Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2686
2025-09-30
Civiel recht; Verbintenissenrecht
200.347.543_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Is tussen partijen een afspraak gemaakt over de verdeling van de overwaarde van de woning?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.136 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.347.543/01
arrest van 30 september 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te Leiden,
appellante,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te Wolphaartsdijk,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg.
op het bij exploot van dagvaarding van 19 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 mei 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de verdeling van de overwaarde van de woning van de man. Partijen zijn in 1993 gescheiden van tafel en bed. In 2001 heeft de man de eigendom van een woning verkregen. De man verkoopt deze woning in 2022. Tussen partijen is in geschil of zij afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de overwaarde van die woning.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/414630 / HA ZA 23-525)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met twee producties (vonnis 24 januari 2024 en vonnis 22 mei 2024);
de memorie van grieven met vijf producties;
de memorie van antwoord met één productie;
de akte van de vrouw;
de antwoordakte van de man.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Partijen zijn op 13 mei 1983 gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
De rechtbank heeft bij vonnis van 12 januari 1993 de scheiding van tafel en bed van partijen uitgesproken. Dit vonnis is op 3 mei 1993 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister van de rechtbank.
In 2001 heeft de man de onroerende zaak aan [adres] (hierna: de woning) gekocht. De woning is op 20 april 2001 aan de man geleverd. De man heeft de koop van de woning gefinancierd met een hypothecaire geldlening op uitsluitend zijn naam.
De man heeft de woning in 2022 aan derden verkocht. De akte van levering is door de man en de vrouw ondertekend. De overwaarde bedroeg € 73.776,71. De notaris heeft de helft van de overwaarde (€ 36.888,36) aan ieder van partijen overgemaakt.
Bij beschikking van 4 april 2023 heeft de rechtbank de ontbinding van het huwelijk van partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 7 november 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De procedure bij de rechtbank
3.2.1.
In deze procedure vordert de man om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen:
a. a) om, binnen drie dagen na het vonnis dan wel binnen drie dagen na betekening van het vonnis, € 36.888,36 aan de man te betalen, dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2022, dan wel vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
b) in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft de man, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
In 2001 heeft hij de woning gekocht. Hij heeft voor de betaling van de koopsom een hypothecaire geldlening afgesloten. De woning is op 20 april 2001 (uitsluitend) aan hem geleverd. Hij heeft vervolgens de woning verkocht en deze is op 8 april 2022 geleverd aan de kopers. De overwaarde bedroeg € 73.776,71. De notaris heeft ten onrechte de helft van deze overwaarde naar hem overgemaakt en de andere helft naar de vrouw. Door de scheiding van tafel en bed van partijen was de huwelijksgemeenschap ontbonden. De vrouw heeft dus geen recht op de overwaarde. Zij moet daarom € 36.888,36 aan hem voldoen vanwege onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatige daad of de eisen van redelijkheid en billijkheid.
3.2.3.
De vrouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de man in de proceskosten. Volgens de vrouw hadden partijen de afspraak gemaakt dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning. Er is geen sprake van onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking of een onrechtmatige daad. Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen geen toewijzing van de vordering. Verder heeft de vrouw een beroep gedaan op rechtsverwerking.
3.2.4.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van de vrouw op het bestaan van een afspraak, niet kan slagen. Dat geldt ook voor haar beroep op rechtsverwerking. De rechtbank heeft daarom de vordering van de man toegewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De procedure in hoger beroep
3.3.
De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, afwijzing van de vorderingen van de man althans niet ontvankelijk-verklaring van hem in zijn vordering, ‘kosten rechtens’. Zij heeft hiertoe één grief aangevoerd.
De man heeft de grief weersproken.
3.4.1.
De grief richt zich, zo begrijpt het hof, tegen de rechtsoverwegingen 4.6. en 4.7. van het betreden vonnis. De rechtbank overweegt daarin als volgt.
“4.6. Aangezien op de vrouw de stelplicht rust en gezien het gemotiveerde verweer van de man, had het op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling te onderbouwen. Dit had zij bijvoorbeeld kunnen doen door een schriftelijke overeenkomst te overleggen, dan wel gemotiveerd aan te geven wanneer partijen elkaar gesproken hebben, wat zij toen besproken hebben en welke personen daarbij aanwezig waren. De vrouw heeft haar stellingen echter op geen enkele wijze onderbouwd. Zij verwijst wel naar het e-mailbericht van de kantoorgenoot van de notaris, waarin deze aangeeft “Partijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over de uitbetaling van de gelden. Daar is de notaris geen partij bij geweest.”, maar deze enkele uitlating van de kantoorgenoot, die zelf niet betrokken is geweest bij de overdracht van de woning, is onvoldoende om vast te stellen dat partijen een afspraak hebben gemaakt inhield dat de vrouw recht had op de helft van de overwaarde.
4.7.
Kortom, de vrouw heeft nagelaten om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden vastgesteld dát (én welke) afspraken partijen hebben gemaakt. Zij heeft daarmee niet aan haar stelplicht voldaan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Haar verweer slaagt niet.”
3.4.2.
De vrouw heeft haar grief als volgt toegelicht.
Partijen zijn, ondanks dat de woning niet tot hun huwelijksgemeenschap behoort, overeengekomen dat zij gerechtigd is tot helft van de overwaarde van de woning (randnrs. 7 tot en met 9 mvg). Zij wijst daarbij op het volgende. De man heeft in 2001 de eigendom van de woning verworven. De man heeft haar kort daarna medegedeeld dat zij recht heeft op de helft van de waarde (het hof begrijpt: de overwaarde, zie randnr. 9 mvg) van de woning. Dat was redelijk omdat zij, in het kader van de scheiding van tafel en bed, geen alimentatie aan de man had gevraagd terwijl zij daar wel recht op had. Doordat de man niet alimentatieplichtig was, kon hij de hypothecaire geldlening voor de woning verkrijgen. De man heeft ook in een e-mail van 26 juni 2022 aan zijn eigen advocaat aangegeven dat de vrouw de helft van de overwaarde mocht behouden toen hij schreef “en dat ze er gelukkig mee wordt” (productie 4 bij cva).
De vrouw biedt aan te bewijzen dat de man heeft aangegeven dat zij recht heeft op de helft van de waarde (het hof begrijpt: overwaarde) van de woning door het horen van haarzelf en de dochter van partijen als getuigen.
In 2022 verkoopt de man de woning. Zijn zoon neemt in dat verband namens de man contact met haar op. Hij vertelt dat de notaris heeft aangegeven dat ook de vrouw de akte van levering moet ondertekenen omdat partijen nog steeds zijn gehuwd. Ook meldt de zoon namens de man dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde. De man wist op dat moment dat de woning niet tot huwelijksgemeenschap behoorde en de vrouw daarom geen recht had op de helft van de overwaarde.
Verder staat in de nota van afrekening van de notaris (productie 4 mvg) dat “na akkoord op de narecherche” de helft van de overwaarde wordt overgemaakt naar de vrouw. Dit betekent dat de man na de levering alsnog zijn akkoord heeft gegeven aan de uitbetaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw.
Ook de kopers verklaren (productie 3 mvg) dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat de man de overwaarde met haar zal delen. De levering is daarvoor zelfs uitgesteld.
De man stelt nu dat hij door de kopers dan wel de notaris onder druk is gezet of is misleid. Dit argument heeft hij echter nooit eerder naar voren gebracht terwijl hij daartoe wel de gelegenheid had. Hij heeft de afspraken nooit weersproken. Sterker nog, hij heeft de boeteclausule zonder bezwaar geaccepteerd. Ook heeft hij de levering uitgesteld en daarbij gesteld dat de handtekening van de vrouw nodig was om de levering rechtsgeldig af te ronden. Dit suggereert dat de man akkoord ging met de voorwaarden van de overeenkomst en ondertekening door de vrouw van de levering van de woning ten overstaan van de notaris (randnummer 19 mvg).
De man heeft tot het moment waarop de vrouw startte met de ontbindingsprocedure van het huwelijk, berust in de afrekening van de notaris. Daarom moet er van worden uitgegaan dat sprake is van een redelijke afrekening.
3.4.3.
De man heeft de grief weersproken. Hij heeft het volgende naar voren gebracht.
afspraak partijen
Partijen hebben in 2001 en in 2022 niet de afspraak gemaakt dat de vrouw gerechtigd zou zijn tot de helft van de overwaarde van de woning.
2001
Partijen zijn in 1993 gescheiden van tafel en bed. Daarbij is hem geen alimentatieverplichting opgelegd. Het is niet redelijk om de vrouw voor het ontbreken van die alimentatieverplichting na 29 jaar (de woning is verkocht in 2022) alsnog te compenseren met de helft van de overwaarde van de woning. De woning is alleen door hem gekocht en hij heeft ook de lasten die aan die woning zijn verbonden gedurende ruim 20 jaar (de woning is gekocht in 2001) alleen voldaan.
2022
De notaris heeft een fout gemaakt. De vrouw heeft dat erkend. Volgens de notaris moest de vrouw meewerken aan de levering van de woning omdat partijen nog gehuwd waren. De notaris wilde alleen meewerken aan de levering als de vrouw de akte van levering zou ondertekenen. De vrouw wilde die akte alleen tekenen als zij de helft van de overwaarde van de woning zou krijgen. De man kon de notaris niet op andere gedachten brengen. De man voelde zich door deze gang van zaken onder druk gezet omdat hij i) bij niet tijdige levering op grond van een boetebeding schadeplichtig zou zijn jegens de kopers en ii) de verkoopopbrengst nodig had. Anders dan de vrouw betoogt, hebben de kopers hem niet onder druk gezet.
Omdat het duidelijk was dat de notaris een fout heeft gemaakt, ging de man er van uit dat de vrouw de helft van de overwaarde aan hem zou betalen.
rol zoon
De zoon is niet namens de man opgetreden. Zijn zoon was daartoe ook niet bevoegd omdat hij de zoon geen opdracht tot vertegenwoordiging had gegeven.
gerechtvaardigd vertrouwen vrouw
De vrouw mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de ondertekening door de man van de akte van levering inhield dat zij recht had op de helft van de overwaarde. Hij heeft de akte getekend omdat de woning aan de kopers moest worden geleverd, hij schade wilde voorkomen en hij de verkoopopbrengst nodig had.
De vrouw doet ook nog een beroep op (de uitleg van) de volgende documenten: i. een e-mailbericht van de man aan zijn advocaat, ii. een verklaring van de kopers, iii. de nota van afrekening van de notaris. Hij weerspreekt die uitleg.
uitleg e-mailbericht 26 juni 2022
De vrouw leidt ten onrechte uit dit e-mailbericht van de man aan zijn advocaat af dat tussen partijen een afspraak tot stand is gekomen. Deze e-mail was niet voor de vrouw bestemd. De e-mail geeft aan dat hij op enig moment even heeft gedacht ‘de zaak maar te stoppen’. In een sms-bericht van 13 april 2022 van hem aan de vrouw, heeft hij de vrouw medegedeeld dat hij aanspraak maakt op het volledige bedrag (prod. 1 bij mva).
verklaring kopers
De verklaring van de kopers is een juiste weergave van de eisen van de notaris om mee te werken aan de akte van levering. Het feit dat de man contact heeft opgenomen met de kopers en daarbij heeft aangegeven dat de notaris hem verplichtte de helft van de overwaarde aan de vrouw uit te keren, wil niet zeggen dat de vrouw daar recht op heeft. De vrouw kon daar ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen dat zij recht had op de helft van de overwaarde aan ontlenen.
nota van afrekening
De man heeft bij de notaris verklaard onder protest akkoord te zijn gegaan. Het standpunt van de vrouw dat hij in de nota van afrekening heeft berust, is niet juist. Hij heeft altijd gewenst de gehele overwaarde te ontvangen.
3.4.4.
De vrouw stelt in haar akte dat zij niet heeft erkend dat de notaris een fout heeft gemaakt. De man is bij de notaris akkoord gegaan met de boetes. In de nota van afrekening staat dat de man de overwaarde met de vrouw zal verdelen. “De man was hierin vrij om alsnog het overwaarde niet te verdelen na alle druk dat volgens hem eerder heeft ervaren” (randnr. 13 akte vrouw).
3.4.5.
De man heeft in zijn akte het volgende naar voren gebracht. De vrouw stelt nu niet te hebben erkend dat i) de notaris een fout heeft gemaakt en ii) zij geen recht heeft op de overwaarde. Dat is in tegenspraak met haar memorie van grieven. Daarin heeft zij juist erkend dat de notaris een fout heeft gemaakt en dat zij “daar juridisch geen recht op heeft” (randnummer 3 akte man).
Hij heeft nooit enige boetes van de kopers geaccepteerd.
Volgens de vrouw heeft zij nooit om alimentatie verzocht. Bij het (hof: niet overgelegde) vonnis van de rechtbank Breda van 3 mei 1993 is bij de vorderingen van de vrouw vermeld: “met vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding”. Partijen hebben nooit de afspraak gemaakt dat de man geen alimentatie zou betalen zodat de vrouw in de verre toekomst aanspraak zou kunnen maken op een overwaarde.
3.5.
Het hof overweegt als volgt.
3.5.1.
In haar memorie van grieven schrijft de vrouw in de randnummers 6 tot en met 8 het volgende.
6. Echter blijkt uit de verklaring omtrent de aankoop van de woning (…), dat tijdens de voorbereiding van de overdracht naar voren kwam dat [geïntimeerde] nog steeds gehuwd was (productie 6 bij dagvaarding). Voor een rechtsgeldige overdracht van de woning aan de koper, werd de handtekening van appellante verzocht.
7. Hetgeen is gesteld onder punt 6 is dan ook juridisch gezien een fout van de notaris (onderstreping hof) in het onderzoek en de vordering van de overdracht van de woning. De scheiding van tafel en bed stond immers ingeschreven in het huwelijksgoederenregister ingeschreven (sic). Juridisch gezien waren appellante en geïntimeerde dan ook gescheiden van tafel en bed en was voor een geldige overdracht geen handtekening van appellante vereist.
8. 8. Juridisch bezien had de vrouw dan ook geen recht op de overwaarde (onderstreping hof).”
In haar akte schrijft de vrouw vervolgens:
“3. De vrouw heeft Niet toegeven (sic) dat de notaris fout heeft gemaakt. De vrouw heeft altijd beweert (sic) dat als de notaris vindt dat zij recht heeft op het bedrag dan zou het juridisch goed zitten.
4. De vrouw kan nooit erkennen dat zij geen recht heeft op de overwaarde. Van wat zij allemaal beleefd had tijdens en na het huwelijk, zou de vrouw anders toch niet in beroep zijn gegaan?”
Voor zover deze stelling van de vrouw in haar akte moet worden begrepen als een nieuwe grief, is die grief in strijd met de twee-conclusie-regel. De in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in geval van incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Van een uitzondering op deze regel, is in deze zaak niet gebleken. Het hof zal daarom geen acht slaan op de bovenstaande stellingen in de akte van de vrouw.
3.5.2.
Krachtens het in 1993 toepasselijke recht, werd de huwelijksgemeenschap van rechtswege ontbonden door een scheiding van tafel en bed (art: 1:99 lid 1 sub b (oud) BW ‘de gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden door scheiding van tafel en bed’) (zie ook rov. 4.3 in het bestreden vonnis waartegen geen grief is gericht). De man heeft de woning nadien verkregen, zodat deze uitsluitend tot zijn (privé) vermogen behoort. Dit betekent dat de vrouw op grond van de wettelijke bepalingen inzake het huwelijksvermogensrecht geen recht heeft op de helft van de overwaarde.
3.5.3.
De vrouw heeft betoogd dat tussen partijen (stilzwijgend) een afspraak over de overwaarde van de woning van de man tot stand is gekomen. Op grond van die afspraak, zou zij recht hebben op de helft van die overwaarde.
Met die stelling beoogt de vrouw een zelfstandig rechtsgevolg. Dat betekent dat op grond van art. 150 Rv de stelplicht (en bewijslast) van de feiten die het door haar bepleite rechtsgevolg kunnen bewerkstellingen, op haar rust.
Het hof begrijpt de stellingen van de vrouw aldus dat zij, op basis van de uitlatingen van de man (in zijn e-mail aan zijn advocaat en jegens de kopers) en zijn ondertekening van de akte en de nota van afrekening van de notaris nadien, bezien in het licht van het feit dat de man haar – na de scheiding van tafel en bed – geen alimentatie heeft betaald, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij gerechtigd was tot de helft van de overwaarde bij verkoop van de woning. De man heeft weersproken dat de vrouw daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen.
3.5.4.
Voor het tot stand komen van een overeenkomst (of rechtens relevante afspraak) is vereist (art. 3:33 BW) dat de wil en verklaringen van partijen met elkaar overeenstemmen. Voor zover dat niet het geval is (en daarvan is in deze zaak sprake – het gaat in deze zaak over de vraag of sprake is van wilsontbreken), moet rekening worden gehouden met hetgeen in art. 3:35 BW is bepaald:
“Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van de met deze verklaring overeenstemmende wil.”
Het gaat daarbij dus om het gerechtvaardigde vertrouwen (van in dit geval van de vrouw) dat wil en verklaring wél overeenstemden. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer worden gewezen op de voorgeschiedenis die partijen hebben gehad, de onderlinge verhouding van partijen, de context waarin de verklaring plaatsvindt en het resultaat waartoe een bepaalde uitleg van de verklaring of gedraging zou leiden. Ook feiten en omstandigheden die zich na het verrichten van de rechtshandeling voordoen, kunnen een aanwijzing vormen voor de beantwoording van de vraag of de andere partij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de verklaring c.q. gedraging van de handelende partij.
3.5.5.
In deze zaak is van belang dat in 1993 de scheiding van tafel bed van partijen is uitgesproken (en het desbetreffende vonnis is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister). In 2001, derhalve 8 jaar na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, koopt de man een woning. Hij sluit daartoe alleen hypothecaire geldlening af en, zo staat als onbestreden vast, hij draagt tot het moment van verkoop van de woning, ruim 20 jaar later, alleen de lasten van die woning. De periode tussen de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en de verkoop van de woning is 29 jaar.
3.5.6.
Deze omstandigheden moeten in acht worden genomen bij de vraag of de vrouw, op basis van een e-mail van de man aan zijn advocaat, een verklaring van de kopers van de woning en de nota van afrekening van de notaris (in relatie tot het door beide partijen ondertekenen van de akte van levering), er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de man haar, kort gezegd bij de verkoop van de woning had toegezegd dat zij recht zou hebben op de helft van de overwaarde.
e-mail aan advocaat man
In deze e-mail schrijft de man:
“heb ik het besluit genomen niet verder te gaan met de juridische procedure tegen “mijn vrouw”. Ik heb geen zin tegen mijn “eigen vrouw” te strijden.
Ook al hebt (sic) zij de “35.000 euro” onterecht ontvangen.
Ik kan haar telefonisch niet bereiken, maar ach laat ze er “gelukkig” mee zijn.”
Voor zover er van zou moeten worden uitgegaan dat de man met deze e-mail heeft erkend dat de vrouw recht zou hebben op de helft van de overwaarde, kan dat niet tot het oordeel leiden dat de vrouw op grond van deze e-mail er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij met de man de afspraak heeft gemaakt dat zij gerechtigd is tot de helft van de overwaarde gelet op de volgende feiten en omstandigheden.
Allereerst was deze e-mail niet tot de vrouw gericht maar uitsluitend tot zijn advocaat. Het staat de man vrij gedachten en wensen (via e-mail) met zijn advocaat te bespreken zonder dat hij daaraan jegens de vrouw (nu zij niet tot de geadresseerden van de e-mail behoorde) gebonden moet worden geacht. De omstandigheid dat zij de e-mail kennelijk van de dochter heeft ontvangen, kan niet leiden tot een ander oordeel nu de dochter, zo staat onbestreden vast, deze e-mail zonder overleg en toestemming van de man aan de vrouw heeft doorgestuurd. Ook kan niet worden vastgesteld dat de vrouw, ofschoon zij niet tot de geadresseerden van de e-mail behoorde, de e-mail rechtstreeks van de man of zijn advocaat heeft ontvangen.
Daarmee is geen sprake van een verklaring of gedraging van de man jegens de vrouw in de zin van art. 3:35 BW.
Bovendien is van belang dat de vrouw zelf op 13 april 2022 een (wel) rechtstreeks van de man afkomstig sms-bericht ontving. In dat sms-bericht (prod. 1 bij mva) maakte hij kenbaar dat hij aanspraak maakte op terugbetaling door de vrouw van de door haar ontvangen overwaarde. Toen zij via de dochter de e-mail van de man aan zijn advocaat ontving (en zij had moeten begrijpen dat sprake was van een inconsistentie in de berichtgeving door de man), had zij zich moeten vergewissen van de werkelijke bedoeling van de man. Gesteld noch gebleken is dat zij dit heeft gedaan.
verklaring kopers (prod. 3 mvg)
In de verklaring is het volgende opgenomen:
“Tijdens de voorbereiding van de overdracht kwam naar voren dat [geïntimeerde] nog steeds gehuwd was. Hierdoor bleek dat voor rechtsgeldige overdracht ook de handtekening van [appellante] , zijn echtgenote, vereist was. Zonder haar handtekening kon de overdracht niet worden voltooid.
[geïntimeerde] heeft tijdens dit proces verklaard dat de medewerking van [appellante] noodzakelijk is en dat hij de opbrengst van de verkoop ook met haar zou delen. Hij gaf aan dat haar handtekening en instemming benodigd waren voor de overdracht, tenzij hij ervoor zou kiezen de opbrengst niet met haar te delen. Dit was zijn eigen verklaring en toelichting aan ons als kopers ten tijde van de transactie.
Wij hebben toen afgesproken de overdracht uit te stellen totdat [appellante] haar handtekening kon zetten. [geïntimeerde] bevestigde hierbij dat haar medewerking nodig is om de verkoop rechtsgeldig af te ronden en dat hij de gelden naar behoren met haar zal verdelen.”
Bij de toepassing van art. 3:35 BW moet het gaan om een verklaring of gedraging van een handelende persoon, in dit geval de man. De verklaring van de kopers is echter geen verklaring die afkomstig is van de man. Deze verklaring kan reeds daarom niet dienen ter onderbouwing van de stelling van de vrouw dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat de overwaarde bij helfte moet worden verdeeld.
rol notaris en nota van afrekening
Ook de nota van afrekening van de notaris kan niet worden aangemerkt als een verklaring en gedraging van de man. De zinsnede “na akkoord op de na-recherche” houdt geen verklaring of gedraging in van de man. De nota van afrekening is opgesteld door de notaris vanuit het (door partijen als onjuist aangemerkte) perspectief van de notaris (i.e. partijen waren nog gehuwd, de huwelijksgemeenschap was nog niet ontbonden en daarom was de vrouw gerechtigd tot de helft van de overwaarde). Dit geldt ook voor de ondertekening van de akte door de man. Dat de vrouw uit de ondertekening van de akte niet mocht begrijpen dat partijen de afspraak hadden gemaakt dat zij de overwaarde bij helfte zouden delen, volgt ook uit het sms-bericht dat de man al op 13 april 2022 (dus kort na de levering) naar haar stuurde en waarin hij aanspraak maakte op betaling aan hem van het door de notaris aan de vrouw uitgekeerde bedrag vanwege de overwaarde van de woning.
Gelet op het vorenstaande mocht de vrouw er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat uit de ondertekening van de akte door de man en de nota van afrekening volgt dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat zij recht zou hebben op de helft van de overwaarde.
relatie met ontbreken alimentatieverplichting
Ten slotte stelt de vrouw dat haar aanspraak op de helft van de overwaarde redelijk is, omdat de man haar na de scheiding van tafel en bed nooit alimentatie heeft betaald.
Weliswaar dienen ex-echtgenoten (en ook partijen tussen wie in eerste instantie alleen sprake was van een scheiding van tafel en bed) de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar in acht te nemen (art. 6:2 BW). In dit geval is echter sprake van een zeer aanzienlijk tijdsverloop tussen de scheiding van tafel en bed (1993) en de verdeling van de verkoopopbrengst in 2022 (29 jaar) (zie rov. 3.5.5. hiervóór). Iedere relatie tussen de scheiding van tafel en bed en de verkoopopbrengst van een uitsluitend door de man gefinancierde woning ontbreekt. Daarom mocht de vrouw uit het niet betalen van alimentatie niet redelijkerwijze afleiden dat de man de vrouw daarvoor zou compenseren door het delen van de overwaarde bij helfte.
Bewijsaanbod vrouw
3.6.
De vrouw heeft, in het licht van de uitgebreid gemotiveerde betwisting van de man, haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat het hof het bewijsaanbod van de vrouw zal passeren.
Samenvatting
3.7.
Het verweer van de vrouw treft geen doel. Dat betekent dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen.
Proceskosten
Het hof zal met toepassing van art. 237 Rv in verbinding met art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis
wijst af het meer of anders gevorderde;
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer 30 september 2025.
griffier rolraadsheer
Team Familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.347.543/01
arrest van 30 september 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te Leiden,
appellante,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te Wolphaartsdijk,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg.
op het bij exploot van dagvaarding van 19 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 mei 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de verdeling van de overwaarde van de woning van de man. Partijen zijn in 1993 gescheiden van tafel en bed. In 2001 heeft de man de eigendom van een woning verkregen. De man verkoopt deze woning in 2022. Tussen partijen is in geschil of zij afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de overwaarde van die woning.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/414630 / HA ZA 23-525)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met twee producties (vonnis 24 januari 2024 en vonnis 22 mei 2024);
de memorie van grieven met vijf producties;
de memorie van antwoord met één productie;
de akte van de vrouw;
de antwoordakte van de man.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3De beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
Partijen zijn op 13 mei 1983 gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
De rechtbank heeft bij vonnis van 12 januari 1993 de scheiding van tafel en bed van partijen uitgesproken. Dit vonnis is op 3 mei 1993 ingeschreven in het huwelijksgoederenregister van de rechtbank.
In 2001 heeft de man de onroerende zaak aan [adres] (hierna: de woning) gekocht. De woning is op 20 april 2001 aan de man geleverd. De man heeft de koop van de woning gefinancierd met een hypothecaire geldlening op uitsluitend zijn naam.
De man heeft de woning in 2022 aan derden verkocht. De akte van levering is door de man en de vrouw ondertekend. De overwaarde bedroeg € 73.776,71. De notaris heeft de helft van de overwaarde (€ 36.888,36) aan ieder van partijen overgemaakt.
Bij beschikking van 4 april 2023 heeft de rechtbank de ontbinding van het huwelijk van partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 7 november 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De procedure bij de rechtbank
3.2.1.
In deze procedure vordert de man om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen:
a. a) om, binnen drie dagen na het vonnis dan wel binnen drie dagen na betekening van het vonnis, € 36.888,36 aan de man te betalen, dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2022, dan wel vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
b) in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft de man, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
In 2001 heeft hij de woning gekocht. Hij heeft voor de betaling van de koopsom een hypothecaire geldlening afgesloten. De woning is op 20 april 2001 (uitsluitend) aan hem geleverd. Hij heeft vervolgens de woning verkocht en deze is op 8 april 2022 geleverd aan de kopers. De overwaarde bedroeg € 73.776,71. De notaris heeft ten onrechte de helft van deze overwaarde naar hem overgemaakt en de andere helft naar de vrouw. Door de scheiding van tafel en bed van partijen was de huwelijksgemeenschap ontbonden. De vrouw heeft dus geen recht op de overwaarde. Zij moet daarom € 36.888,36 aan hem voldoen vanwege onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatige daad of de eisen van redelijkheid en billijkheid.
3.2.3.
De vrouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de man in de proceskosten. Volgens de vrouw hadden partijen de afspraak gemaakt dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning. Er is geen sprake van onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking of een onrechtmatige daad. Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen geen toewijzing van de vordering. Verder heeft de vrouw een beroep gedaan op rechtsverwerking.
3.2.4.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van de vrouw op het bestaan van een afspraak, niet kan slagen. Dat geldt ook voor haar beroep op rechtsverwerking. De rechtbank heeft daarom de vordering van de man toegewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De procedure in hoger beroep
3.3.
De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, afwijzing van de vorderingen van de man althans niet ontvankelijk-verklaring van hem in zijn vordering, ‘kosten rechtens’. Zij heeft hiertoe één grief aangevoerd.
De man heeft de grief weersproken.
3.4.1.
De grief richt zich, zo begrijpt het hof, tegen de rechtsoverwegingen 4.6. en 4.7. van het betreden vonnis. De rechtbank overweegt daarin als volgt.
“4.6. Aangezien op de vrouw de stelplicht rust en gezien het gemotiveerde verweer van de man, had het op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling te onderbouwen. Dit had zij bijvoorbeeld kunnen doen door een schriftelijke overeenkomst te overleggen, dan wel gemotiveerd aan te geven wanneer partijen elkaar gesproken hebben, wat zij toen besproken hebben en welke personen daarbij aanwezig waren. De vrouw heeft haar stellingen echter op geen enkele wijze onderbouwd. Zij verwijst wel naar het e-mailbericht van de kantoorgenoot van de notaris, waarin deze aangeeft “Partijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over de uitbetaling van de gelden. Daar is de notaris geen partij bij geweest.”, maar deze enkele uitlating van de kantoorgenoot, die zelf niet betrokken is geweest bij de overdracht van de woning, is onvoldoende om vast te stellen dat partijen een afspraak hebben gemaakt inhield dat de vrouw recht had op de helft van de overwaarde.
4.7.
Kortom, de vrouw heeft nagelaten om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden vastgesteld dát (én welke) afspraken partijen hebben gemaakt. Zij heeft daarmee niet aan haar stelplicht voldaan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Haar verweer slaagt niet.”
3.4.2.
De vrouw heeft haar grief als volgt toegelicht.
Partijen zijn, ondanks dat de woning niet tot hun huwelijksgemeenschap behoort, overeengekomen dat zij gerechtigd is tot helft van de overwaarde van de woning (randnrs. 7 tot en met 9 mvg). Zij wijst daarbij op het volgende. De man heeft in 2001 de eigendom van de woning verworven. De man heeft haar kort daarna medegedeeld dat zij recht heeft op de helft van de waarde (het hof begrijpt: de overwaarde, zie randnr. 9 mvg) van de woning. Dat was redelijk omdat zij, in het kader van de scheiding van tafel en bed, geen alimentatie aan de man had gevraagd terwijl zij daar wel recht op had. Doordat de man niet alimentatieplichtig was, kon hij de hypothecaire geldlening voor de woning verkrijgen. De man heeft ook in een e-mail van 26 juni 2022 aan zijn eigen advocaat aangegeven dat de vrouw de helft van de overwaarde mocht behouden toen hij schreef “en dat ze er gelukkig mee wordt” (productie 4 bij cva).
De vrouw biedt aan te bewijzen dat de man heeft aangegeven dat zij recht heeft op de helft van de waarde (het hof begrijpt: overwaarde) van de woning door het horen van haarzelf en de dochter van partijen als getuigen.
In 2022 verkoopt de man de woning. Zijn zoon neemt in dat verband namens de man contact met haar op. Hij vertelt dat de notaris heeft aangegeven dat ook de vrouw de akte van levering moet ondertekenen omdat partijen nog steeds zijn gehuwd. Ook meldt de zoon namens de man dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde. De man wist op dat moment dat de woning niet tot huwelijksgemeenschap behoorde en de vrouw daarom geen recht had op de helft van de overwaarde.
Verder staat in de nota van afrekening van de notaris (productie 4 mvg) dat “na akkoord op de narecherche” de helft van de overwaarde wordt overgemaakt naar de vrouw. Dit betekent dat de man na de levering alsnog zijn akkoord heeft gegeven aan de uitbetaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw.
Ook de kopers verklaren (productie 3 mvg) dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat de man de overwaarde met haar zal delen. De levering is daarvoor zelfs uitgesteld.
De man stelt nu dat hij door de kopers dan wel de notaris onder druk is gezet of is misleid. Dit argument heeft hij echter nooit eerder naar voren gebracht terwijl hij daartoe wel de gelegenheid had. Hij heeft de afspraken nooit weersproken. Sterker nog, hij heeft de boeteclausule zonder bezwaar geaccepteerd. Ook heeft hij de levering uitgesteld en daarbij gesteld dat de handtekening van de vrouw nodig was om de levering rechtsgeldig af te ronden. Dit suggereert dat de man akkoord ging met de voorwaarden van de overeenkomst en ondertekening door de vrouw van de levering van de woning ten overstaan van de notaris (randnummer 19 mvg).
De man heeft tot het moment waarop de vrouw startte met de ontbindingsprocedure van het huwelijk, berust in de afrekening van de notaris. Daarom moet er van worden uitgegaan dat sprake is van een redelijke afrekening.
3.4.3.
De man heeft de grief weersproken. Hij heeft het volgende naar voren gebracht.
afspraak partijen
Partijen hebben in 2001 en in 2022 niet de afspraak gemaakt dat de vrouw gerechtigd zou zijn tot de helft van de overwaarde van de woning.
2001
Partijen zijn in 1993 gescheiden van tafel en bed. Daarbij is hem geen alimentatieverplichting opgelegd. Het is niet redelijk om de vrouw voor het ontbreken van die alimentatieverplichting na 29 jaar (de woning is verkocht in 2022) alsnog te compenseren met de helft van de overwaarde van de woning. De woning is alleen door hem gekocht en hij heeft ook de lasten die aan die woning zijn verbonden gedurende ruim 20 jaar (de woning is gekocht in 2001) alleen voldaan.
2022
De notaris heeft een fout gemaakt. De vrouw heeft dat erkend. Volgens de notaris moest de vrouw meewerken aan de levering van de woning omdat partijen nog gehuwd waren. De notaris wilde alleen meewerken aan de levering als de vrouw de akte van levering zou ondertekenen. De vrouw wilde die akte alleen tekenen als zij de helft van de overwaarde van de woning zou krijgen. De man kon de notaris niet op andere gedachten brengen. De man voelde zich door deze gang van zaken onder druk gezet omdat hij i) bij niet tijdige levering op grond van een boetebeding schadeplichtig zou zijn jegens de kopers en ii) de verkoopopbrengst nodig had. Anders dan de vrouw betoogt, hebben de kopers hem niet onder druk gezet.
Omdat het duidelijk was dat de notaris een fout heeft gemaakt, ging de man er van uit dat de vrouw de helft van de overwaarde aan hem zou betalen.
rol zoon
De zoon is niet namens de man opgetreden. Zijn zoon was daartoe ook niet bevoegd omdat hij de zoon geen opdracht tot vertegenwoordiging had gegeven.
gerechtvaardigd vertrouwen vrouw
De vrouw mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de ondertekening door de man van de akte van levering inhield dat zij recht had op de helft van de overwaarde. Hij heeft de akte getekend omdat de woning aan de kopers moest worden geleverd, hij schade wilde voorkomen en hij de verkoopopbrengst nodig had.
De vrouw doet ook nog een beroep op (de uitleg van) de volgende documenten: i. een e-mailbericht van de man aan zijn advocaat, ii. een verklaring van de kopers, iii. de nota van afrekening van de notaris. Hij weerspreekt die uitleg.
uitleg e-mailbericht 26 juni 2022
De vrouw leidt ten onrechte uit dit e-mailbericht van de man aan zijn advocaat af dat tussen partijen een afspraak tot stand is gekomen. Deze e-mail was niet voor de vrouw bestemd. De e-mail geeft aan dat hij op enig moment even heeft gedacht ‘de zaak maar te stoppen’. In een sms-bericht van 13 april 2022 van hem aan de vrouw, heeft hij de vrouw medegedeeld dat hij aanspraak maakt op het volledige bedrag (prod. 1 bij mva).
verklaring kopers
De verklaring van de kopers is een juiste weergave van de eisen van de notaris om mee te werken aan de akte van levering. Het feit dat de man contact heeft opgenomen met de kopers en daarbij heeft aangegeven dat de notaris hem verplichtte de helft van de overwaarde aan de vrouw uit te keren, wil niet zeggen dat de vrouw daar recht op heeft. De vrouw kon daar ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen dat zij recht had op de helft van de overwaarde aan ontlenen.
nota van afrekening
De man heeft bij de notaris verklaard onder protest akkoord te zijn gegaan. Het standpunt van de vrouw dat hij in de nota van afrekening heeft berust, is niet juist. Hij heeft altijd gewenst de gehele overwaarde te ontvangen.
3.4.4.
De vrouw stelt in haar akte dat zij niet heeft erkend dat de notaris een fout heeft gemaakt. De man is bij de notaris akkoord gegaan met de boetes. In de nota van afrekening staat dat de man de overwaarde met de vrouw zal verdelen. “De man was hierin vrij om alsnog het overwaarde niet te verdelen na alle druk dat volgens hem eerder heeft ervaren” (randnr. 13 akte vrouw).
3.4.5.
De man heeft in zijn akte het volgende naar voren gebracht. De vrouw stelt nu niet te hebben erkend dat i) de notaris een fout heeft gemaakt en ii) zij geen recht heeft op de overwaarde. Dat is in tegenspraak met haar memorie van grieven. Daarin heeft zij juist erkend dat de notaris een fout heeft gemaakt en dat zij “daar juridisch geen recht op heeft” (randnummer 3 akte man).
Hij heeft nooit enige boetes van de kopers geaccepteerd.
Volgens de vrouw heeft zij nooit om alimentatie verzocht. Bij het (hof: niet overgelegde) vonnis van de rechtbank Breda van 3 mei 1993 is bij de vorderingen van de vrouw vermeld: “met vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding”. Partijen hebben nooit de afspraak gemaakt dat de man geen alimentatie zou betalen zodat de vrouw in de verre toekomst aanspraak zou kunnen maken op een overwaarde.
3.5.
Het hof overweegt als volgt.
3.5.1.
In haar memorie van grieven schrijft de vrouw in de randnummers 6 tot en met 8 het volgende.
6. Echter blijkt uit de verklaring omtrent de aankoop van de woning (…), dat tijdens de voorbereiding van de overdracht naar voren kwam dat [geïntimeerde] nog steeds gehuwd was (productie 6 bij dagvaarding). Voor een rechtsgeldige overdracht van de woning aan de koper, werd de handtekening van appellante verzocht.
7. Hetgeen is gesteld onder punt 6 is dan ook juridisch gezien een fout van de notaris (onderstreping hof) in het onderzoek en de vordering van de overdracht van de woning. De scheiding van tafel en bed stond immers ingeschreven in het huwelijksgoederenregister ingeschreven (sic). Juridisch gezien waren appellante en geïntimeerde dan ook gescheiden van tafel en bed en was voor een geldige overdracht geen handtekening van appellante vereist.
8. 8. Juridisch bezien had de vrouw dan ook geen recht op de overwaarde (onderstreping hof).”
In haar akte schrijft de vrouw vervolgens:
“3. De vrouw heeft Niet toegeven (sic) dat de notaris fout heeft gemaakt. De vrouw heeft altijd beweert (sic) dat als de notaris vindt dat zij recht heeft op het bedrag dan zou het juridisch goed zitten.
4. De vrouw kan nooit erkennen dat zij geen recht heeft op de overwaarde. Van wat zij allemaal beleefd had tijdens en na het huwelijk, zou de vrouw anders toch niet in beroep zijn gegaan?”
Voor zover deze stelling van de vrouw in haar akte moet worden begrepen als een nieuwe grief, is die grief in strijd met de twee-conclusie-regel. De in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in geval van incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Van een uitzondering op deze regel, is in deze zaak niet gebleken. Het hof zal daarom geen acht slaan op de bovenstaande stellingen in de akte van de vrouw.
3.5.2.
Krachtens het in 1993 toepasselijke recht, werd de huwelijksgemeenschap van rechtswege ontbonden door een scheiding van tafel en bed (art: 1:99 lid 1 sub b (oud) BW ‘de gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden door scheiding van tafel en bed’) (zie ook rov. 4.3 in het bestreden vonnis waartegen geen grief is gericht). De man heeft de woning nadien verkregen, zodat deze uitsluitend tot zijn (privé) vermogen behoort. Dit betekent dat de vrouw op grond van de wettelijke bepalingen inzake het huwelijksvermogensrecht geen recht heeft op de helft van de overwaarde.
3.5.3.
De vrouw heeft betoogd dat tussen partijen (stilzwijgend) een afspraak over de overwaarde van de woning van de man tot stand is gekomen. Op grond van die afspraak, zou zij recht hebben op de helft van die overwaarde.
Met die stelling beoogt de vrouw een zelfstandig rechtsgevolg. Dat betekent dat op grond van art. 150 Rv de stelplicht (en bewijslast) van de feiten die het door haar bepleite rechtsgevolg kunnen bewerkstellingen, op haar rust.
Het hof begrijpt de stellingen van de vrouw aldus dat zij, op basis van de uitlatingen van de man (in zijn e-mail aan zijn advocaat en jegens de kopers) en zijn ondertekening van de akte en de nota van afrekening van de notaris nadien, bezien in het licht van het feit dat de man haar – na de scheiding van tafel en bed – geen alimentatie heeft betaald, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij gerechtigd was tot de helft van de overwaarde bij verkoop van de woning. De man heeft weersproken dat de vrouw daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen.
3.5.4.
Voor het tot stand komen van een overeenkomst (of rechtens relevante afspraak) is vereist (art. 3:33 BW) dat de wil en verklaringen van partijen met elkaar overeenstemmen. Voor zover dat niet het geval is (en daarvan is in deze zaak sprake – het gaat in deze zaak over de vraag of sprake is van wilsontbreken), moet rekening worden gehouden met hetgeen in art. 3:35 BW is bepaald:
“Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van de met deze verklaring overeenstemmende wil.”
Het gaat daarbij dus om het gerechtvaardigde vertrouwen (van in dit geval van de vrouw) dat wil en verklaring wél overeenstemden. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer worden gewezen op de voorgeschiedenis die partijen hebben gehad, de onderlinge verhouding van partijen, de context waarin de verklaring plaatsvindt en het resultaat waartoe een bepaalde uitleg van de verklaring of gedraging zou leiden. Ook feiten en omstandigheden die zich na het verrichten van de rechtshandeling voordoen, kunnen een aanwijzing vormen voor de beantwoording van de vraag of de andere partij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de verklaring c.q. gedraging van de handelende partij.
3.5.5.
In deze zaak is van belang dat in 1993 de scheiding van tafel bed van partijen is uitgesproken (en het desbetreffende vonnis is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister). In 2001, derhalve 8 jaar na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, koopt de man een woning. Hij sluit daartoe alleen hypothecaire geldlening af en, zo staat als onbestreden vast, hij draagt tot het moment van verkoop van de woning, ruim 20 jaar later, alleen de lasten van die woning. De periode tussen de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en de verkoop van de woning is 29 jaar.
3.5.6.
Deze omstandigheden moeten in acht worden genomen bij de vraag of de vrouw, op basis van een e-mail van de man aan zijn advocaat, een verklaring van de kopers van de woning en de nota van afrekening van de notaris (in relatie tot het door beide partijen ondertekenen van de akte van levering), er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de man haar, kort gezegd bij de verkoop van de woning had toegezegd dat zij recht zou hebben op de helft van de overwaarde.
e-mail aan advocaat man
In deze e-mail schrijft de man:
“heb ik het besluit genomen niet verder te gaan met de juridische procedure tegen “mijn vrouw”. Ik heb geen zin tegen mijn “eigen vrouw” te strijden.
Ook al hebt (sic) zij de “35.000 euro” onterecht ontvangen.
Ik kan haar telefonisch niet bereiken, maar ach laat ze er “gelukkig” mee zijn.”
Voor zover er van zou moeten worden uitgegaan dat de man met deze e-mail heeft erkend dat de vrouw recht zou hebben op de helft van de overwaarde, kan dat niet tot het oordeel leiden dat de vrouw op grond van deze e-mail er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij met de man de afspraak heeft gemaakt dat zij gerechtigd is tot de helft van de overwaarde gelet op de volgende feiten en omstandigheden.
Allereerst was deze e-mail niet tot de vrouw gericht maar uitsluitend tot zijn advocaat. Het staat de man vrij gedachten en wensen (via e-mail) met zijn advocaat te bespreken zonder dat hij daaraan jegens de vrouw (nu zij niet tot de geadresseerden van de e-mail behoorde) gebonden moet worden geacht. De omstandigheid dat zij de e-mail kennelijk van de dochter heeft ontvangen, kan niet leiden tot een ander oordeel nu de dochter, zo staat onbestreden vast, deze e-mail zonder overleg en toestemming van de man aan de vrouw heeft doorgestuurd. Ook kan niet worden vastgesteld dat de vrouw, ofschoon zij niet tot de geadresseerden van de e-mail behoorde, de e-mail rechtstreeks van de man of zijn advocaat heeft ontvangen.
Daarmee is geen sprake van een verklaring of gedraging van de man jegens de vrouw in de zin van art. 3:35 BW.
Bovendien is van belang dat de vrouw zelf op 13 april 2022 een (wel) rechtstreeks van de man afkomstig sms-bericht ontving. In dat sms-bericht (prod. 1 bij mva) maakte hij kenbaar dat hij aanspraak maakte op terugbetaling door de vrouw van de door haar ontvangen overwaarde. Toen zij via de dochter de e-mail van de man aan zijn advocaat ontving (en zij had moeten begrijpen dat sprake was van een inconsistentie in de berichtgeving door de man), had zij zich moeten vergewissen van de werkelijke bedoeling van de man. Gesteld noch gebleken is dat zij dit heeft gedaan.
verklaring kopers (prod. 3 mvg)
In de verklaring is het volgende opgenomen:
“Tijdens de voorbereiding van de overdracht kwam naar voren dat [geïntimeerde] nog steeds gehuwd was. Hierdoor bleek dat voor rechtsgeldige overdracht ook de handtekening van [appellante] , zijn echtgenote, vereist was. Zonder haar handtekening kon de overdracht niet worden voltooid.
[geïntimeerde] heeft tijdens dit proces verklaard dat de medewerking van [appellante] noodzakelijk is en dat hij de opbrengst van de verkoop ook met haar zou delen. Hij gaf aan dat haar handtekening en instemming benodigd waren voor de overdracht, tenzij hij ervoor zou kiezen de opbrengst niet met haar te delen. Dit was zijn eigen verklaring en toelichting aan ons als kopers ten tijde van de transactie.
Wij hebben toen afgesproken de overdracht uit te stellen totdat [appellante] haar handtekening kon zetten. [geïntimeerde] bevestigde hierbij dat haar medewerking nodig is om de verkoop rechtsgeldig af te ronden en dat hij de gelden naar behoren met haar zal verdelen.”
Bij de toepassing van art. 3:35 BW moet het gaan om een verklaring of gedraging van een handelende persoon, in dit geval de man. De verklaring van de kopers is echter geen verklaring die afkomstig is van de man. Deze verklaring kan reeds daarom niet dienen ter onderbouwing van de stelling van de vrouw dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat de overwaarde bij helfte moet worden verdeeld.
rol notaris en nota van afrekening
Ook de nota van afrekening van de notaris kan niet worden aangemerkt als een verklaring en gedraging van de man. De zinsnede “na akkoord op de na-recherche” houdt geen verklaring of gedraging in van de man. De nota van afrekening is opgesteld door de notaris vanuit het (door partijen als onjuist aangemerkte) perspectief van de notaris (i.e. partijen waren nog gehuwd, de huwelijksgemeenschap was nog niet ontbonden en daarom was de vrouw gerechtigd tot de helft van de overwaarde). Dit geldt ook voor de ondertekening van de akte door de man. Dat de vrouw uit de ondertekening van de akte niet mocht begrijpen dat partijen de afspraak hadden gemaakt dat zij de overwaarde bij helfte zouden delen, volgt ook uit het sms-bericht dat de man al op 13 april 2022 (dus kort na de levering) naar haar stuurde en waarin hij aanspraak maakte op betaling aan hem van het door de notaris aan de vrouw uitgekeerde bedrag vanwege de overwaarde van de woning.
Gelet op het vorenstaande mocht de vrouw er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat uit de ondertekening van de akte door de man en de nota van afrekening volgt dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat zij recht zou hebben op de helft van de overwaarde.
relatie met ontbreken alimentatieverplichting
Ten slotte stelt de vrouw dat haar aanspraak op de helft van de overwaarde redelijk is, omdat de man haar na de scheiding van tafel en bed nooit alimentatie heeft betaald.
Weliswaar dienen ex-echtgenoten (en ook partijen tussen wie in eerste instantie alleen sprake was van een scheiding van tafel en bed) de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar in acht te nemen (art. 6:2 BW). In dit geval is echter sprake van een zeer aanzienlijk tijdsverloop tussen de scheiding van tafel en bed (1993) en de verdeling van de verkoopopbrengst in 2022 (29 jaar) (zie rov. 3.5.5. hiervóór). Iedere relatie tussen de scheiding van tafel en bed en de verkoopopbrengst van een uitsluitend door de man gefinancierde woning ontbreekt. Daarom mocht de vrouw uit het niet betalen van alimentatie niet redelijkerwijze afleiden dat de man de vrouw daarvoor zou compenseren door het delen van de overwaarde bij helfte.
Bewijsaanbod vrouw
3.6.
De vrouw heeft, in het licht van de uitgebreid gemotiveerde betwisting van de man, haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat het hof het bewijsaanbod van de vrouw zal passeren.
Samenvatting
3.7.
Het verweer van de vrouw treft geen doel. Dat betekent dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen.
Proceskosten
Het hof zal met toepassing van art. 237 Rv in verbinding met art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis
wijst af het meer of anders gevorderde;
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer 30 september 2025.
griffier rolraadsheer