Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2018:4644
2018-11-13
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
200.233.105_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2018:4644 → ECLI:NL:RBOBR:2017:4436
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2018:4644 → ECLI:NL:RBOBR:2017:4978
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2018:4644 → ECLI:NL:RBOBR:2018:1335
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2018:4644 → ECLI:NL:RBOBR:2018:212
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2018:4644 → ECLI:NL:RBOBR:2018:2130
Inhoudsindicatie
Tussenkomst (art. 217-219a Rv). Hoger beroep. Belangvereiste. Diverse andere processuele verwikkelingen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.095 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.233.105/01
arrest van 13 november 2018
gewezen in het incident ex artikel 225 Rv
in de zaak van
1 [appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna respectievelijk aan te duiden als: moeder en [appellant] ,
advocaat: mr. R. Dhalganjansing te 's-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. E.C.E. Schnackers te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 1 februari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in het incident tot tussenkomst van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch van 3 januari 2018, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, moeder als gedaagde in de hoofdzaak en [appellant] als eiser in het incident.
Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/320433 / HA ZA 17-286)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in het incident.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de akte overlegging productie 3 bij memorie van grieven met bijlagen 1-200;
de memorie van antwoord;
de akte overlegging productie 8 van moeder en [appellant] ;
de akte houdende schorsing wegens overlijden (art. 225 Rv) met één productie van moeder en [appellant] ;
de akte uitlaten op het verzoek schorsing met producties van [geïntimeerde] ;
de antwoordakte in de hoofdzaak van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum bepaald voor arrest in het incident.
3De beoordeling
In het incident
3.1.
De akte houdende schorsing wegens overlijden (art. 225 Rv) strekt tot schorsing van de zaak op grond van artikel 225 Rv in verband met het overlijden van moeder op 5 augustus 2018.
3.2.
[geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer tegen het schorsingsverzoek.
3.3.
Na het overlijden van een partij kan de procedure op grond van het bepaalde in artikel 225 Rv worden geschorst. Voor een geldige schorsing in geval van overlijden van een procespartij is vereist dat de aanzegging tot schorsing de personalia vermeldt van de belanghebbenden die tot schorsing overgaan, de schorsingsgrond, het rechtsfeit dat hen tot belanghebbende maakt en de aanzegging dat men schorst. Het hof constateert dat deze gegevens niet in de akte verzoek schorsing zijn opgenomen, zodat de schorsing niet geldig is gedaan. Dat betekent dat het geding niet is geschorst wegens het overlijden van moeder.
3.4.
De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.5.
De onderhavige zaak is op de rol gevoegd met de procedure die onder zaaknummer 200.230.960/01 bij dit hof aanhangig is tussen moeder als appellante en [geïntimeerde] als geïntimeerde. In die zaak is op 17 juli 2018 pleidooi gevraagd. Hoewel in de onderhavige zaak geen pleidooi is gevraagd, zijn op de rol van 2 oktober 2018 door [appellant] wel verhinderdata overgelegd in verband met een datum pleidooi. Het hof gaat er daarom van uit dat in beide zaken gelijktijdig zal worden gepleit. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor opgave van nieuwe verhinderdata.
3.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 18 december 2018 voor opgave verhinderdata over de periode juli t/m september 2019, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 november 2018.
griffier rolraadsheer
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.233.105/01
arrest van 13 november 2018
gewezen in het incident ex artikel 225 Rv
in de zaak van
1 [appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna respectievelijk aan te duiden als: moeder en [appellant] ,
advocaat: mr. R. Dhalganjansing te 's-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. E.C.E. Schnackers te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 1 februari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis in het incident tot tussenkomst van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch van 3 januari 2018, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, moeder als gedaagde in de hoofdzaak en [appellant] als eiser in het incident.
Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/320433 / HA ZA 17-286)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in het incident.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de akte overlegging productie 3 bij memorie van grieven met bijlagen 1-200;
de memorie van antwoord;
de akte overlegging productie 8 van moeder en [appellant] ;
de akte houdende schorsing wegens overlijden (art. 225 Rv) met één productie van moeder en [appellant] ;
de akte uitlaten op het verzoek schorsing met producties van [geïntimeerde] ;
de antwoordakte in de hoofdzaak van [geïntimeerde] .
Het hof heeft daarna een datum bepaald voor arrest in het incident.
3De beoordeling
In het incident
3.1.
De akte houdende schorsing wegens overlijden (art. 225 Rv) strekt tot schorsing van de zaak op grond van artikel 225 Rv in verband met het overlijden van moeder op 5 augustus 2018.
3.2.
[geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer tegen het schorsingsverzoek.
3.3.
Na het overlijden van een partij kan de procedure op grond van het bepaalde in artikel 225 Rv worden geschorst. Voor een geldige schorsing in geval van overlijden van een procespartij is vereist dat de aanzegging tot schorsing de personalia vermeldt van de belanghebbenden die tot schorsing overgaan, de schorsingsgrond, het rechtsfeit dat hen tot belanghebbende maakt en de aanzegging dat men schorst. Het hof constateert dat deze gegevens niet in de akte verzoek schorsing zijn opgenomen, zodat de schorsing niet geldig is gedaan. Dat betekent dat het geding niet is geschorst wegens het overlijden van moeder.
3.4.
De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.5.
De onderhavige zaak is op de rol gevoegd met de procedure die onder zaaknummer 200.230.960/01 bij dit hof aanhangig is tussen moeder als appellante en [geïntimeerde] als geïntimeerde. In die zaak is op 17 juli 2018 pleidooi gevraagd. Hoewel in de onderhavige zaak geen pleidooi is gevraagd, zijn op de rol van 2 oktober 2018 door [appellant] wel verhinderdata overgelegd in verband met een datum pleidooi. Het hof gaat er daarom van uit dat in beide zaken gelijktijdig zal worden gepleit. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor opgave van nieuwe verhinderdata.
3.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 18 december 2018 voor opgave verhinderdata over de periode juli t/m september 2019, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 november 2018.
griffier rolraadsheer