Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2804

2025-10-09 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.355.573_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-09
Publicatiedatum
2025-10-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.355.573_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beschikking ondertoezichtstelling. Artikel 1:255 BW. Kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.407 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH




Team familie- en jeugdrecht



Uitspraak : 9 oktober 2025
Zaaknummer : 200.355.573/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/413291 / JE RK 25-297



in de zaak in hoger beroep van:





[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.P. de Man,



tegen




Raad voor de Kinderbescherming,

regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.



Deze zaak gaat over de ondertoezichtstelling van de minderjarigen:





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ;




[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .




Het hof merkt als belanghebbende aan:




Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juni 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alsnog af te wijzen.



2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen.



2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:


de moeder, bijgestaan door mr. De Man;



[vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] namens de raad;



[vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.





2.4.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 2] heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen en [minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een video te sturen, beide ter griffie ingekomen op 1 augustus 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van deze brief en video zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.



2.5.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief met bijlagen van de GI, ontvangen op 20 augustus 2025.






3De beoordeling


3.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder met de vader (de heer [de vader] ) zijn de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.



3.2.
Bij beschikking van 19 april 2022 van de rechtbank Oost-Brabant is het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder beëindigd en is de moeder alleen belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder. Zij hebben sinds 2014 geen contact meer met de vader.



3.4.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 maart 2025 tot 17 maart 2026.



3.5.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.



3.6.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank overweegt ten onrechte dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. Voor [minderjarige 2] geldt dat een verkeerd medicijngebruik debet is geweest aan zijn problemen. De slaapproblemen zijn inmiddels grotendeels verdwenen en hij neemt deel aan het dagelijks leven. Hij kan naar school maar moet eerst onderzocht worden. Ondanks aandringen van de moeder is het onderzoek nog steeds niet aangevraagd. De consequentie is dat [minderjarige 2] op dit moment niet naar school gaat. [minderjarige 1] volgt met succes een praktijkopleiding aan het voortgezet onderwijs. Het is niet juist dat de moeder geen toestemming geeft voor een psychologisch onderzoek. De GI wil de moeder aanmelden voor opvoedondersteuning, maar dit acht de moeder niet nodig. De moeder heeft bij de opvoeding van de kinderen veel steun aan haar ouders. De ondertoezichtstelling zorgt voor verwarring en angst bij de kinderen en schaadt de ontwikkeling van de kinderen. De moeder wordt constant ten onrechte afgeschilderd als zwakbegaafd. Zij heeft inmiddels een muur van wantrouwen om zich heen. De moeder stelt voor een mediator aan te stellen, om het vertrouwen te herstellen en de moeder te ondersteunen daar waar nodig.



3.7.
De raad voert – samengevat – het volgende aan. De gronden voor een ondertoezichtstelling zijn nog steeds duidelijk aanwezig. Er is sprake van een ernstig bedreigde sociaal emotionele, fysieke en cognitieve ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De raad verwijst naar de raadsrapportage van 28 februari 2025. Beide kinderen kampen met hun eigen problematiek en er is nog steeds geen zicht op de opvoedomgeving waarin zij opgroeien. De GI heeft geprobeerd een beeldvormingstraject van [instantie 1] op te starten om meer zicht te krijgen op het gezin. Er is tot twee keer toe een intake gepland, maar de moeder heeft beide keren de deur niet open gedaan. De moeder heeft geen hulpvraag en geen intrinsieke motivatie om hulp toe te laten. Ook werkt de moeder niet mee aan een belastbaarheidsonderzoek voor [minderjarige 2] . De raad is van mening dat regievoering in een gedwongen kader noodzakelijk is om meer zicht te krijgen op de kinderen en hun opvoedsituatie en om de nodig geachte hulpverlening voor de kinderen en de moeder met spoed van de grond te krijgen. De toegevoegde waarde van een mediator, zoals de moeder voorstelt, ziet de raad niet, mede gelet op de zwaarte van deze zaak. De moeder werkt inmiddels mee met ambulante begeleiding op school voor [minderjarige 1] en met de ondersteuning van [instantie 2] . Het heeft echter lang geduurd voordat dit van de grond kon komen, omdat de benodigde handtekeningen van de moeder ontbraken. Er is geen zicht op [minderjarige 1] welbevinden in de thuissituatie. Voor [minderjarige 2] acht de raad het met spoed noodzakelijk dat er zicht komt op zijn psychische en lichamelijke welzijn en dat er onderzocht wordt waarom hij niet naar school kan of welke vorm van onderwijs/dagbesteding wel zou aansluiten.



3.8.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. Het lukte niet om het contact met de moeder tot stand te brengen, waardoor de GI zich genoodzaakt voelde om een schriftelijke aanwijzing te geven. Er is inmiddels contact gelegd en onlangs heeft de GI een goed gesprek gevoerd met de moeder en haar ouders (opa en oma). Er zijn tijdens het gesprek afspraken gemaakt en er is pleegzorgscreening ingezet. De GI merkt dat de prille samenwerking met de moeder alweer begint te wankelen. De moeder heeft toestemming gegeven dat de GI de kinderen mag spreken, maar dat is tot twee keer toe niet gelukt. De GI heeft recent een brief ontvangen van de moeder waarin zij aangeeft dat de kinderen er niet aan toe zijn om met de GI te praten. De GI is voor [minderjarige 2] op zoek naar een geschikte dagbesteding. [minderjarige 1] is gestart op zijn nieuwe school in [plaats] . Hij lijkt daar op zijn gemak te zijn. De GI maakt zich veel zorgen over de kinderen. De GI heeft nog steeds niet onbelast met de kinderen kunnen praten. Er is weinig tot geen zicht op de kinderen en er is veel ruis in de communicatie met de moeder. De samenwerking met de moeder verloopt nog steeds moeizaam.



3.9.
Het hof overweegt het volgende.


3.9.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:


de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;


de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.





3.9.2.
Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW. Het hof is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Uit de raadsrapportage van 28 februari 2025 en uit het verweerschrift van de raad in hoger beroep volgt dat [minderjarige 2] al bijna twee jaar geen onderwijs volgt en het merendeel van de dag slaapt. Hij heeft geen zinvolle dagbesteding en geen contact met leeftijdgenoten. Ook is er geen zicht op [minderjarige 2] vanuit school, huisarts of andere betrokken instanties. [minderjarige 2] heeft cystische fibrose en een hieraan gerelateerde ernstige leverziekte. [minderjarige 1] is met ingang van dit schooljaar gestart op het voortgezet onderwijs, daarvoor was hij vaak afwezig op school wegens ziekte, kwam hij te laat of oogde hij heel moe. [minderjarige 1] heeft vermoedelijk TOS, waardoor hij leest op het niveau van midden groep 3 en niet kan schrijven. Op basis van zijn manier van praten zijn er vermoedens dat [minderjarige 1] veel gamet, iets wat de moeder ontkent. In hoger beroep is gebleken dat het de GI nog steeds niet is gelukt om goed zicht te krijgen op de kinderen. De GI heeft de kinderen nog niet gesproken. Ook de samenwerking met de moeder is nog steeds niet van de grond gekomen, ondanks de eerder gemaakte afspraken. De kinderen hebben ieder dusdanige ernstige problematiek dat de inzet van professionele hulpverlening dringend noodzakelijk is. De moeder erkent echter de problematiek onvoldoende en accepteert geen inmenging van hulpverlening, waardoor een vrijwillig kader ontoereikend is gebleken. Het hof acht een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen af te wenden.



3.9.3.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.






4De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2025;



verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, J.C.E. Ackermans-Wijn en F. Dunki Jacobs en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.