Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2867
2026-04-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
BK-25/355
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- Inachtnemingherstelarrest ECLI:NL:GHDHA:2026:2868 → ECLI:NL:GHDHA:2026:2867
Inhoudsindicatie
BPM. Het Hof vermindert de naheffingsaanslag omdat geen rekening was gehouden met extra leeftijdskorting. De redelijke termijn voor de berechting van de zaak in beroep eindigt op het moment waarop de Rechtbank uitspraak deed. Het Hof laat daarom de door de Rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade in stand.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2023:1703 Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.134 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/355
Uitspraak van 2 april 2026
in het geding tussen:
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 maart 2025, nummer SGR 23/4418.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 8.439 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 11 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur naheffingsaanslag en de beschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van de indiening van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,37; en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,37.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van de indiening van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 februari 2026 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer BK-25/356.Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.890 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving van een Land Rover Defender (de auto). Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 40.900, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 6.162 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 1.000.
2.2.
De dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd. Het DRZ-rapport vermeldt een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.150, een bedrag aan schade van € 49 en een waardevermindering van € 35 (72% van € 49). De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is bepaald aan de hand van een referentieauto uit de koerslijst AutotelexPro.
2.3.
Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 8.439 (€ 10.329 -/- € 1.890). De Inspecteur heeft de afschrijving berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Ook is aan belanghebbende € 11 belastingrente in rekening gebracht.
2.4.
De datum eerste toelating van de auto is 4 oktober 2013. De datum van de eerste tenaamstelling in Nederland is 11 augustus 2021.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Historische nieuwprijs
12. De klacht van eiseres dat verweerder de historische nieuwprijs onjuist heeft berekend, slaagt. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023[1] dient bij de berekening van de afschrijving immers te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot van de auto en niet die van de referentieauto. De historische nieuwprijs is dan niet € 63.769 maar € 125.872.
13. Uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 17.115 leidt dit tot een afschrijving van 86,4%. Deze afschrijving is niet hoger dan de afschrijving volgens de forfaitaire tabel die verweerder heeft gehanteerd, te weten 86,665%. Hieruit volgt dat de hogere historische nieuwprijs per saldo niet leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag.
Slotsom
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
ISV
15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 14 september 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 13 maart 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, zes maanden. Eiseres heeft derhalve recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500 nu zij een financieel belang heeft van meer dan € 1.000. Hierbij zij opgemerkt dat het overgangsrecht van het arrest van 14 juni 2024[2] niet van toepassing is, omdat op de datum van het arrest de redelijke termijn nog niet was overschreden. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 1 juni 2023, is de overschrijding deels aan de bezwaarfase en deels aan de beroepsfase toerekenbaar.
Proceskostenvergoeding
16. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[3] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor van 0,25). Hierbij dient de helft te worden vergoed door verweerder en de helft door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).[4]
17. Eiseres heeft niet vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[5] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest ook nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding het betaalde griffierecht eiseres te laten vergoeden.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2023:1703.
[2] ECLI:NL:HR:2024:853.
[3] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
[4] ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.
[5] ECLI:NL:HR:2024:567.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld, meer specifiek of extra leeftijdskorting ten onrechte door de Rechtbank niet in aanmerking is genomen, en of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade dan de Rechtbank heeft toegekend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 8.398, tot een hogere vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase en tot een veroordeling in de (proces)kosten in alle fasen van het geding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voor wat betreft de extra leeftijdskorting sluit de Inspecteur zich aan bij het oordeel van het Hof.
Beoordeling van het hoger beroep
Extra leeftijdskorting
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met extra leeftijdskorting. Met inachtneming van de extra leeftijdskorting komt de verschuldigde bpm volgens belanghebbende op € 10.288, zodat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 8.398. Belanghebbende gaat hierbij uit van een inkoopwaarde van € 17.135, zoals berekend door DRZ en in aanmerking genomen door de Inspecteur, in plaats van de door de Rechtbank in aanmerking genomen inkoopwaarde van € 17.115.
5.2.
De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de berekening van belanghebbende juist is. Het Hof ziet geen reden om anders te oordelen. Gelet hierop dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 8.398. Overigens had de gemachtigde van belanghebbende na de ontdekking van de fout van de Rechtbank de Inspecteur kunnen verzoeken het bedrag aan extra leeftijdskorting alsnog in aanmerking te nemen of de Rechtbank kunnen verzoeken de fout te herstellen.
Vergoeding van immateriële schade
5.3.
Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 13 maart 2025, maar de Rechtbank heeft haar uitspraak pas bekendgemaakt op 18 maart 2025. Daarom moet een extra half jaar in aanmerking worden genomen, aldus belanghebbende.
5.4.
In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriëleschadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat een rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de griffier van de rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen.
5.5.
De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 27 februari 2025 gesloten en meegedeeld dat over twee weken, derhalve op 13 maart 2025, uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 13 maart 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen.
Slotsom
5.6.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.
6.2.
In de grond waarop het hoger beroep slaagt, ziet het Hof aanleiding om het gewicht van het opgeworpen geschilpunt als licht aan te merken. Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 666 voor bezwaar (2 punten x € 666 x 0,5 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en het Hof (4 punten x € 934 x 0,5 (gewicht van de zaak)), in totaal € 2.534. Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 113,37 aan proceskosten in verband met de behandeling van het beroep, en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de door de Inspecteur te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 2.420,63.
6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 579 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor wat betreft de naheffingsaanslag, de ten laste van de Inspecteur uitgesproken proceskostenvergoeding en de beschikking inzake belastingrente,
- vernietigt de uitspraak op bezwaar,
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 8.398,
- wijzigt de beschikking inzake belastingrente dienovereenkomstig,
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor het geding, vastgesteld op € 2.420,63 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende een bedrag van € 579 aan griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 2 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/355
Uitspraak van 2 april 2026
in het geding tussen:
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 maart 2025, nummer SGR 23/4418.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 8.439 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 11 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur naheffingsaanslag en de beschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van de indiening van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,37; en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,37.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van de indiening van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 februari 2026 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer BK-25/356.Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.890 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving van een Land Rover Defender (de auto). Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 40.900, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 6.162 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 1.000.
2.2.
De dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd. Het DRZ-rapport vermeldt een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 17.150, een bedrag aan schade van € 49 en een waardevermindering van € 35 (72% van € 49). De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is bepaald aan de hand van een referentieauto uit de koerslijst AutotelexPro.
2.3.
Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 8.439 (€ 10.329 -/- € 1.890). De Inspecteur heeft de afschrijving berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Ook is aan belanghebbende € 11 belastingrente in rekening gebracht.
2.4.
De datum eerste toelating van de auto is 4 oktober 2013. De datum van de eerste tenaamstelling in Nederland is 11 augustus 2021.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Historische nieuwprijs
12. De klacht van eiseres dat verweerder de historische nieuwprijs onjuist heeft berekend, slaagt. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023[1] dient bij de berekening van de afschrijving immers te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot van de auto en niet die van de referentieauto. De historische nieuwprijs is dan niet € 63.769 maar € 125.872.
13. Uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 17.115 leidt dit tot een afschrijving van 86,4%. Deze afschrijving is niet hoger dan de afschrijving volgens de forfaitaire tabel die verweerder heeft gehanteerd, te weten 86,665%. Hieruit volgt dat de hogere historische nieuwprijs per saldo niet leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag.
Slotsom
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
ISV
15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 14 september 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 13 maart 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, zes maanden. Eiseres heeft derhalve recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500 nu zij een financieel belang heeft van meer dan € 1.000. Hierbij zij opgemerkt dat het overgangsrecht van het arrest van 14 juni 2024[2] niet van toepassing is, omdat op de datum van het arrest de redelijke termijn nog niet was overschreden. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 1 juni 2023, is de overschrijding deels aan de bezwaarfase en deels aan de beroepsfase toerekenbaar.
Proceskostenvergoeding
16. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[3] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor van 0,25). Hierbij dient de helft te worden vergoed door verweerder en de helft door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).[4]
17. Eiseres heeft niet vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[5] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest ook nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding het betaalde griffierecht eiseres te laten vergoeden.
(…)
[1] ECLI:NL:HR:2023:1703.
[2] ECLI:NL:HR:2024:853.
[3] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
[4] ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.
[5] ECLI:NL:HR:2024:567.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld, meer specifiek of extra leeftijdskorting ten onrechte door de Rechtbank niet in aanmerking is genomen, en of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade dan de Rechtbank heeft toegekend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 8.398, tot een hogere vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase en tot een veroordeling in de (proces)kosten in alle fasen van het geding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Voor wat betreft de extra leeftijdskorting sluit de Inspecteur zich aan bij het oordeel van het Hof.
Beoordeling van het hoger beroep
Extra leeftijdskorting
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met extra leeftijdskorting. Met inachtneming van de extra leeftijdskorting komt de verschuldigde bpm volgens belanghebbende op € 10.288, zodat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 8.398. Belanghebbende gaat hierbij uit van een inkoopwaarde van € 17.135, zoals berekend door DRZ en in aanmerking genomen door de Inspecteur, in plaats van de door de Rechtbank in aanmerking genomen inkoopwaarde van € 17.115.
5.2.
De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de berekening van belanghebbende juist is. Het Hof ziet geen reden om anders te oordelen. Gelet hierop dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 8.398. Overigens had de gemachtigde van belanghebbende na de ontdekking van de fout van de Rechtbank de Inspecteur kunnen verzoeken het bedrag aan extra leeftijdskorting alsnog in aanmerking te nemen of de Rechtbank kunnen verzoeken de fout te herstellen.
Vergoeding van immateriële schade
5.3.
Belanghebbende stelt dat recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 13 maart 2025, maar de Rechtbank heeft haar uitspraak pas bekendgemaakt op 18 maart 2025. Daarom moet een extra half jaar in aanmerking worden genomen, aldus belanghebbende.
5.4.
In zijn overzichtsarrest in het kader van immateriëleschadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke termijn van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn als regel begint te lopen op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt. De in aanmerking te nemen termijn eindigt derhalve niet op het moment dat een rechtbank haar uitspraak bekendmaakt via verzending per post of plaatsing in het webportaal van de Rechtspraak. Dit zou ook een onwerkbare situatie opleveren, omdat de rechtbank bij het doen van uitspraak niet weet op welk moment de uitspraak wordt bekendgemaakt. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de griffier van de rechtbank immers twee weken de tijd kosteloos een afschrift van (het proces-verbaal van) de (mondelinge) uitspraak ter beschikking van partijen te stellen.
5.5.
De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 27 februari 2025 gesloten en meegedeeld dat over twee weken, derhalve op 13 maart 2025, uitspraak zal worden gedaan. Het stond (de gemachtigde van) belanghebbende vrij om op 13 maart 2025 telefonisch bij de Rechtbank te informeren naar de beslissing dan wel bij de in het openbaar gedane uitspraak aanwezig te zijn. Met de uitspraak is het geschil en daarmee de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie ten einde gekomen.
Slotsom
5.6.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.
6.2.
In de grond waarop het hoger beroep slaagt, ziet het Hof aanleiding om het gewicht van het opgeworpen geschilpunt als licht aan te merken. Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 666 voor bezwaar (2 punten x € 666 x 0,5 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en het Hof (4 punten x € 934 x 0,5 (gewicht van de zaak)), in totaal € 2.534. Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 113,37 aan proceskosten in verband met de behandeling van het beroep, en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de door de Inspecteur te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 2.420,63.
6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 579 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor wat betreft de naheffingsaanslag, de ten laste van de Inspecteur uitgesproken proceskostenvergoeding en de beschikking inzake belastingrente,
- vernietigt de uitspraak op bezwaar,
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 8.398,
- wijzigt de beschikking inzake belastingrente dienovereenkomstig,
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor het geding, vastgesteld op € 2.420,63 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende een bedrag van € 579 aan griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 2 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.