Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2795
2026-08-05
Bestuursrecht; Belastingrecht
BK-25/625
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2795 → ECLI:NL:RBDHA:2025:13357 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Art. 10 Wet bpm. Art. 110 VWEU. Art. 8:113 Awb. Art. 21 Rv. Taxatiemethode niet van toepassing vanwege essentiële gebreken. Verwijzing door Rechtbank naar belastbare feit in plaats van afschrijvingsmoment leidt niet tot gegrondverklaring hoger beroep, maar tot bevestiging met verbetering van gronden. Bij essentiële gebreken kan de taxatiemethode zonder bewijs over soortgelijke voertuigen die in Nederland rijden niet worden toegepast op grond van eerder beleid. Geen herroeping van de naheffingsaanslag wegens aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid; geen recht op kostenvergoeding bezwaarfase. Geen overeenkomstige toepassing art. 21 Rv.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2014:4129 Raad van State 19-11-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.473 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/625
Uitspraak van 5 augustus 2026
in het geding tussen:
V.O.F. [X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 24/250.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.198 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende is aangemerkt als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.005;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op
bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 28 februari 2023 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van een Seat Tarraco 2.0 TSI 4Drive Xcellence 7P (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 31 december 2019. De volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 1.207 is door belanghebbende voldaan.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. (het taxatierapport). De taxatie heeft plaatsgevonden op 23 februari 2023 en het taxatierapport is opgemaakt op 27 februari 2023. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 54.150 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 17.250. De taxateur heeft voor een bedrag van € 14.076,50 aan schade aan de auto geconstateerd. Van deze schade heeft hij een bedrag van € 12.250 (afgerond 87%) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, die daarmee is vastgesteld op € 5.000. De historische bruto bpm is vastgesteld op € 13.077 en de verschuldigde bpm op € 1.207 (€ 5.000/€ 54.150 x € 13.077 = € 1.207; afschrijving afgerond 90,77%).
2.3.
De Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) heeft de auto op 22 februari 2023 gekeurd. De auto heeft van 22 februari 2023 tot 10 maart 2023 de status van “wacht op keuring” (WOK-status) gehad. De auto is op 4 maart 2023 ingeschreven in het kentekenregister.
2.4.
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag vastgesteld met toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel (afschrijving 58,664%).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Bruikbaarheid taxatierapport en essentiële gebreken
7. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering, als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm, rust op de belastingplichtige. Voor de aanwezigheid en de omvang van de schade verwijst eiseres naar het taxatierapport. In artikel 10 van de Wet Bpm is per 1 januari 2022 expliciet vastgelegd dat de afschrijving op basis van een taxatierapport kan worden bepaald, indien het voertuig onder meer voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet gestelde eisen waardoor met dat voertuig kan en mag worden gereden op de weg. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto op 22 februari 2023 gekeurd is door de RDW en daarbij een WOK status heeft gekregen die op 10 maart 2023 werd beëindigd. Uitsluitend met een taxatie na het herstel van de essentiële gebreken kan een vermindering van de bpm op grond van een taxatierapport worden toegepast. Bovendien geeft de taxatie van eiseres niet de staat van de auto weer op het moment van het belastbare feit. Het taxatierapport kan niet dienen. Verweerder heeft derhalve terecht gesteld dat in dit geval aangifte met behulp van een taxatierapport niet mogelijk is.
8. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot het Kennisgroepstandpunt[1] en de inmiddels ingetrokken goedkeuring die was opgenomen in artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021 gaat ten onrechte uit van de bruikbaarheid van het taxatierapport en slaagt reeds daarom niet.
(…)
Proceskosten
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt ingenomen dat eiseres geen recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Eiseres heeft eerst op 26 juni 2025, tijdens de beroepsfase, een koerslijst overgelegd. Dat de naheffingsaanslag nu pas wordt verminderd komt dus niet door een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
[1] artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de Rechtbank terecht heeft beslist dat de staat van de auto ten tijde van het belastbare feit in aanmerking moet worden genomen. Voorts is in geschil of belanghebbende, ofschoon de auto een WOK-status heeft gekregen, een beroep toekomt op het taxatierapport en de daarin opgevoerde waardevermindering wegens schade. Ten slotte is in geschil of belanghebbende, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, in aanmerking komt voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van de inkoopwaarde op € 9.808 (koerslijst X-Ray minus € 12.250 schade), vaststelling van de verschuldigde bpm op € 2.317 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 1.110. Voorts verzoekt belanghebbende om een kostenvergoeding in de bezwaarfase en een proceskostenvergoeding voor de fase van hoger beroep waarbij artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) buiten toepassing blijft.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
Vooraf
5.1.
De Inspecteur stelt dat het hoger beroep ongegrond verklaard moet worden met overeenkomstige toepassing van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Als reden daartoe voert de Inspecteur aan dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport, terwijl zij wist dat zij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam, omdat de auto WOK-status had toegekend gekregen en het taxatierapport overigens niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn stelling aangevuld en gesteld dat belanghebbende misbruik van procesrecht maakt en dat het hoger beroep om die reden ongegrond moet worden verklaard. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.
5.2.
In artikel 21 Rv is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
5.3.
Het fiscale procesrecht is neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 21 Rv speelt hierin geen rol, aangezien de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – tenzij de wet anders bepaalt – slechts van toepassing zijn in procedures voor de burgerlijke rechter. De aangehaalde bepaling is niet van overeenkomstige toepassing verklaard en kent evenmin haar evenknie in het fiscale procesrecht. Belanghebbende heeft in hoger beroep verschillende beroepsgronden aangevoerd. Het staat het Hof niet vrij die gronden af te wijzen en het hoger beroep ongegrond te verklaren indien hem dat geraden voorkomt, enkel vanwege het door de Inspecteur gestelde feit dat belanghebbende aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport terwijl zij wist dat zij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam en het rapport niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen, wat daar ook van zij. Dat feit zou op zichzelf bezien ook niet volstaan om de rechtsgevolgen tot stand te brengen die in het formele belastingrecht mede aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften kunnen worden verbonden. De mogelijkheid van die rechtsgevolgen ontneemt in gevallen als het onderhavige overigens ook de noodzaak aan analoge toepassing van artikel 21 Rv. Voor zover belanghebbende beroepsgronden aanvoert die worden onderbouwd met het taxatierapport, zal het Hof derhalve de bewijskracht van het taxatierapport beoordelen en, afhankelijk daarvan, oordelen of die beroepsgronden slagen of niet. Beroepsgronden die niet worden onderbouwd met het taxatierapport worden door het Hof beoordeeld, ongeacht het oordeel van het Hof over de bewijskracht van het taxatierapport.
5.4.
Ten aanzien van het door de Inspecteur ter zitting gestelde misbruik van procesrecht door belanghebbende overweegt het Hof dat een belanghebbende die misbruik maakt van zijn bevoegdheid een geschil aan de rechter voor te leggen onder omstandigheden niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw (vgl. bijvoorbeeld ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, overweging 6.1). Van dergelijke zwaarwichtige gronden is in het onderhavige geval naar het oordeel van het Hof geen sprake. Belanghebbende voert beroepsgronden aan die, indien die slagen, haar in een betere positie kunnen brengen. Het is niet op voorhand uitgesloten dat de door belanghebbende aangevoerde beroepsgronden slagen. Het door de Inspecteur gestelde feit dat belanghebbende aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport terwijl zij wist dat zij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam en het rapport niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders.
Staat van de auto ten tijde van belastbaar feit of afschrijvingsmoment?
5.5.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank in overweging 7 van haar uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het taxatierapport niet de staat van de auto weergeeft op het moment van het belastbare feit, de inschrijving in het kentekenregister (4 maart 2023), en dat het taxatierapport daarom niet kan dienen. Volgens belanghebbende moet het taxatierapport de staat van de auto op het afschrijvingsmoment weergeven. Dit is het moment waarop de auto door de RDW wordt gekeurd, te weten 22 februari 2023.
5.6.
Belanghebbende heeft gelijk dat de Rechtbank in dit verband ten onrechte refereert aan het belastbare feit en niet aan het afschrijvingsmoment. Op grond van de tweede volzin van artikel 10, lid 2, Wet bpm is voor onder meer de hoogte van de vermindering van de bpm ter zake van de registratie van een gebruikte personenauto het tijdstip bepalend waarop de keuring van die auto door de RDW is afgerond (afschrijvingsmoment). Tot een gegrond hoger beroep kan dit, naar belanghebbende ter zitting ook heeft erkend, evenwel niet leiden. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto op 22 februari 2023, de datum van de keuring door de RDW, een WOK-status heeft gekregen. Ook als de Rechtbank haar oordeel had gebaseerd op het juiste tijdstip, zou zij hebben geoordeeld dat belanghebbende vanwege de aanwezigheid van essentiële gebreken aan de auto niet in aanmerking komt voor toepassing van de taxatiemethode. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank op dit punt met verbetering van de gronden (artikel 8:113, lid 1, Awb).
Kan de taxatiemethode worden toegepast op grond van beleid?
5.7.
Belanghebbende doet met toepassing van artikel 10b Wet bpm en artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit bpm, zoals gewijzigd bij besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 september 2021, nr. 2021-110975, Stcrt, 2021, 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van 10 oktober 2022 (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5)).
5.8.
Artikel 10b, lid 1, Wet bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9 Wet bpm, dat lagere bedrag aan belasting kan worden toegepast.
5.9.
Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet bpm toepassing, omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan niet op de voet van artikel 10b Wet Bpm alsnog een beroep op dit beleid doen.
5.10.
Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen rijden waarvan de bij belanghebbende niet-geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten en in die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu zij zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat zulke soortgelijke voertuigen bestaan. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU is belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.
5.11.
In het midden kan blijven of, zoals de Inspecteur stelt, belanghebbende geen beroep kan doen op toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, vanwege (vermeend) misbruik van procesrecht (zie 5.1 – 5.4).
Kosten bezwaarfase
5.12.
Belanghebbende maakt aanspraak op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Zij heeft in beroep een koerslijst van X-Ray overgelegd. Op basis van die koerslijst heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag met € 193 verminderd. De Rechtbank heeft geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend, omdat belanghebbende de koerslijst pas in beroep heeft ingebracht. Onder die omstandigheden was het opleggen van de naheffingsaanslag door de Inspecteur niet onrechtmatig, zodat voor een kostenvergoeding volgens de Rechtbank geen aanleiding bestond. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag over de koerslijst van X-Ray beschikte en verwijst daarbij naar bijlage 2 bij het verweerschrift in eerste aanleg van de Inspecteur. Bijlage 2 is de kennisgeving van de naheffingsaanslag. Aangezien de Inspecteur beschikte over de koerslijst en die koerslijst tot een lagere naheffingsaanslag zou leiden, heeft de Inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door die bij het opleggen van de naheffingsaanslag niet toe te passen, zodat het opleggen van de naheffingsaanslag wel onrechtmatig was, aldus belanghebbende. Belanghebbende verwijst ook naar beleid van de Belastingdienst op grond waarvan de Inspecteur verplicht is om bij het opleggen van een naheffingsaanslag een koerslijst toe te passen als die in zijn bezit is en de koerslijst een hogere afschrijving geeft.
5.13.
In artikel 7:15 Awb is bepaald dat de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het enkele feit dat een besluit wordt herroepen betekent niet zonder meer dat sprake is van onrechtmatig handelen door de Inspecteur. De feiten en omstandigheden van het geval kunnen met zich brengen dat hiervan geen sprake is, bijvoorbeeld als belanghebbende in bezwaar of beroep informatie overlegt die ook eerder overgelegd had kunnen worden.
5.14.
De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat het referentievoertuig in de koerslijst die bij de kennisgeving van de naheffingsaanslag was gevoegd niet overeenkomt met de auto. Daarom kon de koerslijst niet worden gebruikt, aldus de Inspecteur. De Inspecteur heeft geen verklaring kunnen geven voor het meesturen van de onjuiste koerslijst met de kennisgeving van de naheffingsaanslag.
5.15.
Het Hof volgt de verklaring van de Inspecteur dat het referentievoertuig in de koerslijst niet overeenkomt met de auto. Onder andere de CO2-uitstoot en de daarbij behorende bruto bpm (166 g/km en € 15.651) en de bedragen die in aanmerking zijn genomen als opties (€ 2.315) wijken af van de gegevens in de koerslijst die belanghebbende in beroep heeft overgelegd (160 g/km en een bruto bpm van € 13.077 en € 6.080 aan opties), die volgens haar de juiste koerslijst is, en op basis waarvan de Rechtbank de naheffingsaanslag heeft verminderd. Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe. Als de Inspecteur de koerslijst wel had gebruikt, zou de naheffingsaanslag € 4.924 bedragen (€ 21.214 (handelsinkoopwaarde)/54.150 (historische nieuwprijs) x € 15.651 (bruto bpm) = € 6.131 -/- € 1.207 (op aangifte betaald) = € 4.924). Dit is meer dan de naheffingsaanslag van € 4.198 die aan belanghebbende daadwerkelijk is opgelegd. De Inspecteur heeft dus juist in het voordeel van belanghebbende gehandeld door de bij de kennisgeving van de naheffingsaanslag gevoegde koerslijst niet te gebruiken en uit te gaan van de forfaitaire afschrijvingstabel. Toepassing van beleid om een koerslijst toe te passen als dat gunstiger is dan de forfaitaire afschrijvingstabel, is dan ook, anders dan belanghebbende stelt, niet aan de orde. De conclusie uit het voorgaande is dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat geen sprake was van onrechtmatig handelen van de zijde van de Inspecteur. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Slotsom
5.16.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, C. Maas en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 5 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/625
Uitspraak van 5 augustus 2026
in het geding tussen:
V.O.F. [X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 24/250.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.198 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende is aangemerkt als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.005;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op
bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 28 februari 2023 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van een Seat Tarraco 2.0 TSI 4Drive Xcellence 7P (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 31 december 2019. De volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 1.207 is door belanghebbende voldaan.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. (het taxatierapport). De taxatie heeft plaatsgevonden op 23 februari 2023 en het taxatierapport is opgemaakt op 27 februari 2023. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto bepaald op € 54.150 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 17.250. De taxateur heeft voor een bedrag van € 14.076,50 aan schade aan de auto geconstateerd. Van deze schade heeft hij een bedrag van € 12.250 (afgerond 87%) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, die daarmee is vastgesteld op € 5.000. De historische bruto bpm is vastgesteld op € 13.077 en de verschuldigde bpm op € 1.207 (€ 5.000/€ 54.150 x € 13.077 = € 1.207; afschrijving afgerond 90,77%).
2.3.
De Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) heeft de auto op 22 februari 2023 gekeurd. De auto heeft van 22 februari 2023 tot 10 maart 2023 de status van “wacht op keuring” (WOK-status) gehad. De auto is op 4 maart 2023 ingeschreven in het kentekenregister.
2.4.
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag vastgesteld met toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel (afschrijving 58,664%).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Bruikbaarheid taxatierapport en essentiële gebreken
7. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering, als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm, rust op de belastingplichtige. Voor de aanwezigheid en de omvang van de schade verwijst eiseres naar het taxatierapport. In artikel 10 van de Wet Bpm is per 1 januari 2022 expliciet vastgelegd dat de afschrijving op basis van een taxatierapport kan worden bepaald, indien het voertuig onder meer voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet gestelde eisen waardoor met dat voertuig kan en mag worden gereden op de weg. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto op 22 februari 2023 gekeurd is door de RDW en daarbij een WOK status heeft gekregen die op 10 maart 2023 werd beëindigd. Uitsluitend met een taxatie na het herstel van de essentiële gebreken kan een vermindering van de bpm op grond van een taxatierapport worden toegepast. Bovendien geeft de taxatie van eiseres niet de staat van de auto weer op het moment van het belastbare feit. Het taxatierapport kan niet dienen. Verweerder heeft derhalve terecht gesteld dat in dit geval aangifte met behulp van een taxatierapport niet mogelijk is.
8. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot het Kennisgroepstandpunt[1] en de inmiddels ingetrokken goedkeuring die was opgenomen in artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021 gaat ten onrechte uit van de bruikbaarheid van het taxatierapport en slaagt reeds daarom niet.
(…)
Proceskosten
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt ingenomen dat eiseres geen recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Eiseres heeft eerst op 26 juni 2025, tijdens de beroepsfase, een koerslijst overgelegd. Dat de naheffingsaanslag nu pas wordt verminderd komt dus niet door een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
[1] artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de Rechtbank terecht heeft beslist dat de staat van de auto ten tijde van het belastbare feit in aanmerking moet worden genomen. Voorts is in geschil of belanghebbende, ofschoon de auto een WOK-status heeft gekregen, een beroep toekomt op het taxatierapport en de daarin opgevoerde waardevermindering wegens schade. Ten slotte is in geschil of belanghebbende, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, in aanmerking komt voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van de inkoopwaarde op € 9.808 (koerslijst X-Ray minus € 12.250 schade), vaststelling van de verschuldigde bpm op € 2.317 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 1.110. Voorts verzoekt belanghebbende om een kostenvergoeding in de bezwaarfase en een proceskostenvergoeding voor de fase van hoger beroep waarbij artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) buiten toepassing blijft.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
Vooraf
5.1.
De Inspecteur stelt dat het hoger beroep ongegrond verklaard moet worden met overeenkomstige toepassing van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Als reden daartoe voert de Inspecteur aan dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport, terwijl zij wist dat zij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam, omdat de auto WOK-status had toegekend gekregen en het taxatierapport overigens niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen. Ter zitting heeft de Inspecteur zijn stelling aangevuld en gesteld dat belanghebbende misbruik van procesrecht maakt en dat het hoger beroep om die reden ongegrond moet worden verklaard. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.
5.2.
In artikel 21 Rv is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
5.3.
Het fiscale procesrecht is neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 21 Rv speelt hierin geen rol, aangezien de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – tenzij de wet anders bepaalt – slechts van toepassing zijn in procedures voor de burgerlijke rechter. De aangehaalde bepaling is niet van overeenkomstige toepassing verklaard en kent evenmin haar evenknie in het fiscale procesrecht. Belanghebbende heeft in hoger beroep verschillende beroepsgronden aangevoerd. Het staat het Hof niet vrij die gronden af te wijzen en het hoger beroep ongegrond te verklaren indien hem dat geraden voorkomt, enkel vanwege het door de Inspecteur gestelde feit dat belanghebbende aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport terwijl zij wist dat zij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam en het rapport niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen, wat daar ook van zij. Dat feit zou op zichzelf bezien ook niet volstaan om de rechtsgevolgen tot stand te brengen die in het formele belastingrecht mede aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften kunnen worden verbonden. De mogelijkheid van die rechtsgevolgen ontneemt in gevallen als het onderhavige overigens ook de noodzaak aan analoge toepassing van artikel 21 Rv. Voor zover belanghebbende beroepsgronden aanvoert die worden onderbouwd met het taxatierapport, zal het Hof derhalve de bewijskracht van het taxatierapport beoordelen en, afhankelijk daarvan, oordelen of die beroepsgronden slagen of niet. Beroepsgronden die niet worden onderbouwd met het taxatierapport worden door het Hof beoordeeld, ongeacht het oordeel van het Hof over de bewijskracht van het taxatierapport.
5.4.
Ten aanzien van het door de Inspecteur ter zitting gestelde misbruik van procesrecht door belanghebbende overweegt het Hof dat een belanghebbende die misbruik maakt van zijn bevoegdheid een geschil aan de rechter voor te leggen onder omstandigheden niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw (vgl. bijvoorbeeld ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, overweging 6.1). Van dergelijke zwaarwichtige gronden is in het onderhavige geval naar het oordeel van het Hof geen sprake. Belanghebbende voert beroepsgronden aan die, indien die slagen, haar in een betere positie kunnen brengen. Het is niet op voorhand uitgesloten dat de door belanghebbende aangevoerde beroepsgronden slagen. Het door de Inspecteur gestelde feit dat belanghebbende aangifte heeft gedaan op basis van een taxatierapport terwijl zij wist dat zij niet voor toepassing van de taxatiemethode in aanmerking kwam en het rapport niet voldeed aan de eisen die wet- en regelgeving daaraan stellen, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders.
Staat van de auto ten tijde van belastbaar feit of afschrijvingsmoment?
5.5.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank in overweging 7 van haar uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het taxatierapport niet de staat van de auto weergeeft op het moment van het belastbare feit, de inschrijving in het kentekenregister (4 maart 2023), en dat het taxatierapport daarom niet kan dienen. Volgens belanghebbende moet het taxatierapport de staat van de auto op het afschrijvingsmoment weergeven. Dit is het moment waarop de auto door de RDW wordt gekeurd, te weten 22 februari 2023.
5.6.
Belanghebbende heeft gelijk dat de Rechtbank in dit verband ten onrechte refereert aan het belastbare feit en niet aan het afschrijvingsmoment. Op grond van de tweede volzin van artikel 10, lid 2, Wet bpm is voor onder meer de hoogte van de vermindering van de bpm ter zake van de registratie van een gebruikte personenauto het tijdstip bepalend waarop de keuring van die auto door de RDW is afgerond (afschrijvingsmoment). Tot een gegrond hoger beroep kan dit, naar belanghebbende ter zitting ook heeft erkend, evenwel niet leiden. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto op 22 februari 2023, de datum van de keuring door de RDW, een WOK-status heeft gekregen. Ook als de Rechtbank haar oordeel had gebaseerd op het juiste tijdstip, zou zij hebben geoordeeld dat belanghebbende vanwege de aanwezigheid van essentiële gebreken aan de auto niet in aanmerking komt voor toepassing van de taxatiemethode. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank op dit punt met verbetering van de gronden (artikel 8:113, lid 1, Awb).
Kan de taxatiemethode worden toegepast op grond van beleid?
5.7.
Belanghebbende doet met toepassing van artikel 10b Wet bpm en artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit bpm, zoals gewijzigd bij besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 september 2021, nr. 2021-110975, Stcrt, 2021, 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van 10 oktober 2022 (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5)).
5.8.
Artikel 10b, lid 1, Wet bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9 Wet bpm, dat lagere bedrag aan belasting kan worden toegepast.
5.9.
Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet bpm toepassing, omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan niet op de voet van artikel 10b Wet Bpm alsnog een beroep op dit beleid doen.
5.10.
Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen rijden waarvan de bij belanghebbende niet-geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten en in die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu zij zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat zulke soortgelijke voertuigen bestaan. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU is belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.
5.11.
In het midden kan blijven of, zoals de Inspecteur stelt, belanghebbende geen beroep kan doen op toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, vanwege (vermeend) misbruik van procesrecht (zie 5.1 – 5.4).
Kosten bezwaarfase
5.12.
Belanghebbende maakt aanspraak op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Zij heeft in beroep een koerslijst van X-Ray overgelegd. Op basis van die koerslijst heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag met € 193 verminderd. De Rechtbank heeft geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend, omdat belanghebbende de koerslijst pas in beroep heeft ingebracht. Onder die omstandigheden was het opleggen van de naheffingsaanslag door de Inspecteur niet onrechtmatig, zodat voor een kostenvergoeding volgens de Rechtbank geen aanleiding bestond. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag over de koerslijst van X-Ray beschikte en verwijst daarbij naar bijlage 2 bij het verweerschrift in eerste aanleg van de Inspecteur. Bijlage 2 is de kennisgeving van de naheffingsaanslag. Aangezien de Inspecteur beschikte over de koerslijst en die koerslijst tot een lagere naheffingsaanslag zou leiden, heeft de Inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door die bij het opleggen van de naheffingsaanslag niet toe te passen, zodat het opleggen van de naheffingsaanslag wel onrechtmatig was, aldus belanghebbende. Belanghebbende verwijst ook naar beleid van de Belastingdienst op grond waarvan de Inspecteur verplicht is om bij het opleggen van een naheffingsaanslag een koerslijst toe te passen als die in zijn bezit is en de koerslijst een hogere afschrijving geeft.
5.13.
In artikel 7:15 Awb is bepaald dat de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het enkele feit dat een besluit wordt herroepen betekent niet zonder meer dat sprake is van onrechtmatig handelen door de Inspecteur. De feiten en omstandigheden van het geval kunnen met zich brengen dat hiervan geen sprake is, bijvoorbeeld als belanghebbende in bezwaar of beroep informatie overlegt die ook eerder overgelegd had kunnen worden.
5.14.
De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat het referentievoertuig in de koerslijst die bij de kennisgeving van de naheffingsaanslag was gevoegd niet overeenkomt met de auto. Daarom kon de koerslijst niet worden gebruikt, aldus de Inspecteur. De Inspecteur heeft geen verklaring kunnen geven voor het meesturen van de onjuiste koerslijst met de kennisgeving van de naheffingsaanslag.
5.15.
Het Hof volgt de verklaring van de Inspecteur dat het referentievoertuig in de koerslijst niet overeenkomt met de auto. Onder andere de CO2-uitstoot en de daarbij behorende bruto bpm (166 g/km en € 15.651) en de bedragen die in aanmerking zijn genomen als opties (€ 2.315) wijken af van de gegevens in de koerslijst die belanghebbende in beroep heeft overgelegd (160 g/km en een bruto bpm van € 13.077 en € 6.080 aan opties), die volgens haar de juiste koerslijst is, en op basis waarvan de Rechtbank de naheffingsaanslag heeft verminderd. Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe. Als de Inspecteur de koerslijst wel had gebruikt, zou de naheffingsaanslag € 4.924 bedragen (€ 21.214 (handelsinkoopwaarde)/54.150 (historische nieuwprijs) x € 15.651 (bruto bpm) = € 6.131 -/- € 1.207 (op aangifte betaald) = € 4.924). Dit is meer dan de naheffingsaanslag van € 4.198 die aan belanghebbende daadwerkelijk is opgelegd. De Inspecteur heeft dus juist in het voordeel van belanghebbende gehandeld door de bij de kennisgeving van de naheffingsaanslag gevoegde koerslijst niet te gebruiken en uit te gaan van de forfaitaire afschrijvingstabel. Toepassing van beleid om een koerslijst toe te passen als dat gunstiger is dan de forfaitaire afschrijvingstabel, is dan ook, anders dan belanghebbende stelt, niet aan de orde. De conclusie uit het voorgaande is dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat geen sprake was van onrechtmatig handelen van de zijde van de Inspecteur. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Slotsom
5.16.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, C. Maas en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 5 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.