar te ondertekenen en daarna naar [persoon C] te sturen. In de aanhef van die mail staat: “FW: Ingescand document van Xerox”.
6.1.7.
Op 29 oktober 2020 heeft [geïntimeerde] zijn arbeidsovereenkomst met ZLH opgezegd per
1 januari 2021, omdat hij (weer) een eigen financieel advieskantoor wilde starten.
6.1.8.
Op 30 oktober 2020 heeft ZLH aan [geïntimeerde] per sms foto’s gestuurd van (delen van) bepalingen van een arbeidsovereenkomst. De foto’s betreffen (delen van) beelden op een computerscherm. Op één daarvan staat de tekst: artikel 11 Relatiebeding en op een andere foto is een stukje van een (vage) handtekening te zien. Aan de onderzijde staat 21 november 2017 (het getal 21 staat rechts).
6.1.9.
Op 3 februari 2021 heeft ZLH per email een digitaal exemplaar van een ondertekende arbeidsovereenkomst aan [geïntimeerde] gestuurd. Dit exemplaar wijkt af van het exemplaar waarvan per sms foto’s zijn gezonden. De overeenkomst is gesloten met [YY] Finance Groep als werkgever en vangt aan op 1 december 2017. De overeenkomst is gesloten voor onbepaalde tijd. Er wordt geen proeftijd afgesproken. In artikel 11 staat een relatiebeding. Aan de onderzijde staat: “21 november 2017” (het getal 21 staat links).
6.1.10.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of een relatiebeding is overeengekomen tussen [geïntimeerde] als werknemer en ZLH als werkgever. In dat kader schreef [persoon B] namens ZLH op 13 januari 2021 aan [geïntimeerde] :
De situatie met jou en [xx]
Ook hier is de feitelijke situatie klip en klaar. Ook hier verduidelijk ik graag:
Jij bent (meerdere malen) een relatiebeding met [xx] overeengekomen. Dat dit nu niet uitkomt, is in essentie 0,00 relevant
Je hebt dit beding inmiddels al diverse malen overtreden.
6.1.11.
Op 3 februari 2021 heeft (de raadsman van) ZLH geschreven dat is gebleken dat [geïntimeerde] willens en wetens in strijd handelt met het beding en daarvoor een boete van € 2.500,- per dag heeft verbeurd.
6.1.12.
Op 4 juni 2021 zijn de activa van de [xx] Groep waarvan ZLH deel uitmaakt overgenomen door een derde partij.
6.1.13.
Bij beschikking van 22 september 2021 is op verzoek van [geïntimeerde] in de zaak tussen hem en ZLH en [xx] Groep B.V. een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Gehoord zijn vervolgens als getuigen [persoon D] en [persoon C] .
De procedure bij de kantonrechter
6.2.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg ZLH en [persoon B] (tezamen aangeduid als [xx] c.s.) gedagvaard. Hij heeft gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] jegens ZLH niet gebonden is aan enig concurrentie- en/of relatiebeding, en/of boetebeding, of enig ander voor hem beperkend beding;
2. voor recht verklaart dat [xx] c.s. met het hiervoor beschreven handelen onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en voor wat betreft ZLH specifiek, zij zich ook in strijd met de norm van goed werkgeverschap heeft gedragen, als gevolg waarvan [xx] c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] als gevolg van dit - onrechtmatig - handelen geleden en nog te lijden schade;
3. [xx] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade ad in totaal € 362.769,53, althans [xx] c.s. veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, welke schadevergoeding zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 dan wel vanaf de dag der dagvaarding;
4. Subsidiair - voor zover de volledige juridische kosten van [geïntimeerde] niet worden toegewezen - [xx] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [geïntimeerde] een bedrag van € 925,- ter zake buitengerechtelijke kosten;
5. [xx] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
6.2.2.
[geïntimeerde] heeft, kort gezegd, aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat ZLH en [persoon B] onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] te houden aan een niet-overeengekomen relatiebeding in een vervalste arbeidsovereenkomst. Daardoor heeft [geïntimeerde] schade geleden.
6.2.3.
ZLH en [persoon B] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.2.4.
In het tussenvonnis van 5 oktober 2022 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling is gehouden op 29 maart 2023.
6.2.5.
In het tussenvonnis van 19 juli 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vorderingen tegen [persoon B] niet toewijsbaar zijn. De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat de stelplicht en bewijslast van de valsheid van (met name) de handtekening van [geïntimeerde] op voormelde overeenkomst van 21 november 2017 op [geïntimeerde] rusten. Immers, [geïntimeerde] stelt een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad in, zo overwoog de kantonrechter. Gezien artikel 150 Rv rusten op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat ZLH onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Hiertoe behoort ook het door [geïntimeerde] gestelde feit dat (zijn handtekening op) de overeenkomst van 21 november 2017 vals is, aldus de kantonrechter. De kantonrechter heeft vervolgens aanleiding gezien een deskundige te benoemen en hem te vragen:
Met welke mate van zekerheid kunt u vaststellen dat de handtekening boven de naam [geïntimeerde] op de als productie 5 bij dagvaarding (en productie 3 bij conclusie van antwoord) overgelegde arbeidsovereenkomst vals is, in die zin dat [geïntimeerde] die handtekening niet met een pen op het betreffende stuk heeft gezet?
6.2.6.
[geïntimeerde] heeft daarop bij akte na tussenvonnis een (aanvullend, bij dagvaarding had [geïntimeerde] reeds een rapport gedateerd 23 maart 2021 in het geding gebracht) rapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau van 2 mei 2023 van de handschriftdeskundige [persoon E] (geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen) in het geding gebracht. ZLH heeft hier bij akte bezwaar tegen gemaakt.
6.2.7.
In het tussenvonnis van 6 september 2023 heeft de kantonrechter vervolgens ZLH in de gelegenheid gesteld te reageren op de akte en de daarbij ingediende aanvullende productie van [geïntimeerde] . ZLH heeft vervolgens een akte na tussenvonnis genomen.
6.2.8.
Bij eindvonnis van 13 december 2023 heeft de kantonrechter overwogen dat voldoende vaststaat dat de handtekening van [geïntimeerde] op de arbeidsovereenkomst van
21 november 2017 (productie 5 bij dagvaarding) vals is. Zij heeft de vordering van [geïntimeerde] om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens ZLH niet gebonden is aan enig concurrentie- en/of relatiebeding, en/of boetebeding, of enig ander voor hem beperkend beding toegewezen. Voorts heeft zij voor recht verklaard dat ZLH jegens [geïntimeerde] onrechtmatig en in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld door [geïntimeerde] tegen beter weten in te houden aan een relatiebeding in een arbeidsovereenkomst met daarop een valse handtekening van [geïntimeerde] , als gevolg waarvan ZLH aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] als gevolg van dit handelen geleden en nog te lijden schade. ZLH is veroordeeld tot vergoeding van door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van voormeld onrechtmatige handelen van ZLH, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. ZLH is ook veroordeeld in de kosten van de procedure tussen [geïntimeerde] en ZLH, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.474,07, daarin begrepen een bedrag van € 2.647,50 als salaris voor de gemachtigde van [geïntimeerde] . De vorderingen van [geïntimeerde] op [persoon B] zijn afgewezen en [geïntimeerde] is veroordeeld in de kosten van de procedure tussen [geïntimeerde] en [persoon B] .
De procedure in hoger beroep
6.3.1.
ZLH heeft in principaal hoger beroep negen grieven aangevoerd. ZLH heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis van 13 december 2023 en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
6.3.2.
In principaal hoger beroep heeft [geïntimeerde] gevorderd het eindvonnis van
13 december 2023 te bekrachtigen voor zover daartegen principaal hoger beroep is ingesteld. In incidenteel hoger beroep heeft hij één grief gericht tegen het vonnis. Tevens heeft [geïntimeerde] zijn eis gewijzigd. [geïntimeerde] heeft, na bij akte andermaal zijn eis te hebben gewijzigd, gevorderd dat het hof het eindvonnis van 13 december 2023 vernietigt doch slechts voor zover daartegen incidenteel appel is ingesteld en de navolgende bedragen toewijst:
- aan expertisekosten ter zake het NFO een bedrag van € 2.102,38,
- aan zelf bestede tijd door [geïntimeerde] een bedrag van € 6.850,-,
- aan kosten gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid ter zake de ingeschakelde
deskundige [persoon G] een bedrag van € 11.859,21,
aan advocaatkosten gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid ter zake het getuigenverhoor een bedrag van € 15.151,99,
aan advocaatkosten in het kader van een volledige proceskostenveroordeling een bedrag van € 82.488,76,
het voorgaande te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het moment waarop de onderliggende facturen door [geïntimeerde] zijn voldaan respectievelijk waarop de door [geïntimeerde] gemaakte uren waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn gemaakt.Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het hof toewijst:
aan (overige) vermogensschade te weten hypotheekschade een bedrag van € 121.565,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het hof vaststelt dat de betreffende schade is geleden, doch in ieder geval vanaf 1 januari 2022 (voor het schadejaar 2021) respectievelijk 1 januari 2023 (voor het schadejaar 2022),
aan (overige) vermogensschade te weten provisieschade een bedrag van € 118.901,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het hof vaststelt dat de betreffende schade is geleden, zulks in goede justitie vast te stellen door het hof.
Voor zover het hof één of meerdere van de hiervoor gevorderde posten verwijst naar
de schadestaat, vordert [geïntimeerde] ZLH te veroordelen om tot betaling aan [geïntimeerde] over te gaan van een voorschot op die schadevergoeding van € 100.000,-, met veroordeling van ZLH in de kosten in principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente.
6.3.3.
ZLH heeft bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde eis, nu volgens haar ineens een hele andere grondslag en wijze van berekenen is gekozen dan in eerste aanleg. Uit het in verband daarmee gestelde blijkt evenwel dat het bezwaar betrekking heeft op de inhoud van de gewijzigde eis, en geen processueel bezwaar betreft tegen de wijziging van eis in de zin van artikel 130 Rv. Nu overigens niet is toegelicht dat door de wijziging van eis de procedure onredelijk zou worden vertraagd dan wel de verdediging onredelijk zou worden bemoeilijkt (ZLH heeft op de schadeberekening gereageerd middels een tegenrapport), is het bezwaar ongegrond. Het hof zal recht doen op deze gewijzigde eis.
De omvang van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep
6.4.
De grieven 1 tot en met 4 van ZLH zien op de procedurele gang van zaken. ZHL heeft daarbij ook grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis, dat daarmee in dit hoger beroep is betrokken. Met de grieven 5 tot en met 7 komt ZLH op tegen de overwegingen en het oordeel van de kantonrechter dat is bewezen dat de handtekening van [geïntimeerde] op de arbeidsovereenkomst vals is. De grieven 8 en 9 zien op het oordeel dat ZLH onrechtmatig heeft gehandeld en dat [geïntimeerde] hierdoor schade heeft geleden.
6.5.
De kern van het geschil betreft de vraag of de arbeidsovereenkomst waarop ZLH zich beroept, de overeenkomst is die door [geïntimeerde] is ondertekend. Het geschilpunt betreft niet zozeer de echtheid van de ondertekening, maar de echtheid van enig ander onderdeel van de onderhandse akte. [geïntimeerde] voert immers, onder overlegging van rapportages van deskundigen aan, dat zijn handtekening met ‘knip- en plakwerk’/ fotoshoppen is aangebracht op het betwiste document. [geïntimeerde] heeft zich (zo nodig) op het standpunt gesteld dat de kantonrechter de bewijslastverdeling onjuist heeft toegepast en daartegen een grief gericht. Anders dan [geïntimeerde] aanvoert wordt dit geschilpunt echter niet bestreken door artikel 159 lid 2 Rv. Het hof overweegt over de bewijslastverdeling het volgende.
Onderhandse akte, verdeling bewijslast en bewijs
6.6.
De arbeidsovereenkomst gedateerd 21 november 2017 (productie 5 bij dagvaarding) waarop ZLH zich beroept is een onderhandse akte, nu het een geschrift is dat is ondertekend en dat bestemd is om tot bewijs te dienen. In het arrest Egelinck BV/X (HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:641) is herhaald dat de partij die zich erop beroept dat de akte vals is, dat wil zeggen als betwist wordt dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd, overeenkomt met het stuk dat is ondertekend, ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast daarvan heeft.
6.7.
In een overweging ten overvloede (r.o. 3.4.4.) heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat de rechter op grond van vaststaande feiten, zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte, of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept, met betrekking tot de totstandkoming van de tekst, tot het oordeel kan komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat die tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst. Daarbij is de rechter niet beperkt tot omstandigheden of stellingen die de totstandkoming van de tekst betreffen, maar mag de rechter alle omstandigheden betrekken die hij van belang vindt; de rechter heeft bij de beoordeling van de echtheid van een onderhandse akte een grote vrijheid bij de waardering van het bewijs, zo heeft de Hoge Raad benadrukt in HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4278, NJ 2000/236.
6.8.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat het originele document waarop ZHL zich beroept, de arbeidsovereenkomst van 21 november 2017 met daarin het beweerdelijke relatiebeding, door haar niet in het geding is gebracht. ZLH heeft zich jegens [geïntimeerde] in eerste instantie beroepen op de overeenkomst waarvan zij op 30 oktober 2020 per sms foto’s aan [geïntimeerde] heeft toegestuurd (productie 1 bij dagvaarding). Vervolgens heeft zij op
3 februari 2021 per email (productie 5 bij dagvaarding) een digitaal exemplaar van een arbeidsovereenkomst toegestuurd waarop zij zich nu beroept. Het hof stelt vast dat dit exemplaar (reeds optisch) afwijkt van de eerder per sms gestuurde (delen van de) arbeidsovereenkomst (datum, respectievelijk handtekening links/ rechts). Dit wordt hieronder nader uitgewerkt.
6.9.
[geïntimeerde] heeft een onderzoeksbureau ingeschakeld om het document (de arbeidsovereenkomst van 21 november 2017 met daarin het relatiebeding) te onderzoeken. Omdat ZLH, ondanks het verzoek van [geïntimeerde] daartoe, de originele overeenkomst niet ter beschikking heeft gesteld, is noodzakelijkerwijs onderzoek verricht naar de (digitale) kopieën. In het (eerste) onderzoeksrapport van NFO van 23 maart 2021 staat bij Conclusies:
Bij afweging van de waargenomen bevindingen, afgezet tegen de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de ter beschikking gestelde betwiste arbeidsovereenkomst enerzijds en de aard en hoedanigheid van de toegepaste onderzoekstechnieken en de daarbij verkregen resultaten anderzijds, zijn naar mening van ondergetekende de onderstaande conclusies gerechtvaardigd:1. Op basis van het uitgevoerde onderzoek aan de hand van het tot op heden beschikbare onderzoeksmateriaal kan niet worden uitgesloten dat de betwiste handtekening is aangebracht middels een kunstgreep (fotoshoppen).
2. Het gegeven dat er bij het document-technisch onderzoek twee indicatoren zijn aangetroffen die enige steun geven aan de opvatting dat de handtekening middels een kunstgreep is aangebracht op het betwiste document leidt ertoe dat een onderzoek aan het originele document, waarbij de handtekening in originele inktafzetting aanwezig is, noodzakelijk is.
3. Naar de thans aanvaardbare op de huidige stand der techniek gebaseerde maatstaven kan het betwiste document in de huidige vorm (digitale kopie van beperkte kwaliteit), met het oog op de vereisten van integriteit en authenticiteit, niet worden aangemerkt als een authentiek document. De eventuele bewijskracht en de daarmee verband houdende bewijswaarde kan, gelet op de in de vakpraktijk geldende normen, vanuit forensisch technisch oogpunt pas worden vastgesteld indien een document-technisch onderzoek aan het originele document kan worden verricht.
6.10.
Op verzoek van [geïntimeerde] heeft NFO hierop de handtekeningen op de twee digitale documenten onderzocht: de (gedeeltelijke) handtekening op het als productie 1 (sms) bij dagvaarding overgelegde stuk en de handtekening op arbeidsovereenkomst (productie 5 bij dagvaarding). In het rapport van 2 mei 2023 staat (onder meer) het volgende:
Op uw verzoek (dd. 13 april 2023) heeft het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. een onderzoek verricht op basis van twee digitale documenten die door u zijn toegezonden. De vraag was of de handtekeningen dekkend zijn en of er hierdoor mogelijk sprake is van een digitaal samengesteld document door listige kunstgrepen, bijvoorbeeld "knippen en plakken" of "Fotoshoppen". (…)
Bevindingen van het onderzoek aan de
handtekeningen
Er zijn twee handtekeningen die slechts deels zichtbaar op de overgelegde foto. Deze foto is volgens opgave per sms aan opdrachtgever toegezonden. Volgens opgave zijn dit handtekeningen afkomstig van respectievelijk [geïntimeerde] (links op de foto) en voor [persoon D] (rechts op de foto). Deze laatste handtekening is gezet "i/o" voor [persoon D] door [persoon C] .
Op de arbeidsovereenkomst komen tevens twee handtekeningen voor. Deze zijn volgens opgave tevens afkomstig van respectievelijk de heer [geïntimeerde] en [persoon C] (gezet voor [persoon D] ), met dat verschil dat de handtekeningen andersom zijn geplaatst (links de handtekening voor [persoon D] en rechts de handtekening van [geïntimeerde] ).
Geconstateerd is dat de handtekeningen deels dekkend zijn. De vormgeving van de handtekeningen is exact identiek. Het gaat daarbij om de zichtbare delen, want op de foto zijn de handtekeningen niet volledig zichtbaar. Op voorhand kan dan ook niet gesteld worden dat de handtekeningen volledig dekkend zijn, simpelweg om de reden dat ze niet volledig zichtbaar zijn. Echter is het zo dat het niet mogelijk is dat spontaan gezette handtekeningen volledig dekkend zijn en daarmee ook niet wanneer slechts delen zichtbaar zijn. (...)
De combinatie van het geautomatiseerde denkproces en de vele kleine deelbewegingen en snelle correcties tijdens het schrijven, leidt ertoe dat handschriften van dezelfde schrijver er nooit exact gelijk uitzien. De afwisseling die zichtbaar is binnen het handschrift van dezelfde schrijver wordt in de vakliteratuur aangeduid als (natuurlijke) variatie. Dit geldt ook voor handtekeningen. In dit geval zijn de zichtbare delen van de handtekeningen exact dekkend en ze vertonen geen enkele variatie. (...)Onderzoek aan de lettertypen
Bij het onderzoek aan de handtekeningen werd nog een opvallende waarneming gedaan die niet onbesproken kan blijven. Niet alleen zijn de handtekeningen van plaats verwisseld. Ook de tekst "Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend te Breda op 21 november 2017” is in een ander lettertype zichtbaar dan de overige tekst van het document. Op de foto komt het lettertype wel één op één overeen. Op de uit zeven pagina's bestaande arbeidsovereenkomst wijkt het lettertype juist af. Dit wijst erop dat er sprake is geweest van listige kunstgrepen door middel van knip- en plakwerk. (...)
Samenvattend
Op basis van de resultaten van het aanvullende onderzoek kan op basis van het huidig overlegde onderzoeksmateriaal het volgende worden gesteld:
De bevindingen van het onderzoek liggen meer in de lijn der verwachting wanneer er sprake is van montage (het gebruik van listige kunstgrepen) op de arbeidsovereenkomst.
Dat betekent dat er meer steun is voor de hypothese waarin wordt gesteld dat het om een vervalsing gaat dan wanneer het gaat om een authentieke arbeidsovereenkomst.
Eindoordeel
Het onderzochte digitale document (de uit zeven pagina’s bestaande arbeidsovereenkomst) betreft een gemanipuleerd document en is daarmee niet authentiek. De handtekeningen en de tekst “Aldus. 2017,” zijn op het document gemonteerd.”
6.11.
Het hof komt op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden tot het volgende oordeel. ZLH heeft de dag na opzegging van de arbeidsovereenkomst door [geïntimeerde] , per sms, ongeordende foto’s (schots en scheef gefotografeerd) gestuurd van delen van bepalingen uit een arbeidsovereenkomst, met (een deel van) een handtekening en een deel van “art. 11 Relatiebeding”. Op aandringen van [geïntimeerde] heeft ZLH vervolgens per mail de overeenkomst gestuurd waarop zij zich thans beroept. Dit exemplaar is anders dan het exemplaar waarvan per sms foto’s zijn gestuurd en is evenmin gelijk aan het exemplaar dat (eveneens) door [persoon B] zelf per mail van 28 december 2017 is gestuurd aan [persoon D] (en [geïntimeerde] ) met het verzoek dit exemplaar op korte termijn te ondertekenen. Deze laatste versie komt wel overeen met het exemplaar dat op 3 januari 2018 naar [persoon D] is gestuurd met het verzoek te ondertekenen.
6.12.
Er zijn dus drie overeenkomsten in omloop gebracht, ZLH beroept zich op één daarvan en die komt niet overeen met de eerder door haar verstuurde foto’s en evenmin met door haar zelf ter ondertekening verstuurde exemplaren. De datum is verschoven, de handtekeningen zijn ten opzichte van het per sms verstuurde exemplaar verwisseld (van links naar rechts en andersom) en ook het lettertype is anders. Ook de inhoud is niet gelijkluidend: het al dan niet opgenomen relatiebeding, de naam van de werkgever en de duur van de arbeidsovereenkomst zijn anders.
6.13.
[persoon D] , ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestuurder van ZLH, heeft over de arbeidsovereenkomst als getuige verklaard, voor zover hier van belang:
U vraagt mij of ik het contract dat op 3 januari 2018 naar mij was toegestuurd heb ondertekend. Dat kan ik niet terugvinden. Ik weet dat niet zeker. Ik denk het wel. Ik denk dat ik het contract geprint en getekend heb en het aan [persoon C] heb gegeven. Hij zou het verder verwerken. Ik weet het niet zeker. In de periode van 13 tot en met 28 december 2017 zijn er verschillende mails gestuurd over de inhoud van het contract en het salaris. (…) In deze mails kan ik niet teruglezen dat er is gesproken over bepaalde tijd of een concurrentie- en een relatiebeding. De standaard contracten van [xx] voor werknemers bevatten geen relatiebeding. (…) Ik was bestuurder van ZLH. Per 1 maart 2019 ben ik weggegaan.
(…)
U legt mij het als productie 2 bij het verzoek (hof: productie 5 bij dagvaarding) overgelegde stuk voor en vraagt mij of dit stuk mij bekend voorkomt. Ik ken dit niet. U vraagt mij of mij iets opvalt aan dit stuk. Er is vermeld dat het contract wordt aangegaan door [YY] Finance groep die formulering gebruikten wij volgens mij niet. In vergelijking met het contract bij de mail van 3 januari 2018 is er een andere opmaak gebruikt. Ook is het contract i.o. ondertekend. In mijn beleving tekende ik altijd zelf dit soort contracten.
De kantonrechter vraagt mij wat ik bedoel met dit soort contracten. Ik bedoel formele overeenkomsten. Ik weet niet van wie de handtekening is.
[persoon C] , mede-oprichter van ZLH en destijds belast met HRM heeft verklaard:
U houdt mij productie 2 bij het verzoekschrift (hof: productie 5 bij dagvaarding) voor en vraagt mij of ik de handtekening herken. Dit is een beroerde kopie. Als ik kijk dan heeft de ondertekening van [YY] veel weg van mijn handtekening. U vraagt mij of het vreemd is dat ik deze arbeidsovereenkomst io zou hebben ondertekend en later een mail stuur dat ik geen arbeidsovereenkomst heb gezien. Ja. U houdt mij productie 1 bij het verzoekschrift voor en vraagt mij naar de handtekeningen. Ik haal hier niks uit.
6.14.
Tot slot stelt het hof vast dat in Loket, het digitale systeem waarin ZLH zelf personeelsgegevens bijhield, is opgenomen dat [geïntimeerde] een dienstverband heeft voor bepaalde tijd tot en met 30 mei 2018, terwijl in de overeenkomst waar ZLH zich in dit geschil op beroept sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
Voorlopige conclusie
6.15.
Gezien alle voorgaande feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde] zijn stelling dat de tekst van de overeenkomst waar ZLH zich in deze procedure op beroept geheel of ten dele is gemanipuleerd en later boven de handtekening van [geïntimeerde] is geplaatst dan wel dat de handtekening van [geïntimeerde] later (digitaal) onder de tekst is geplaatst (anders gezegd: dat de akte waarop ZLH zich beroept vals is), behoudens tegenbewijs, afdoende heeft bewezen. Daartoe is de gang van zaken vanaf de opzegging door [geïntimeerde] van belang, waarbij door ZLH twee verschillende overeenkomsten voor onbepaalde tijd zijn aangeleverd die zijn ondertekend op 21 november 2017. Voorts slaat het hof acht op de door NFO geconstateerde discrepanties daarin. Bovendien wordt meegenomen het gegeven dat [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, gedateerd 1 december 2017, heeft ondertekend, welke overeenkomst ook is meegestuurd in de correspondentie tussen [persoon B] , [persoon D] en [persoon C] , terwijl deze bovendien door [persoon C] “i.o.” zou zijn getekend, terwijl [persoon C] in zijn mail van 28 december 2017 nog schrijft geen arbeidsovereenkomst te hebben gezien.
6.16.
De (partij)deskundige opinie van [persoon F] van 15 augustus 2025 die ZLH in het geding heeft gebracht, doet niet af aan het voorgaand oordeel van het hof. [persoon F] heeft zijn onderzoek (uitsluitend) gericht op het deskundigenrapport van NFO en de in het onderzoek van NFO gebruikte bronnen: de per sms verzonden foto van een deel van de ondertekende pagina en de scan van de arbeidsovereenkomst. Het oordeel van het hof berust daarentegen op alle relevante feiten en omstandigheden en niet uitsluitend op de waardering van de documenten zelf.
[persoon F] bevestigt bovendien dat positiewissel van de twee handtekeningcorpora links/rechts inderdaad zwaarwegend is, maar hij benoemt dat er geen geometrische analyse getoond wordt (coördinaten, marges, referentiepunten) om te bewijzen dat het niet gewoon een andere uitsnede, stand of versie is. Dit bevestigt naar het oordeel van het hof juist dat ZLH meerdere versies hanteert, hetgeen de twijfel aan de authenticiteit van het exemplaar waarop ZLH zich in dit geschil beroept vergroot. Naar het oordeel van het hof gaat [persoon F] in zijn conclusie, dat op basis van de eigen bevindingen in het oorspronkelijke rapport van NFO de gestelde conclusie van manipulatie en niet-authenticiteit niet als “forensisch bewezen” kunnen worden aangemerkt bovendien voorbij aan artikel 152 Rv. Civiel bewijs kan door alle middelen worden geleverd en de waardering van het bewijs is aan het oordeel van de rechter overgelaten (tenzij de wet anders bepaalt). Om iets bewezen te verklaren dient de rechter een redelijke mate van zekerheid te hebben. Dat, zoals [persoon F] stelt, de methodologie (van NFO) ontoereikend is om een absoluut oordeel (forensisch bewezen) te rechtvaardigen, doet dan ook, mede gezien alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, niet af aan het oordeel van het hof dat de tekst van de overeenkomst waar ZLH zich in deze procedure op beroept is gemanipuleerd.
Tegenbewijs
6.17.
Voordat een definitieve waardering wordt gegeven staat het ZLH vrij tegenbewijs te leveren. ZLH heeft bewijs door een getuige-deskundige aangeboden ter beantwoording van de vraag of de handtekening van [geïntimeerde] onder de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] afkomstig is en/of vals is. [geïntimeerde] heeft op zichzelf niet betwist dat het de handtekening van [geïntimeerde] is (maar wel dat hij die onder een arbeidsovereenkomst met een relatiebeding heeft gezet). Daarmee ziet het bewijsaanbod van ZLH niet op een punt waarover partijen verdeeld zijn. Dat aanbod kan daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.
6.18.
ZLH heeft daarnaast, onder verwijzing naar haar conclusie van antwoord, ook getuigenbewijs aangeboden. Het hof verstaat dit, gezien hetgeen het hof hiervoor overwoog in r.o. 6.7., als een aanbod tot tegenbewijs. Het hof zal ZLH toelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat dat de akte waarop ZLH zich beroept vals is.
6.19.
Iedere verdere beslissing zal nu worden aangehouden.
7De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
laat ZLH toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat de akte waarop ZLH zich beroept vals is;
bepaalt, voor het geval ZLH bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. F.M.T. Quaadvliet als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2025 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van ZLH tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, M. van der Schoor en C.M. Salemans en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2025.
griffier rolraadsheer
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.337.538/01
arrest van 11 november 2025
in de zaak van
ZLH B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als ZLH,
advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. S.J. Klingeman te 's-Hertogenbosch,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 maart 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 9942182 \ CV EXPL 22-1883 gewezen vonnis van 13 december 2023.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 26 maart 2024 waarbij het hof een mondeling behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van mondeling behandeling na aanbrengen van 5 juni 2024;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties en wijziging van eis;
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens antwoord wijziging van eis met productie;
de akte wijziging van eis (vermindering en vermeerdering) van de zijde van [geïntimeerde] ;
de bij H12 formulier van 15 augustus 2025 door de advocaat van ZLH overgelegde akte overlegging productie (3);
de bij H12 formulier van 18 augustus 2025 door de advocaat van [geïntimeerde] overgelegde akte houdende overlegging producties (48 tot en met 52);
de mondeling behandeling, waarbij partijen spreeknotities hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg
6De beoordeling
in principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
ZLH is een onderneming met als activiteiten hypotheek- en kredietbemiddeling. ZLH behoorde tot de [xx] Groep. Bestuurder van ZLH is [persoon A] . [persoon B] is zijn broer. Hij was commercieel directeur van [xx] Groep.
6.1.2.
[geïntimeerde] was vanaf 2004 werkzaam als hypotheekadviseur bij [zz] Assurantiën v.o.f. te [A] . Met ingang van 24 februari 2014 is [geïntimeerde] op freelance basis gaan werken als hypotheekadviseur voor [xx] B.V. (eveneens onderdeel van de [xx] Groep).
6.1.3.
Per 1 december 2017 is [geïntimeerde] als hypotheekadviseur in loondienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) ZLH in de functie van hypotheekadviseur.
6.1.4.
Op 28 december 2017 (14:32) heeft [persoon C] , destijds belast met HRM bij [xx] , aan [persoon B] en [persoon D] , destijds mede-aandeelhouder geschreven:
Vanochtend vond ik in loket.nl inderdaad de gegevens van [geïntimeerde] (hof: [geïntimeerde] ) waar staat dat hij per 01-12-2017 in dienst is gegaan bij ZH. Heeft hij hiervoor een arbeidsovereenkomst ondertekend? Ik heb deze niet opgesteld. Mocht dit niet zijn gebeurd, dan zal dat nog wel moeten plaatsvinden.
Bij deze ook het verzoek voortaan informatie mbt arbeidscontracten iig ook via mij te laten lopen. Hetzelfde geldt
voor het vullen van loket. Als dit een vrij toegankelijke applicatie wordt, zijn gegevens niet meer te checken. Ik heb [geïntimeerde] namelijk niet toegevoegd in loket.
6.1.5.
Bij de stukken bevindt zich een schermafbeelding van genoemd loket (WerknemerLoket) waarin is opgenomen dat [geïntimeerde] per 1 december 2017 in dienst is getreden voor bepaalde tijd tot en met 30 mei 2018.
6.1.6.
Bij mail van 28 december 2017 (15.35 uur) heeft [persoon B] aan [persoon D] en [geïntimeerde] het verzoek gedaan de bijgevoegde arbeidsovereenkomst op korte termijn te ondertekenen. In de bijgevoegde arbeidsovereenkomst is [xx] Hypotheken B.V. werkgever. De arbeidsovereenkomst is gedateerd op 1 december 2017 en is gesloten voor bepaalde tijd. Er is geen relatiebeding opgenomen. Van deze versie heeft ZLH ook een door [geïntimeerde] ondertekend exemplaar. Aan de onderzijde staat: 1 december 2017. Dit door [geïntimeerde] ondertekende exemplaar is op 3 januari 2018 door [persoon B] naar [persoon D] en [persoon C] gestuurd met het verzoek dit exemplaar te ondertekenen en daarna naar [persoon C] te sturen. In de aanhef van die mail staat: “FW: Ingescand document van Xerox”.
6.1.7.
Op 29 oktober 2020 heeft [geïntimeerde] zijn arbeidsovereenkomst met ZLH opgezegd per
1 januari 2021, omdat hij (weer) een eigen financieel advieskantoor wilde starten.
6.1.8.
Op 30 oktober 2020 heeft ZLH aan [geïntimeerde] per sms foto’s gestuurd van (delen van) bepalingen van een arbeidsovereenkomst. De foto’s betreffen (delen van) beelden op een computerscherm. Op één daarvan staat de tekst: artikel 11 Relatiebeding en op een andere foto is een stukje van een (vage) handtekening te zien. Aan de onderzijde staat 21 november 2017 (het getal 21 staat rechts).
6.1.9.
Op 3 februari 2021 heeft ZLH per email een digitaal exemplaar van een ondertekende arbeidsovereenkomst aan [geïntimeerde] gestuurd. Dit exemplaar wijkt af van het exemplaar waarvan per sms foto’s zijn gezonden. De overeenkomst is gesloten met [YY] Finance Groep als werkgever en vangt aan op 1 december 2017. De overeenkomst is gesloten voor onbepaalde tijd. Er wordt geen proeftijd afgesproken. In artikel 11 staat een relatiebeding. Aan de onderzijde staat: “21 november 2017” (het getal 21 staat links).
6.1.10.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of een relatiebeding is overeengekomen tussen [geïntimeerde] als werknemer en ZLH als werkgever. In dat kader schreef [persoon B] namens ZLH op 13 januari 2021 aan [geïntimeerde] :
De situatie met jou en [xx]
Ook hier is de feitelijke situatie klip en klaar. Ook hier verduidelijk ik graag:
Jij bent (meerdere malen) een relatiebeding met [xx] overeengekomen. Dat dit nu niet uitkomt, is in essentie 0,00 relevant
Je hebt dit beding inmiddels al diverse malen overtreden.
6.1.11.
Op 3 februari 2021 heeft (de raadsman van) ZLH geschreven dat is gebleken dat [geïntimeerde] willens en wetens in strijd handelt met het beding en daarvoor een boete van € 2.500,- per dag heeft verbeurd.
6.1.12.
Op 4 juni 2021 zijn de activa van de [xx] Groep waarvan ZLH deel uitmaakt overgenomen door een derde partij.
6.1.13.
Bij beschikking van 22 september 2021 is op verzoek van [geïntimeerde] in de zaak tussen hem en ZLH en [xx] Groep B.V. een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Gehoord zijn vervolgens als getuigen [persoon D] en [persoon C] .
De procedure bij de kantonrechter
6.2.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg ZLH en [persoon B] (tezamen aangeduid als [xx] c.s.) gedagvaard. Hij heeft gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] jegens ZLH niet gebonden is aan enig concurrentie- en/of relatiebeding, en/of boetebeding, of enig ander voor hem beperkend beding;
2. voor recht verklaart dat [xx] c.s. met het hiervoor beschreven handelen onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en voor wat betreft ZLH specifiek, zij zich ook in strijd met de norm van goed werkgeverschap heeft gedragen, als gevolg waarvan [xx] c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] als gevolg van dit - onrechtmatig - handelen geleden en nog te lijden schade;
3. [xx] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade ad in totaal € 362.769,53, althans [xx] c.s. veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, welke schadevergoeding zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 dan wel vanaf de dag der dagvaarding;
4. Subsidiair - voor zover de volledige juridische kosten van [geïntimeerde] niet worden toegewezen - [xx] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [geïntimeerde] een bedrag van € 925,- ter zake buitengerechtelijke kosten;
5. [xx] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
6.2.2.
[geïntimeerde] heeft, kort gezegd, aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat ZLH en [persoon B] onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] te houden aan een niet-overeengekomen relatiebeding in een vervalste arbeidsovereenkomst. Daardoor heeft [geïntimeerde] schade geleden.
6.2.3.
ZLH en [persoon B] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.2.4.
In het tussenvonnis van 5 oktober 2022 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling is gehouden op 29 maart 2023.
6.2.5.
In het tussenvonnis van 19 juli 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vorderingen tegen [persoon B] niet toewijsbaar zijn. De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat de stelplicht en bewijslast van de valsheid van (met name) de handtekening van [geïntimeerde] op voormelde overeenkomst van 21 november 2017 op [geïntimeerde] rusten. Immers, [geïntimeerde] stelt een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad in, zo overwoog de kantonrechter. Gezien artikel 150 Rv rusten op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat ZLH onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Hiertoe behoort ook het door [geïntimeerde] gestelde feit dat (zijn handtekening op) de overeenkomst van 21 november 2017 vals is, aldus de kantonrechter. De kantonrechter heeft vervolgens aanleiding gezien een deskundige te benoemen en hem te vragen:
Met welke mate van zekerheid kunt u vaststellen dat de handtekening boven de naam [geïntimeerde] op de als productie 5 bij dagvaarding (en productie 3 bij conclusie van antwoord) overgelegde arbeidsovereenkomst vals is, in die zin dat [geïntimeerde] die handtekening niet met een pen op het betreffende stuk heeft gezet?
6.2.6.
[geïntimeerde] heeft daarop bij akte na tussenvonnis een (aanvullend, bij dagvaarding had [geïntimeerde] reeds een rapport gedateerd 23 maart 2021 in het geding gebracht) rapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau van 2 mei 2023 van de handschriftdeskundige [persoon E] (geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen) in het geding gebracht. ZLH heeft hier bij akte bezwaar tegen gemaakt.
6.2.7.
In het tussenvonnis van 6 september 2023 heeft de kantonrechter vervolgens ZLH in de gelegenheid gesteld te reageren op de akte en de daarbij ingediende aanvullende productie van [geïntimeerde] . ZLH heeft vervolgens een akte na tussenvonnis genomen.
6.2.8.
Bij eindvonnis van 13 december 2023 heeft de kantonrechter overwogen dat voldoende vaststaat dat de handtekening van [geïntimeerde] op de arbeidsovereenkomst van
21 november 2017 (productie 5 bij dagvaarding) vals is. Zij heeft de vordering van [geïntimeerde] om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens ZLH niet gebonden is aan enig concurrentie- en/of relatiebeding, en/of boetebeding, of enig ander voor hem beperkend beding toegewezen. Voorts heeft zij voor recht verklaard dat ZLH jegens [geïntimeerde] onrechtmatig en in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld door [geïntimeerde] tegen beter weten in te houden aan een relatiebeding in een arbeidsovereenkomst met daarop een valse handtekening van [geïntimeerde] , als gevolg waarvan ZLH aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] als gevolg van dit handelen geleden en nog te lijden schade. ZLH is veroordeeld tot vergoeding van door [geïntimeerde] geleden schade als gevolg van voormeld onrechtmatige handelen van ZLH, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. ZLH is ook veroordeeld in de kosten van de procedure tussen [geïntimeerde] en ZLH, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.474,07, daarin begrepen een bedrag van € 2.647,50 als salaris voor de gemachtigde van [geïntimeerde] . De vorderingen van [geïntimeerde] op [persoon B] zijn afgewezen en [geïntimeerde] is veroordeeld in de kosten van de procedure tussen [geïntimeerde] en [persoon B] .
De procedure in hoger beroep
6.3.1.
ZLH heeft in principaal hoger beroep negen grieven aangevoerd. ZLH heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis van 13 december 2023 en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
6.3.2.
In principaal hoger beroep heeft [geïntimeerde] gevorderd het eindvonnis van
13 december 2023 te bekrachtigen voor zover daartegen principaal hoger beroep is ingesteld. In incidenteel hoger beroep heeft hij één grief gericht tegen het vonnis. Tevens heeft [geïntimeerde] zijn eis gewijzigd. [geïntimeerde] heeft, na bij akte andermaal zijn eis te hebben gewijzigd, gevorderd dat het hof het eindvonnis van 13 december 2023 vernietigt doch slechts voor zover daartegen incidenteel appel is ingesteld en de navolgende bedragen toewijst:
- aan expertisekosten ter zake het NFO een bedrag van € 2.102,38,
- aan zelf bestede tijd door [geïntimeerde] een bedrag van € 6.850,-,
- aan kosten gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid ter zake de ingeschakelde
deskundige [persoon G] een bedrag van € 11.859,21,
aan advocaatkosten gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid ter zake het getuigenverhoor een bedrag van € 15.151,99,
aan advocaatkosten in het kader van een volledige proceskostenveroordeling een bedrag van € 82.488,76,
het voorgaande te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het moment waarop de onderliggende facturen door [geïntimeerde] zijn voldaan respectievelijk waarop de door [geïntimeerde] gemaakte uren waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn gemaakt.Daarnaast heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het hof toewijst:
aan (overige) vermogensschade te weten hypotheekschade een bedrag van € 121.565,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het hof vaststelt dat de betreffende schade is geleden, doch in ieder geval vanaf 1 januari 2022 (voor het schadejaar 2021) respectievelijk 1 januari 2023 (voor het schadejaar 2022),
aan (overige) vermogensschade te weten provisieschade een bedrag van € 118.901,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het hof vaststelt dat de betreffende schade is geleden, zulks in goede justitie vast te stellen door het hof.
Voor zover het hof één of meerdere van de hiervoor gevorderde posten verwijst naar
de schadestaat, vordert [geïntimeerde] ZLH te veroordelen om tot betaling aan [geïntimeerde] over te gaan van een voorschot op die schadevergoeding van € 100.000,-, met veroordeling van ZLH in de kosten in principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente.
6.3.3.
ZLH heeft bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde eis, nu volgens haar ineens een hele andere grondslag en wijze van berekenen is gekozen dan in eerste aanleg. Uit het in verband daarmee gestelde blijkt evenwel dat het bezwaar betrekking heeft op de inhoud van de gewijzigde eis, en geen processueel bezwaar betreft tegen de wijziging van eis in de zin van artikel 130 Rv. Nu overigens niet is toegelicht dat door de wijziging van eis de procedure onredelijk zou worden vertraagd dan wel de verdediging onredelijk zou worden bemoeilijkt (ZLH heeft op de schadeberekening gereageerd middels een tegenrapport), is het bezwaar ongegrond. Het hof zal recht doen op deze gewijzigde eis.
De omvang van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep
6.4.
De grieven 1 tot en met 4 van ZLH zien op de procedurele gang van zaken. ZHL heeft daarbij ook grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis, dat daarmee in dit hoger beroep is betrokken. Met de grieven 5 tot en met 7 komt ZLH op tegen de overwegingen en het oordeel van de kantonrechter dat is bewezen dat de handtekening van [geïntimeerde] op de arbeidsovereenkomst vals is. De grieven 8 en 9 zien op het oordeel dat ZLH onrechtmatig heeft gehandeld en dat [geïntimeerde] hierdoor schade heeft geleden.
6.5.
De kern van het geschil betreft de vraag of de arbeidsovereenkomst waarop ZLH zich beroept, de overeenkomst is die door [geïntimeerde] is ondertekend. Het geschilpunt betreft niet zozeer de echtheid van de ondertekening, maar de echtheid van enig ander onderdeel van de onderhandse akte. [geïntimeerde] voert immers, onder overlegging van rapportages van deskundigen aan, dat zijn handtekening met ‘knip- en plakwerk’/ fotoshoppen is aangebracht op het betwiste document. [geïntimeerde] heeft zich (zo nodig) op het standpunt gesteld dat de kantonrechter de bewijslastverdeling onjuist heeft toegepast en daartegen een grief gericht. Anders dan [geïntimeerde] aanvoert wordt dit geschilpunt echter niet bestreken door artikel 159 lid 2 Rv. Het hof overweegt over de bewijslastverdeling het volgende.
Onderhandse akte, verdeling bewijslast en bewijs
6.6.
De arbeidsovereenkomst gedateerd 21 november 2017 (productie 5 bij dagvaarding) waarop ZLH zich beroept is een onderhandse akte, nu het een geschrift is dat is ondertekend en dat bestemd is om tot bewijs te dienen. In het arrest Egelinck BV/X (HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:641) is herhaald dat de partij die zich erop beroept dat de akte vals is, dat wil zeggen als betwist wordt dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd, overeenkomt met het stuk dat is ondertekend, ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast daarvan heeft.
6.7.
In een overweging ten overvloede (r.o. 3.4.4.) heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat de rechter op grond van vaststaande feiten, zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte, of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept, met betrekking tot de totstandkoming van de tekst, tot het oordeel kan komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat die tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst. Daarbij is de rechter niet beperkt tot omstandigheden of stellingen die de totstandkoming van de tekst betreffen, maar mag de rechter alle omstandigheden betrekken die hij van belang vindt; de rechter heeft bij de beoordeling van de echtheid van een onderhandse akte een grote vrijheid bij de waardering van het bewijs, zo heeft de Hoge Raad benadrukt in HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4278, NJ 2000/236.
6.8.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat het originele document waarop ZHL zich beroept, de arbeidsovereenkomst van 21 november 2017 met daarin het beweerdelijke relatiebeding, door haar niet in het geding is gebracht. ZLH heeft zich jegens [geïntimeerde] in eerste instantie beroepen op de overeenkomst waarvan zij op 30 oktober 2020 per sms foto’s aan [geïntimeerde] heeft toegestuurd (productie 1 bij dagvaarding). Vervolgens heeft zij op
3 februari 2021 per email (productie 5 bij dagvaarding) een digitaal exemplaar van een arbeidsovereenkomst toegestuurd waarop zij zich nu beroept. Het hof stelt vast dat dit exemplaar (reeds optisch) afwijkt van de eerder per sms gestuurde (delen van de) arbeidsovereenkomst (datum, respectievelijk handtekening links/ rechts). Dit wordt hieronder nader uitgewerkt.
6.9.
[geïntimeerde] heeft een onderzoeksbureau ingeschakeld om het document (de arbeidsovereenkomst van 21 november 2017 met daarin het relatiebeding) te onderzoeken. Omdat ZLH, ondanks het verzoek van [geïntimeerde] daartoe, de originele overeenkomst niet ter beschikking heeft gesteld, is noodzakelijkerwijs onderzoek verricht naar de (digitale) kopieën. In het (eerste) onderzoeksrapport van NFO van 23 maart 2021 staat bij Conclusies:
Bij afweging van de waargenomen bevindingen, afgezet tegen de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de ter beschikking gestelde betwiste arbeidsovereenkomst enerzijds en de aard en hoedanigheid van de toegepaste onderzoekstechnieken en de daarbij verkregen resultaten anderzijds, zijn naar mening van ondergetekende de onderstaande conclusies gerechtvaardigd:1. Op basis van het uitgevoerde onderzoek aan de hand van het tot op heden beschikbare onderzoeksmateriaal kan niet worden uitgesloten dat de betwiste handtekening is aangebracht middels een kunstgreep (fotoshoppen).
2. Het gegeven dat er bij het document-technisch onderzoek twee indicatoren zijn aangetroffen die enige steun geven aan de opvatting dat de handtekening middels een kunstgreep is aangebracht op het betwiste document leidt ertoe dat een onderzoek aan het originele document, waarbij de handtekening in originele inktafzetting aanwezig is, noodzakelijk is.
3. Naar de thans aanvaardbare op de huidige stand der techniek gebaseerde maatstaven kan het betwiste document in de huidige vorm (digitale kopie van beperkte kwaliteit), met het oog op de vereisten van integriteit en authenticiteit, niet worden aangemerkt als een authentiek document. De eventuele bewijskracht en de daarmee verband houdende bewijswaarde kan, gelet op de in de vakpraktijk geldende normen, vanuit forensisch technisch oogpunt pas worden vastgesteld indien een document-technisch onderzoek aan het originele document kan worden verricht.
6.10.
Op verzoek van [geïntimeerde] heeft NFO hierop de handtekeningen op de twee digitale documenten onderzocht: de (gedeeltelijke) handtekening op het als productie 1 (sms) bij dagvaarding overgelegde stuk en de handtekening op arbeidsovereenkomst (productie 5 bij dagvaarding). In het rapport van 2 mei 2023 staat (onder meer) het volgende:
Op uw verzoek (dd. 13 april 2023) heeft het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. een onderzoek verricht op basis van twee digitale documenten die door u zijn toegezonden. De vraag was of de handtekeningen dekkend zijn en of er hierdoor mogelijk sprake is van een digitaal samengesteld document door listige kunstgrepen, bijvoorbeeld "knippen en plakken" of "Fotoshoppen". (…)
Bevindingen van het onderzoek aan de
handtekeningen
Er zijn twee handtekeningen die slechts deels zichtbaar op de overgelegde foto. Deze foto is volgens opgave per sms aan opdrachtgever toegezonden. Volgens opgave zijn dit handtekeningen afkomstig van respectievelijk [geïntimeerde] (links op de foto) en voor [persoon D] (rechts op de foto). Deze laatste handtekening is gezet "i/o" voor [persoon D] door [persoon C] .
Op de arbeidsovereenkomst komen tevens twee handtekeningen voor. Deze zijn volgens opgave tevens afkomstig van respectievelijk de heer [geïntimeerde] en [persoon C] (gezet voor [persoon D] ), met dat verschil dat de handtekeningen andersom zijn geplaatst (links de handtekening voor [persoon D] en rechts de handtekening van [geïntimeerde] ).
Geconstateerd is dat de handtekeningen deels dekkend zijn. De vormgeving van de handtekeningen is exact identiek. Het gaat daarbij om de zichtbare delen, want op de foto zijn de handtekeningen niet volledig zichtbaar. Op voorhand kan dan ook niet gesteld worden dat de handtekeningen volledig dekkend zijn, simpelweg om de reden dat ze niet volledig zichtbaar zijn. Echter is het zo dat het niet mogelijk is dat spontaan gezette handtekeningen volledig dekkend zijn en daarmee ook niet wanneer slechts delen zichtbaar zijn. (...)
De combinatie van het geautomatiseerde denkproces en de vele kleine deelbewegingen en snelle correcties tijdens het schrijven, leidt ertoe dat handschriften van dezelfde schrijver er nooit exact gelijk uitzien. De afwisseling die zichtbaar is binnen het handschrift van dezelfde schrijver wordt in de vakliteratuur aangeduid als (natuurlijke) variatie. Dit geldt ook voor handtekeningen. In dit geval zijn de zichtbare delen van de handtekeningen exact dekkend en ze vertonen geen enkele variatie. (...)Onderzoek aan de lettertypen
Bij het onderzoek aan de handtekeningen werd nog een opvallende waarneming gedaan die niet onbesproken kan blijven. Niet alleen zijn de handtekeningen van plaats verwisseld. Ook de tekst "Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend te Breda op 21 november 2017” is in een ander lettertype zichtbaar dan de overige tekst van het document. Op de foto komt het lettertype wel één op één overeen. Op de uit zeven pagina's bestaande arbeidsovereenkomst wijkt het lettertype juist af. Dit wijst erop dat er sprake is geweest van listige kunstgrepen door middel van knip- en plakwerk. (...)
Samenvattend
Op basis van de resultaten van het aanvullende onderzoek kan op basis van het huidig overlegde onderzoeksmateriaal het volgende worden gesteld:
De bevindingen van het onderzoek liggen meer in de lijn der verwachting wanneer er sprake is van montage (het gebruik van listige kunstgrepen) op de arbeidsovereenkomst.
Dat betekent dat er meer steun is voor de hypothese waarin wordt gesteld dat het om een vervalsing gaat dan wanneer het gaat om een authentieke arbeidsovereenkomst.
Eindoordeel
Het onderzochte digitale document (de uit zeven pagina’s bestaande arbeidsovereenkomst) betreft een gemanipuleerd document en is daarmee niet authentiek. De handtekeningen en de tekst “Aldus. 2017,” zijn op het document gemonteerd.”
6.11.
Het hof komt op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden tot het volgende oordeel. ZLH heeft de dag na opzegging van de arbeidsovereenkomst door [geïntimeerde] , per sms, ongeordende foto’s (schots en scheef gefotografeerd) gestuurd van delen van bepalingen uit een arbeidsovereenkomst, met (een deel van) een handtekening en een deel van “art. 11 Relatiebeding”. Op aandringen van [geïntimeerde] heeft ZLH vervolgens per mail de overeenkomst gestuurd waarop zij zich thans beroept. Dit exemplaar is anders dan het exemplaar waarvan per sms foto’s zijn gestuurd en is evenmin gelijk aan het exemplaar dat (eveneens) door [persoon B] zelf per mail van 28 december 2017 is gestuurd aan [persoon D] (en [geïntimeerde] ) met het verzoek dit exemplaar op korte termijn te ondertekenen. Deze laatste versie komt wel overeen met het exemplaar dat op 3 januari 2018 naar [persoon D] is gestuurd met het verzoek te ondertekenen.
6.12.
Er zijn dus drie overeenkomsten in omloop gebracht, ZLH beroept zich op één daarvan en die komt niet overeen met de eerder door haar verstuurde foto’s en evenmin met door haar zelf ter ondertekening verstuurde exemplaren. De datum is verschoven, de handtekeningen zijn ten opzichte van het per sms verstuurde exemplaar verwisseld (van links naar rechts en andersom) en ook het lettertype is anders. Ook de inhoud is niet gelijkluidend: het al dan niet opgenomen relatiebeding, de naam van de werkgever en de duur van de arbeidsovereenkomst zijn anders.
6.13.
[persoon D] , ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestuurder van ZLH, heeft over de arbeidsovereenkomst als getuige verklaard, voor zover hier van belang:
U vraagt mij of ik het contract dat op 3 januari 2018 naar mij was toegestuurd heb ondertekend. Dat kan ik niet terugvinden. Ik weet dat niet zeker. Ik denk het wel. Ik denk dat ik het contract geprint en getekend heb en het aan [persoon C] heb gegeven. Hij zou het verder verwerken. Ik weet het niet zeker. In de periode van 13 tot en met 28 december 2017 zijn er verschillende mails gestuurd over de inhoud van het contract en het salaris. (…) In deze mails kan ik niet teruglezen dat er is gesproken over bepaalde tijd of een concurrentie- en een relatiebeding. De standaard contracten van [xx] voor werknemers bevatten geen relatiebeding. (…) Ik was bestuurder van ZLH. Per 1 maart 2019 ben ik weggegaan.
(…)
U legt mij het als productie 2 bij het verzoek (hof: productie 5 bij dagvaarding) overgelegde stuk voor en vraagt mij of dit stuk mij bekend voorkomt. Ik ken dit niet. U vraagt mij of mij iets opvalt aan dit stuk. Er is vermeld dat het contract wordt aangegaan door [YY] Finance groep die formulering gebruikten wij volgens mij niet. In vergelijking met het contract bij de mail van 3 januari 2018 is er een andere opmaak gebruikt. Ook is het contract i.o. ondertekend. In mijn beleving tekende ik altijd zelf dit soort contracten.
De kantonrechter vraagt mij wat ik bedoel met dit soort contracten. Ik bedoel formele overeenkomsten. Ik weet niet van wie de handtekening is.
[persoon C] , mede-oprichter van ZLH en destijds belast met HRM heeft verklaard:
U houdt mij productie 2 bij het verzoekschrift (hof: productie 5 bij dagvaarding) voor en vraagt mij of ik de handtekening herken. Dit is een beroerde kopie. Als ik kijk dan heeft de ondertekening van [YY] veel weg van mijn handtekening. U vraagt mij of het vreemd is dat ik deze arbeidsovereenkomst io zou hebben ondertekend en later een mail stuur dat ik geen arbeidsovereenkomst heb gezien. Ja. U houdt mij productie 1 bij het verzoekschrift voor en vraagt mij naar de handtekeningen. Ik haal hier niks uit.
6.14.
Tot slot stelt het hof vast dat in Loket, het digitale systeem waarin ZLH zelf personeelsgegevens bijhield, is opgenomen dat [geïntimeerde] een dienstverband heeft voor bepaalde tijd tot en met 30 mei 2018, terwijl in de overeenkomst waar ZLH zich in dit geschil op beroept sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
Voorlopige conclusie
6.15.
Gezien alle voorgaande feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde] zijn stelling dat de tekst van de overeenkomst waar ZLH zich in deze procedure op beroept geheel of ten dele is gemanipuleerd en later boven de handtekening van [geïntimeerde] is geplaatst dan wel dat de handtekening van [geïntimeerde] later (digitaal) onder de tekst is geplaatst (anders gezegd: dat de akte waarop ZLH zich beroept vals is), behoudens tegenbewijs, afdoende heeft bewezen. Daartoe is de gang van zaken vanaf de opzegging door [geïntimeerde] van belang, waarbij door ZLH twee verschillende overeenkomsten voor onbepaalde tijd zijn aangeleverd die zijn ondertekend op 21 november 2017. Voorts slaat het hof acht op de door NFO geconstateerde discrepanties daarin. Bovendien wordt meegenomen het gegeven dat [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, gedateerd 1 december 2017, heeft ondertekend, welke overeenkomst ook is meegestuurd in de correspondentie tussen [persoon B] , [persoon D] en [persoon C] , terwijl deze bovendien door [persoon C] “i.o.” zou zijn getekend, terwijl [persoon C] in zijn mail van 28 december 2017 nog schrijft geen arbeidsovereenkomst te hebben gezien.
6.16.
De (partij)deskundige opinie van [persoon F] van 15 augustus 2025 die ZLH in het geding heeft gebracht, doet niet af aan het voorgaand oordeel van het hof. [persoon F] heeft zijn onderzoek (uitsluitend) gericht op het deskundigenrapport van NFO en de in het onderzoek van NFO gebruikte bronnen: de per sms verzonden foto van een deel van de ondertekende pagina en de scan van de arbeidsovereenkomst. Het oordeel van het hof berust daarentegen op alle relevante feiten en omstandigheden en niet uitsluitend op de waardering van de documenten zelf.
[persoon F] bevestigt bovendien dat positiewissel van de twee handtekeningcorpora links/rechts inderdaad zwaarwegend is, maar hij benoemt dat er geen geometrische analyse getoond wordt (coördinaten, marges, referentiepunten) om te bewijzen dat het niet gewoon een andere uitsnede, stand of versie is. Dit bevestigt naar het oordeel van het hof juist dat ZLH meerdere versies hanteert, hetgeen de twijfel aan de authenticiteit van het exemplaar waarop ZLH zich in dit geschil beroept vergroot. Naar het oordeel van het hof gaat [persoon F] in zijn conclusie, dat op basis van de eigen bevindingen in het oorspronkelijke rapport van NFO de gestelde conclusie van manipulatie en niet-authenticiteit niet als “forensisch bewezen” kunnen worden aangemerkt bovendien voorbij aan artikel 152 Rv. Civiel bewijs kan door alle middelen worden geleverd en de waardering van het bewijs is aan het oordeel van de rechter overgelaten (tenzij de wet anders bepaalt). Om iets bewezen te verklaren dient de rechter een redelijke mate van zekerheid te hebben. Dat, zoals [persoon F] stelt, de methodologie (van NFO) ontoereikend is om een absoluut oordeel (forensisch bewezen) te rechtvaardigen, doet dan ook, mede gezien alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, niet af aan het oordeel van het hof dat de tekst van de overeenkomst waar ZLH zich in deze procedure op beroept is gemanipuleerd.
Tegenbewijs
6.17.
Voordat een definitieve waardering wordt gegeven staat het ZLH vrij tegenbewijs te leveren. ZLH heeft bewijs door een getuige-deskundige aangeboden ter beantwoording van de vraag of de handtekening van [geïntimeerde] onder de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] afkomstig is en/of vals is. [geïntimeerde] heeft op zichzelf niet betwist dat het de handtekening van [geïntimeerde] is (maar wel dat hij die onder een arbeidsovereenkomst met een relatiebeding heeft gezet). Daarmee ziet het bewijsaanbod van ZLH niet op een punt waarover partijen verdeeld zijn. Dat aanbod kan daarom als niet ter zake dienend worden gepasseerd.
6.18.
ZLH heeft daarnaast, onder verwijzing naar haar conclusie van antwoord, ook getuigenbewijs aangeboden. Het hof verstaat dit, gezien hetgeen het hof hiervoor overwoog in r.o. 6.7., als een aanbod tot tegenbewijs. Het hof zal ZLH toelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat dat de akte waarop ZLH zich beroept vals is.
6.19.
Iedere verdere beslissing zal nu worden aangehouden.
7De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
laat ZLH toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat de akte waarop ZLH zich beroept vals is;
bepaalt, voor het geval ZLH bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. F.M.T. Quaadvliet als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2025 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van ZLH tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, M. van der Schoor en C.M. Salemans en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2025.
griffier rolraadsheer