Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:2624
2025-09-25
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.348.953_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:GHSHE:2025:2624 → ECLI:NL:GHSHE:2025:865
Inhoudsindicatie
Ook bekrachtiging gezagsbeëindigende maatregel t.a.v. het oudste kind van de moeder. Afwijzing verzoek 810a Rv onderzoek. Het belang van de minderjarige verzet zich tegen een 810a Rv onderzoek.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:2632 Hoge Raad 05-09-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.075 tekens)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 25 september 2025
Zaaknummer : 200.348.953/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/397098 / FA RK 23-3926
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio] , locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat thans alleen nog over de minderjarige:
[minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ),
geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).
5De beschikking van het hof van 27 maart 2025
Bij die beschikking heeft het hof voor zover nog van belang de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2024 bekrachtigd, voor zover de rechtbank daarbij het gezag van de moeder over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] heeft beëindigd.
Ook heeft het hof in die beschikking het subsidiaire verzoek van de moeder tot het gelasten van een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , afgewezen.
In die beschikking heeft het hof ten aanzien [minderjarige 1] iedere verdere beslissing omtrent de beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en het subsidiaire verzoek van de moeder om een deskundigenverzoek als bedoeld in artikel 810a Rv ten aanzien van [minderjarige 1] te gelasten tot 1 juli 2025 pro forma aangehouden.
Het hof heeft de GI verzocht om uiterlijk 15 juni 2025 het hof schriftelijk te informeren en te rapporteren over de recente ontwikkelingen in de situatie van [minderjarige 1] en over de ontwikkelingen in de samenwerking tussen de GI en de moeder.
Daarbij heeft het hof de moeder en de raad in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen twee weken schriftelijk te reageren op genoemde rapportage van de GI.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het rapport met bijlagen van de GI van 11 juni 2025;
- de brief van de raad d.d. 19 juni 2025;
- het V8-formulier ingediend door de advocaat van de moeder op 1 juli 2025.
6.1.1.
Verder heeft de moeder op 25 juli 2025 nog twee e-mails naar het hof gestuurd. Het hof laat deze twee e-mails buiten beschouwing, gelet op de omstandigheid dat het aan de advocaat van de moeder is om stukken in te dienen. Het hof heeft de moeder hier 28 juli 2025 over geïnformeerd.
6.2.
De mondelinge behandeling in hoger beroep is voortgezet op 4 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Pool;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] .
6.2.1.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
6.2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat [minderjarige 1] wel van deze mogelijkheid gebruik had willen maken, maar dat de oproeping voor het kindgesprek hem te laat en niet volledig heeft bereikt. De moeder verzoekt het hof om [minderjarige 1] opnieuw voor een kindgesprek op te roepen.
6.2.3.
Het hof ziet geen aanleiding om [minderjarige 1] opnieuw uit te nodigen. Het hof heeft op 25 augustus 2025 de Basisregistratie Personen (BRP) geraadpleegd om de actuele verblijfplaats van [minderjarige 1] te achterhalen. Hieruit volgde dat [minderjarige 1] per 25 juli 2025 stond ingeschreven op [adres 1] te [plaats 1] , zijnde een accommodatie voor gesloten jeugdhulp van [instantie 1] . Het hof heeft op 26 augustus 2025 per post naar genoemd adres en per e-mail aan de GI een oproep voor het kindgesprek verzonden. Daarbij heeft het hof [minderjarige 1] de keuze gegeven om op 29 augustus 2025 om 11.00 uur of om op 2 september 2025 om 11.00 uur met de rechter te komen praten. [minderjarige 1] is de mogelijkheid geboden om het gesprek via Teams te laten plaatsvinden.
6.2.4.
De oproeping voor het kindgesprek per post is op 28 augustus 2025 bij het hof retour gekomen, met de mededeling dat [minderjarige 1] op genoemd adres is uitgeschreven. Het hof heeft op 28 augustus 2025 opnieuw de BRP geraadpleegd. Hieruit volgde dat [minderjarige 1] per 25 augustus 2025 staat ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 2] . Verder heeft het hof op 28 augustus 2025 telefonisch contact opgenomen met de GI om na te vragen waar [minderjarige 1] nu feitelijk verblijft. Het hof heeft daarbij gesproken met [vertegenwoordiger van de GI 1] . Zij heeft het hof medegedeeld dat [minderjarige 1] niet in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp in [instantie 1] heeft verbleven, dat zij niet op de hoogte is van de huidige verblijfplaats van [minderjarige 1] en dat hij bij de politie als vermist staat opgegeven.
Tot slot heeft het hof op 28 augustus 2025 – zekerheidshalve – nog een oproeping voor het kindgesprek op 2 september 2025 om 11.00 uur per post naar het adres [adres 2] te [plaats 2] verzonden.
[vertegenwoordiger van de GI 1] heeft verder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de GI de volledige oproepbrief met QR-code voor het kindgesprek naar [minderjarige 1] heeft geappt. Ook heeft de moeder in een gesprek met de GI de oproeping voor het kindgesprek benoemd. Volgens de GI waren de moeder en [minderjarige 1] wel degelijk op de hoogte van het kindgesprek.
6.2.5.
Genoemde feiten en omstandigheden maken dat [minderjarige 1] correct in de gelegenheid is gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Het hof wijst het verzoek van de moeder om [minderjarige 1] nog een keer uit te nodigen af.
7De verdere beoordeling
De nadere standpunten
7.1.
De GI heeft in genoemd rapport – samengevat – het volgende aangevoerd.
De GI vindt het noodzakelijk dat de voogdij over [minderjarige 1] bij de GI blijft berusten. Alleen dan kunnen de belangen van [minderjarige 1] worden gewaarborgd en kan er gewerkt worden aan een veilige en stabiele toekomst van [minderjarige 1] met enig perspectief.
Er was bij [minderjarige 1] de afgelopen periode sprake van grenzeloos gedrag op meerdere gebieden. Daarnaast is [minderjarige 1] betrokken geweest bij seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het gedrag van [minderjarige 1] komt voort uit trauma’s en het gebrek aan grenzen in zijn opvoeding. [minderjarige 1] verbleef het afgelopen jaar bij [instantie 2] . Daar werd gezien dat hij zich in optimale omstandigheden kan ontwikkelen en dan groei laat zien. Toch valt [minderjarige 1] snel terug in de hem bekende coping mechanismes: hij verzet zich of loopt weg. [minderjarige 1] zet dan verschillende mensen in, waaronder de moeder, om onrust te creëren. [minderjarige 1] loopt sinds 20 april 2025 veelvuldig weg. Hij onttrekt zich met steun van de moeder aan elke vorm van hulpverlening en inzet om binnen een open setting te kunnen verblijven. De GI ziet dat [minderjarige 1] in een snel tempo steeds verder afglijdt. De GI heeft na een intern overleg besloten dat een gesloten plaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is om het risico op weglopen en het ontwrichtende en criminele gedrag van [minderjarige 1] te beperken. [minderjarige 1] dient dan wel van de moeder toestemming te krijgen om elders te verblijven en hij dient de kans te krijgen om zich los te maken en te ontwikkelen zonder zorg te dragen voor anderen. Het lukt de moeder niet om zaken voor zichzelf te regelen, ergens op tijd te zijn en één visie vast te houden. Hierdoor gaan afspraken vaak niet door en wijzigt de visie van de moeder continu. In de periode van maart 2025 tot juni 2025 is de moeder structureel niet in staat gebleken om in het belang van [minderjarige 1] te handelen. Het is ondanks herhaalde inspanningen van de GI en de betrokken instanties niet haalbaar gebleken om tot samenwerking en tot een constructief contact met de moeder te komen. Zo komt de moeder afspraken niet na, is de communicatie met de moeder wisselend of ontbreekt deze en ondermijnt de moeder actief hulpverleningstrajecten die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1] .
Daarbij is zichtbaar dat [minderjarige 1] ernstig is gepositioneerd in een ouderrol binnen de thuissituatie van de moeder en dat sprake is van schadelijke parentificatie. [minderjarige 1] wordt daardoor belemmerd in zijn eigen ontwikkeling en autonomie. De afgelopen periode laat zien dat er alleen sprake kan zijn van passende zorg en ondersteuning voor [minderjarige 1] wanneer een onafhankelijke en professionele partij, zoals de GI, de regie voert.
7.1.1.
Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de GI in aanvulling op genoemd rapport – samengevat – nog het volgende aangevoerd.
De GI heeft [minderjarige 1] bij de politie als vermist opgegeven. Het is heftig om te horen dat de moeder wel weet waar [minderjarige 1] verblijft, maar dat zij dat bewust niet met de GI deelt. Sinds [minderjarige 1] vermist wordt, verneemt de GI niets meer van de moeder. De GI heeft veelvuldig geprobeerd om met de moeder tot een samenwerking te komen en de GI heeft daarbij ook aandacht gehad voor de mening van de moeder. Zo heeft de moeder contact opgenomen met de GI omdat zij het noodzakelijk vindt dat [minderjarige 1] een psycholoog bezoekt. Wanneer de GI vervolgens dan aan de moeder vraagt om de gegevens van de door haar gewenste psycholoog aan de GI te verstrekken, zodat de GI met deze contact kan opnemen, dan reageert de moeder daar niet meer op. De GI heeft ernstige zorgen over [minderjarige 1] . Hij is pas veertien jaar oud, hij kampt met een ernstig loyaliteitsconflict, hij heeft een zeer sterke vertrouwensband met de moeder en hij krijgt nu van de moeder geen ruimte voor zijn eigen ontwikkeling. De huidige situatie van [minderjarige 1] vraagt ook veel van de moeder. De moeder komt hierdoor bijvoorbeeld de omgangsregeling met haar andere kinderen niet na.
7.2.
De moeder kan zich niet verenigen met de inhoud van genoemd rapport van de GI. De moeder voert hieromtrent – samengevat – het volgende aan.
De moeder heeft een andere visie op de samenwerking met de GI dan de GI. [minderjarige 1] is bij [instantie 2] weggelopen. Door politie interventie heeft [minderjarige 1] de weg naar de moeder teruggevonden. [minderjarige 1] heeft enige tijd bij de moeder verbleven; dit verliep goed. [minderjarige 1] is het oudste kind van de moeder en zelfstandiger dan de andere kinderen. Toen [minderjarige 1] had vernomen dat hij gesloten geplaatst zou worden, raakte hij in paniek. [minderjarige 1] is toen opnieuw weggelopen. Hij verblijft nu bij familie van de moeder. De moeder heeft contact met [minderjarige 1] . Alle informatie die tot de verblijfplaats van [minderjarige 1] zou kunnen leiden heeft de moeder met de GI gedeeld. Primair is het in het belang van [minderjarige 1] dat de moeder weer met het gezag over [minderjarige 1] wordt belast. De moeder erkent dat [minderjarige 1] hulp nodig heeft. [minderjarige 1] doet suïcidale uitspraken. Ook moet [minderjarige 1] weer naar school gaan; dat wil [minderjarige 1] zelf ook. De moeder wil de gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] kunnen nemen. Zij zet zich in om de juiste hulpverlening en dagbesteding voor [minderjarige 1] te vinden. Dit kan de moeder echter niet zonder ouderlijk gezag realiseren. Verder handhaaft de moeder haar subsidiaire verzoek om ten aanzien van [minderjarige 1] een 810a Rv onderzoek te gelasten. Binnen dat 810a Rv onderzoek dient ook te worden onderzocht welke vorm van behandeling [minderjarige 1] nodig heeft.
7.3.
De raad heeft zich in genoemde brief van 19 juni 2025 geconformeerd aan het verzoek van de GI. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de raad – samengevat – hieraan nog het volgende toegevoegd.
Omdat eerder het perspectief van [minderjarige 1] nog niet duidelijk was, had de raad aanvankelijk nog in overweging genomen om het gezag over [minderjarige 1] bij de moeder te laten. Gelet op het feit dat er ernstige zorgen over [minderjarige 1] bestaan, het in de afgelopen periode snel bergafwaarts is gegaan met [minderjarige 1] en de moeder nog steeds niet samenwerkt met de GI, dient ook het gezag van de moeder over [minderjarige 1] beëindigd te blijven. De rechtbank heeft die beslissing destijds op de juist gronden genomen. De moeder zou – wanneer zij het gezag over [minderjarige 1] heeft – dit gezag kunnen misbruiken om [minderjarige 1] te verstoppen en hem aan de noodzakelijke hulpverlening te onttrekken. Dit doet de moeder nu al, terwijl de GI met de voogdij over [minderjarige 1] is belast.
De motivering van de beslissing
7.4.
Het hof overweegt het volgende.
Gezag
7.4.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
7.4.2.
Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een minderjarige is blijkens de memorie van toelichting bij artikel 1:266 aanhef en sub a BW de periode van onzekerheid over in welk gezin de minderjarige verder zal opgroeien hij/zij kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn of haar ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een aanvaardbare termijn is, is onder meer afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling(sfase). Ook speelt daarbij een rol in hoeverre de minderjarige last heeft van de onduidelijkheid omtrent het perspectief door de jaarlijkse verlengingen van de kinderbe-schermingsmaatregelen en of de minderjarige hiermee door de ouder(s) wordt belast.
7.4.3.
De rechter dient ook na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel).
7.4.4.
Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn.
Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken.
Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind.
7.4.5.
Het hof is van oordeel dat ook de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] inmiddels is verstreken. Hoewel [minderjarige 1] nog steeds niet op een perspectiefbiedende plek verblijft, is er in de afgelopen periode wel meer duidelijkheid over zijn perspectief ontstaan. Inmiddels staat voldoende vast dat het perspectief van [minderjarige 1] in ieder geval niet (meer) bij de moeder ligt.
Het hof overweegt daartoe dat het hof reeds in de tussenbeschikking van 27 maart 2025 heeft vastgesteld dat [minderjarige 1] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige 1] verbleef op dat moment nog bij [instantie 2] . Uit het nadien overgelegde eindverslag van [instantie 2] van 2 juni 2025 volgt dat het [minderjarige 1] niet gelukt is om het traject bij [instantie 2] op een positieve manier af te sluiten. [minderjarige 1] is in de laatste periode bij [instantie 2] veelvuldig weggelopen (onder meer naar de moeder en naar een vriendin in [plaats 3] ). Het is [instantie 2] niet gelukt om [minderjarige 1] te motiveren om terug te komen, ondanks vele investeringen, bestaande uit zowel actief zoeken, als outreachend naar [minderjarige 1] toegaan, als laagdrempelig contact proberen te maken.
Ook de GI heeft geconstateerd dat [minderjarige 1] steeds verder afglijdt en dat hij dringend hulp nodig heeft. De GI heeft zich daardoor genoodzaakt gezien om bij de rechtbank een verzoek tot plaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp in te dienen. Die machtiging is door de rechtbank ook aan de GI verleend. De GI heeft de machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige 1] echter niet ten uitvoer kunnen leggen, omdat [minderjarige 1] spoorloos is verdwenen. De GI heeft [minderjarige 1] bij de politie als vermist opgegeven. Bij de GI bestond het vermoeden dat de moeder wel weet waar [minderjarige 1] verblijft. Dit vermoeden van de GI werd tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd. De moeder heeft verklaard dat [minderjarige 1] sinds zijn vermissing bij haar familie verblijft en dat zij contact met hem heeft. De moeder ondermijnt daarmee de voogdijpositie van de GI.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat in de periode na de tussenbeschikking van 27 maart 2025 de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] – door het handelen van de moeder – nog verder is toegenomen, omdat zij [minderjarige 1] onttrekt aan de voor hem noodzakelijke hulpverlening en behandeling. Bovendien lijkt de moeder de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] te onderschatten. Zo stelt zij zich op het standpunt dat een gesloten plaatsing van [minderjarige 1] niet noodzakelijk is, dat [minderjarige 1] het beste bij haar kan wonen en dat zij de benodigde hulpverlening en een dagbesteding voor [minderjarige 1] kan regelen. In de afgelopen periode is echter genoegzaam gebleken dat de GI niet tot een constructieve samenwerking met de moeder heeft kunnen komen. Zo verschijnt de moeder niet op formele (en informele) afspraken met de GI en hulpverleners en/of zij zegt een afspraak een aantal minuten voor de aanvang af. Ook kan de moeder niet achter haar eigen besluiten blijven staan en wijzigt zij regelmatig van visie.
Genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat het hof van oordeel is dat niet te verwachten is dat de moeder in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , als bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige 1] aanvaardbare termijn te dragen. Dit maakt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet langer meer de geëigende maatregelen zijn om de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] weg te nemen. De onduidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige 1] blijft dan immers voortduren. Deze onzekerheid en onduidelijkheid acht het hof niet in het belang van [minderjarige 1] .
7.4.6.
Daarbij komt dat het hof op grond van de stukken en het besprokene tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel is dat de instandhouding van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] ook schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] . De moeder is in de afgelopen periode structureel niet in staat gebleken om in het belang van [minderjarige 1] te handelen. Zo is het ondanks herhaalde inspanningen vanuit de GI en de betrokken instanties niet haalbaar gebleken om tot samenwerking en tot een constructief contact met moeder te komen. Geconstateerd wordt dat de moeder afspraken niet nakomt, dat de communicatie met de moeder wisselend is of ontbreekt en dat de moeder actief hulpverleningstrajecten ondermijnt die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1] . Daarbij is zichtbaar dat [minderjarige 1] ernstig is gepositioneerd in een ouderrol binnen de thuissituatie van de moeder en dat sprake is van schadelijke parentificatie. [minderjarige 1] wordt zo belemmerd in zijn eigen ontwikkeling en autonomie. Dit maakt dat het hof, evenals de rechtbank, de beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk acht. Aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel wordt in de onderhavige zaak derhalve voldaan. Daarmee wordt tevens voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM aan een gezagsbeëindiging stelt.
Verzoek om een 810a Rv onderzoek
7.4.7.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de moeder om een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Rv overweegt het hof het volgende.
Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de raad in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming, die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993-1994, p. 4135-4161).
7.4.8.
Dat betekent dat een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel moet worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind (vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632 en HR 12 april 2019 ECLI:NL:HR2019:575).
7.4.9.
Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandelingen in hoger beroep van oordeel dat het verzoek van de moeder om op grond van artikel 810a lid 2 Rv een deskundigenonderzoek te gelasten voldoende concreet en ter zake dienend is. In het beroepschrift heeft de moeder onder randnummer 51 voldoende onderbouwd waarom zij een deskundigenonderzoek noodzakelijk acht en wat er volgens haar door de te benoemen deskundige dient te worden onderzocht.
7.4.10.
Het hof is echter, evenals de rechtbank, van oordeel dat het verzoek van de moeder om een 810a Rv onderzoek ook ten aanzien van [minderjarige 1] dient te worden afgewezen.
7.4.11.
Gelet op hetgeen in rov. 7.5.5. is beschreven, acht het hof de moeder niet in staat binnen een afzienbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich te nemen. [minderjarige 1] wordt al lange tijd ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd en glijdt steeds verder af, terwijl hulpverlening mede door toedoen van de moeder niet van de grond komt. Hiervan uitgaande verzet het belang van [minderjarige 1] zich tegen een onderzoek naar de vraag of de moeder dat op enig moment wel zou kunnen. Een 810a Rv onderzoek zou met zich brengen dat het hof de beslissing in deze zaak nog langer zou moeten aanhouden. De onduidelijkheid en onzekerheid over de gezagspositie van de moeder en over het perspectief van [minderjarige 1] zou dan nog langer blijven voortduren. Dit acht het hof niet in het belang van [minderjarige 1] , onder meer omdat [minderjarige 1] dan nog langer wordt belemmerd in zijn eigen ontwikkeling en autonomie.
De slotsom
7.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof beslist als hierna onder 8 vermeld.
8De beslissing
Het hof:
bekrachtigt – in aanvulling op de beschikking van het hof van 27 maart 2025 – de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2024, waarbij de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] heeft beëindigd;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het Centraal Gezagsregister;
wijst af het subsidiaire verzoek van de moeder tot het gelasten van deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv ten aanzien van [minderjarige 1] ;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en C.M.J. Peters en is op 25 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 25 september 2025
Zaaknummer : 200.348.953/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/397098 / FA RK 23-3926
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio] , locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat thans alleen nog over de minderjarige:
[minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ),
geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).
5De beschikking van het hof van 27 maart 2025
Bij die beschikking heeft het hof voor zover nog van belang de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2024 bekrachtigd, voor zover de rechtbank daarbij het gezag van de moeder over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] heeft beëindigd.
Ook heeft het hof in die beschikking het subsidiaire verzoek van de moeder tot het gelasten van een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , afgewezen.
In die beschikking heeft het hof ten aanzien [minderjarige 1] iedere verdere beslissing omtrent de beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en het subsidiaire verzoek van de moeder om een deskundigenverzoek als bedoeld in artikel 810a Rv ten aanzien van [minderjarige 1] te gelasten tot 1 juli 2025 pro forma aangehouden.
Het hof heeft de GI verzocht om uiterlijk 15 juni 2025 het hof schriftelijk te informeren en te rapporteren over de recente ontwikkelingen in de situatie van [minderjarige 1] en over de ontwikkelingen in de samenwerking tussen de GI en de moeder.
Daarbij heeft het hof de moeder en de raad in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen twee weken schriftelijk te reageren op genoemde rapportage van de GI.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het rapport met bijlagen van de GI van 11 juni 2025;
- de brief van de raad d.d. 19 juni 2025;
- het V8-formulier ingediend door de advocaat van de moeder op 1 juli 2025.
6.1.1.
Verder heeft de moeder op 25 juli 2025 nog twee e-mails naar het hof gestuurd. Het hof laat deze twee e-mails buiten beschouwing, gelet op de omstandigheid dat het aan de advocaat van de moeder is om stukken in te dienen. Het hof heeft de moeder hier 28 juli 2025 over geïnformeerd.
6.2.
De mondelinge behandeling in hoger beroep is voortgezet op 4 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Pool;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] .
6.2.1.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
6.2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat [minderjarige 1] wel van deze mogelijkheid gebruik had willen maken, maar dat de oproeping voor het kindgesprek hem te laat en niet volledig heeft bereikt. De moeder verzoekt het hof om [minderjarige 1] opnieuw voor een kindgesprek op te roepen.
6.2.3.
Het hof ziet geen aanleiding om [minderjarige 1] opnieuw uit te nodigen. Het hof heeft op 25 augustus 2025 de Basisregistratie Personen (BRP) geraadpleegd om de actuele verblijfplaats van [minderjarige 1] te achterhalen. Hieruit volgde dat [minderjarige 1] per 25 juli 2025 stond ingeschreven op [adres 1] te [plaats 1] , zijnde een accommodatie voor gesloten jeugdhulp van [instantie 1] . Het hof heeft op 26 augustus 2025 per post naar genoemd adres en per e-mail aan de GI een oproep voor het kindgesprek verzonden. Daarbij heeft het hof [minderjarige 1] de keuze gegeven om op 29 augustus 2025 om 11.00 uur of om op 2 september 2025 om 11.00 uur met de rechter te komen praten. [minderjarige 1] is de mogelijkheid geboden om het gesprek via Teams te laten plaatsvinden.
6.2.4.
De oproeping voor het kindgesprek per post is op 28 augustus 2025 bij het hof retour gekomen, met de mededeling dat [minderjarige 1] op genoemd adres is uitgeschreven. Het hof heeft op 28 augustus 2025 opnieuw de BRP geraadpleegd. Hieruit volgde dat [minderjarige 1] per 25 augustus 2025 staat ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats 2] . Verder heeft het hof op 28 augustus 2025 telefonisch contact opgenomen met de GI om na te vragen waar [minderjarige 1] nu feitelijk verblijft. Het hof heeft daarbij gesproken met [vertegenwoordiger van de GI 1] . Zij heeft het hof medegedeeld dat [minderjarige 1] niet in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp in [instantie 1] heeft verbleven, dat zij niet op de hoogte is van de huidige verblijfplaats van [minderjarige 1] en dat hij bij de politie als vermist staat opgegeven.
Tot slot heeft het hof op 28 augustus 2025 – zekerheidshalve – nog een oproeping voor het kindgesprek op 2 september 2025 om 11.00 uur per post naar het adres [adres 2] te [plaats 2] verzonden.
[vertegenwoordiger van de GI 1] heeft verder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de GI de volledige oproepbrief met QR-code voor het kindgesprek naar [minderjarige 1] heeft geappt. Ook heeft de moeder in een gesprek met de GI de oproeping voor het kindgesprek benoemd. Volgens de GI waren de moeder en [minderjarige 1] wel degelijk op de hoogte van het kindgesprek.
6.2.5.
Genoemde feiten en omstandigheden maken dat [minderjarige 1] correct in de gelegenheid is gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Het hof wijst het verzoek van de moeder om [minderjarige 1] nog een keer uit te nodigen af.
7De verdere beoordeling
De nadere standpunten
7.1.
De GI heeft in genoemd rapport – samengevat – het volgende aangevoerd.
De GI vindt het noodzakelijk dat de voogdij over [minderjarige 1] bij de GI blijft berusten. Alleen dan kunnen de belangen van [minderjarige 1] worden gewaarborgd en kan er gewerkt worden aan een veilige en stabiele toekomst van [minderjarige 1] met enig perspectief.
Er was bij [minderjarige 1] de afgelopen periode sprake van grenzeloos gedrag op meerdere gebieden. Daarnaast is [minderjarige 1] betrokken geweest bij seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het gedrag van [minderjarige 1] komt voort uit trauma’s en het gebrek aan grenzen in zijn opvoeding. [minderjarige 1] verbleef het afgelopen jaar bij [instantie 2] . Daar werd gezien dat hij zich in optimale omstandigheden kan ontwikkelen en dan groei laat zien. Toch valt [minderjarige 1] snel terug in de hem bekende coping mechanismes: hij verzet zich of loopt weg. [minderjarige 1] zet dan verschillende mensen in, waaronder de moeder, om onrust te creëren. [minderjarige 1] loopt sinds 20 april 2025 veelvuldig weg. Hij onttrekt zich met steun van de moeder aan elke vorm van hulpverlening en inzet om binnen een open setting te kunnen verblijven. De GI ziet dat [minderjarige 1] in een snel tempo steeds verder afglijdt. De GI heeft na een intern overleg besloten dat een gesloten plaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is om het risico op weglopen en het ontwrichtende en criminele gedrag van [minderjarige 1] te beperken. [minderjarige 1] dient dan wel van de moeder toestemming te krijgen om elders te verblijven en hij dient de kans te krijgen om zich los te maken en te ontwikkelen zonder zorg te dragen voor anderen. Het lukt de moeder niet om zaken voor zichzelf te regelen, ergens op tijd te zijn en één visie vast te houden. Hierdoor gaan afspraken vaak niet door en wijzigt de visie van de moeder continu. In de periode van maart 2025 tot juni 2025 is de moeder structureel niet in staat gebleken om in het belang van [minderjarige 1] te handelen. Het is ondanks herhaalde inspanningen van de GI en de betrokken instanties niet haalbaar gebleken om tot samenwerking en tot een constructief contact met de moeder te komen. Zo komt de moeder afspraken niet na, is de communicatie met de moeder wisselend of ontbreekt deze en ondermijnt de moeder actief hulpverleningstrajecten die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1] .
Daarbij is zichtbaar dat [minderjarige 1] ernstig is gepositioneerd in een ouderrol binnen de thuissituatie van de moeder en dat sprake is van schadelijke parentificatie. [minderjarige 1] wordt daardoor belemmerd in zijn eigen ontwikkeling en autonomie. De afgelopen periode laat zien dat er alleen sprake kan zijn van passende zorg en ondersteuning voor [minderjarige 1] wanneer een onafhankelijke en professionele partij, zoals de GI, de regie voert.
7.1.1.
Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de GI in aanvulling op genoemd rapport – samengevat – nog het volgende aangevoerd.
De GI heeft [minderjarige 1] bij de politie als vermist opgegeven. Het is heftig om te horen dat de moeder wel weet waar [minderjarige 1] verblijft, maar dat zij dat bewust niet met de GI deelt. Sinds [minderjarige 1] vermist wordt, verneemt de GI niets meer van de moeder. De GI heeft veelvuldig geprobeerd om met de moeder tot een samenwerking te komen en de GI heeft daarbij ook aandacht gehad voor de mening van de moeder. Zo heeft de moeder contact opgenomen met de GI omdat zij het noodzakelijk vindt dat [minderjarige 1] een psycholoog bezoekt. Wanneer de GI vervolgens dan aan de moeder vraagt om de gegevens van de door haar gewenste psycholoog aan de GI te verstrekken, zodat de GI met deze contact kan opnemen, dan reageert de moeder daar niet meer op. De GI heeft ernstige zorgen over [minderjarige 1] . Hij is pas veertien jaar oud, hij kampt met een ernstig loyaliteitsconflict, hij heeft een zeer sterke vertrouwensband met de moeder en hij krijgt nu van de moeder geen ruimte voor zijn eigen ontwikkeling. De huidige situatie van [minderjarige 1] vraagt ook veel van de moeder. De moeder komt hierdoor bijvoorbeeld de omgangsregeling met haar andere kinderen niet na.
7.2.
De moeder kan zich niet verenigen met de inhoud van genoemd rapport van de GI. De moeder voert hieromtrent – samengevat – het volgende aan.
De moeder heeft een andere visie op de samenwerking met de GI dan de GI. [minderjarige 1] is bij [instantie 2] weggelopen. Door politie interventie heeft [minderjarige 1] de weg naar de moeder teruggevonden. [minderjarige 1] heeft enige tijd bij de moeder verbleven; dit verliep goed. [minderjarige 1] is het oudste kind van de moeder en zelfstandiger dan de andere kinderen. Toen [minderjarige 1] had vernomen dat hij gesloten geplaatst zou worden, raakte hij in paniek. [minderjarige 1] is toen opnieuw weggelopen. Hij verblijft nu bij familie van de moeder. De moeder heeft contact met [minderjarige 1] . Alle informatie die tot de verblijfplaats van [minderjarige 1] zou kunnen leiden heeft de moeder met de GI gedeeld. Primair is het in het belang van [minderjarige 1] dat de moeder weer met het gezag over [minderjarige 1] wordt belast. De moeder erkent dat [minderjarige 1] hulp nodig heeft. [minderjarige 1] doet suïcidale uitspraken. Ook moet [minderjarige 1] weer naar school gaan; dat wil [minderjarige 1] zelf ook. De moeder wil de gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] kunnen nemen. Zij zet zich in om de juiste hulpverlening en dagbesteding voor [minderjarige 1] te vinden. Dit kan de moeder echter niet zonder ouderlijk gezag realiseren. Verder handhaaft de moeder haar subsidiaire verzoek om ten aanzien van [minderjarige 1] een 810a Rv onderzoek te gelasten. Binnen dat 810a Rv onderzoek dient ook te worden onderzocht welke vorm van behandeling [minderjarige 1] nodig heeft.
7.3.
De raad heeft zich in genoemde brief van 19 juni 2025 geconformeerd aan het verzoek van de GI. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft de raad – samengevat – hieraan nog het volgende toegevoegd.
Omdat eerder het perspectief van [minderjarige 1] nog niet duidelijk was, had de raad aanvankelijk nog in overweging genomen om het gezag over [minderjarige 1] bij de moeder te laten. Gelet op het feit dat er ernstige zorgen over [minderjarige 1] bestaan, het in de afgelopen periode snel bergafwaarts is gegaan met [minderjarige 1] en de moeder nog steeds niet samenwerkt met de GI, dient ook het gezag van de moeder over [minderjarige 1] beëindigd te blijven. De rechtbank heeft die beslissing destijds op de juist gronden genomen. De moeder zou – wanneer zij het gezag over [minderjarige 1] heeft – dit gezag kunnen misbruiken om [minderjarige 1] te verstoppen en hem aan de noodzakelijke hulpverlening te onttrekken. Dit doet de moeder nu al, terwijl de GI met de voogdij over [minderjarige 1] is belast.
De motivering van de beslissing
7.4.
Het hof overweegt het volgende.
Gezag
7.4.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
7.4.2.
Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een minderjarige is blijkens de memorie van toelichting bij artikel 1:266 aanhef en sub a BW de periode van onzekerheid over in welk gezin de minderjarige verder zal opgroeien hij/zij kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn of haar ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een aanvaardbare termijn is, is onder meer afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling(sfase). Ook speelt daarbij een rol in hoeverre de minderjarige last heeft van de onduidelijkheid omtrent het perspectief door de jaarlijkse verlengingen van de kinderbe-schermingsmaatregelen en of de minderjarige hiermee door de ouder(s) wordt belast.
7.4.3.
De rechter dient ook na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel).
7.4.4.
Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn.
Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken.
Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind.
7.4.5.
Het hof is van oordeel dat ook de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] inmiddels is verstreken. Hoewel [minderjarige 1] nog steeds niet op een perspectiefbiedende plek verblijft, is er in de afgelopen periode wel meer duidelijkheid over zijn perspectief ontstaan. Inmiddels staat voldoende vast dat het perspectief van [minderjarige 1] in ieder geval niet (meer) bij de moeder ligt.
Het hof overweegt daartoe dat het hof reeds in de tussenbeschikking van 27 maart 2025 heeft vastgesteld dat [minderjarige 1] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige 1] verbleef op dat moment nog bij [instantie 2] . Uit het nadien overgelegde eindverslag van [instantie 2] van 2 juni 2025 volgt dat het [minderjarige 1] niet gelukt is om het traject bij [instantie 2] op een positieve manier af te sluiten. [minderjarige 1] is in de laatste periode bij [instantie 2] veelvuldig weggelopen (onder meer naar de moeder en naar een vriendin in [plaats 3] ). Het is [instantie 2] niet gelukt om [minderjarige 1] te motiveren om terug te komen, ondanks vele investeringen, bestaande uit zowel actief zoeken, als outreachend naar [minderjarige 1] toegaan, als laagdrempelig contact proberen te maken.
Ook de GI heeft geconstateerd dat [minderjarige 1] steeds verder afglijdt en dat hij dringend hulp nodig heeft. De GI heeft zich daardoor genoodzaakt gezien om bij de rechtbank een verzoek tot plaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp in te dienen. Die machtiging is door de rechtbank ook aan de GI verleend. De GI heeft de machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige 1] echter niet ten uitvoer kunnen leggen, omdat [minderjarige 1] spoorloos is verdwenen. De GI heeft [minderjarige 1] bij de politie als vermist opgegeven. Bij de GI bestond het vermoeden dat de moeder wel weet waar [minderjarige 1] verblijft. Dit vermoeden van de GI werd tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd. De moeder heeft verklaard dat [minderjarige 1] sinds zijn vermissing bij haar familie verblijft en dat zij contact met hem heeft. De moeder ondermijnt daarmee de voogdijpositie van de GI.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat in de periode na de tussenbeschikking van 27 maart 2025 de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] – door het handelen van de moeder – nog verder is toegenomen, omdat zij [minderjarige 1] onttrekt aan de voor hem noodzakelijke hulpverlening en behandeling. Bovendien lijkt de moeder de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] te onderschatten. Zo stelt zij zich op het standpunt dat een gesloten plaatsing van [minderjarige 1] niet noodzakelijk is, dat [minderjarige 1] het beste bij haar kan wonen en dat zij de benodigde hulpverlening en een dagbesteding voor [minderjarige 1] kan regelen. In de afgelopen periode is echter genoegzaam gebleken dat de GI niet tot een constructieve samenwerking met de moeder heeft kunnen komen. Zo verschijnt de moeder niet op formele (en informele) afspraken met de GI en hulpverleners en/of zij zegt een afspraak een aantal minuten voor de aanvang af. Ook kan de moeder niet achter haar eigen besluiten blijven staan en wijzigt zij regelmatig van visie.
Genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat het hof van oordeel is dat niet te verwachten is dat de moeder in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , als bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige 1] aanvaardbare termijn te dragen. Dit maakt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet langer meer de geëigende maatregelen zijn om de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] weg te nemen. De onduidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige 1] blijft dan immers voortduren. Deze onzekerheid en onduidelijkheid acht het hof niet in het belang van [minderjarige 1] .
7.4.6.
Daarbij komt dat het hof op grond van de stukken en het besprokene tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel is dat de instandhouding van het gezag van de moeder over [minderjarige 1] ook schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] . De moeder is in de afgelopen periode structureel niet in staat gebleken om in het belang van [minderjarige 1] te handelen. Zo is het ondanks herhaalde inspanningen vanuit de GI en de betrokken instanties niet haalbaar gebleken om tot samenwerking en tot een constructief contact met moeder te komen. Geconstateerd wordt dat de moeder afspraken niet nakomt, dat de communicatie met de moeder wisselend is of ontbreekt en dat de moeder actief hulpverleningstrajecten ondermijnt die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1] . Daarbij is zichtbaar dat [minderjarige 1] ernstig is gepositioneerd in een ouderrol binnen de thuissituatie van de moeder en dat sprake is van schadelijke parentificatie. [minderjarige 1] wordt zo belemmerd in zijn eigen ontwikkeling en autonomie. Dit maakt dat het hof, evenals de rechtbank, de beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk acht. Aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel wordt in de onderhavige zaak derhalve voldaan. Daarmee wordt tevens voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM aan een gezagsbeëindiging stelt.
Verzoek om een 810a Rv onderzoek
7.4.7.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de moeder om een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Rv overweegt het hof het volgende.
Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de raad in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming, die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993-1994, p. 4135-4161).
7.4.8.
Dat betekent dat een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel moet worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind (vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632 en HR 12 april 2019 ECLI:NL:HR2019:575).
7.4.9.
Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandelingen in hoger beroep van oordeel dat het verzoek van de moeder om op grond van artikel 810a lid 2 Rv een deskundigenonderzoek te gelasten voldoende concreet en ter zake dienend is. In het beroepschrift heeft de moeder onder randnummer 51 voldoende onderbouwd waarom zij een deskundigenonderzoek noodzakelijk acht en wat er volgens haar door de te benoemen deskundige dient te worden onderzocht.
7.4.10.
Het hof is echter, evenals de rechtbank, van oordeel dat het verzoek van de moeder om een 810a Rv onderzoek ook ten aanzien van [minderjarige 1] dient te worden afgewezen.
7.4.11.
Gelet op hetgeen in rov. 7.5.5. is beschreven, acht het hof de moeder niet in staat binnen een afzienbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich te nemen. [minderjarige 1] wordt al lange tijd ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd en glijdt steeds verder af, terwijl hulpverlening mede door toedoen van de moeder niet van de grond komt. Hiervan uitgaande verzet het belang van [minderjarige 1] zich tegen een onderzoek naar de vraag of de moeder dat op enig moment wel zou kunnen. Een 810a Rv onderzoek zou met zich brengen dat het hof de beslissing in deze zaak nog langer zou moeten aanhouden. De onduidelijkheid en onzekerheid over de gezagspositie van de moeder en over het perspectief van [minderjarige 1] zou dan nog langer blijven voortduren. Dit acht het hof niet in het belang van [minderjarige 1] , onder meer omdat [minderjarige 1] dan nog langer wordt belemmerd in zijn eigen ontwikkeling en autonomie.
De slotsom
7.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof beslist als hierna onder 8 vermeld.
8De beslissing
Het hof:
bekrachtigt – in aanvulling op de beschikking van het hof van 27 maart 2025 – de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 september 2024, waarbij de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige 1] heeft beëindigd;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het Centraal Gezagsregister;
wijst af het subsidiaire verzoek van de moeder tot het gelasten van deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv ten aanzien van [minderjarige 1] ;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en C.M.J. Peters en is op 25 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.