Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:2793
2026-08-04
Bestuursrecht; Belastingrecht
BK-25/50
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHDHA:2026:2793 → ECLI:NL:RBROT:2024:13033 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Art. 2:14 Awb. Bekendmaking uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard, nu de uitspraak op bezwaar op de juiste wijze is bekendgemaakt en belanghebbende vervolgens niet binnen de wettelijke termijn beroep heeft ingesteld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.270 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/50
Uitspraak van 4 augustus 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Bakker)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Papendrecht, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 17 december 2024, nummer ROT 23/4481.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 1.086.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Papendrecht (de aanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft voorafgaand aan de zitting op 19 mei 2026 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 19 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Het onderzoek ter zitting is op dezelfde dag geschorst. Gelet op het indieningstijdstip van het nadere stuk van de Heffingsambtenaar is belanghebbende tot uiterlijk 29 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om daarvan nader kennis te nemen en daarop te reageren. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Belanghebbende heeft op 29 mei 2026 op het nadere stuk van de Heffingsambtenaar gereageerd. Aangezien belanghebbende zowel ter zitting als na de zitting gelegenheid heeft gehad om op het bij nader stuk gevoerde verweer van de Heffingsambtenaar te reageren en ook van die gelegenheid gebruikt heeft gemaakt, ziet het Hof geen reden om dat stuk buiten beschouwing te laten.
1.7.
Partijen hebben binnen de daartoe gestelde termijn niet aangegeven behoefte te hebben aan een nadere zitting. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten en partijen geïnformeerd dat het op uiterlijk 24 september 2026 schriftelijk uitspraak zal doen.
Feiten
2.1.
In een e-mailbericht van 24 juli 2021 schrijft de gemachtigde van belanghebbende het volgende aan de Heffingsambtenaar aangaande een andere zaak dan de zaak van belanghebbende:
“(…)
Hierbij delen wij u mede dat wij een bericht van Zivver ontvingen, maar dat bericht niet kunnen openen. Ik heb namelijk bij u geen account, waar u wel van uitgaat. Ik verzoek u dan ook met klem mij in de gelegenheid te stellen berichten daadwerkelijk te kunnen openen.
Graag vernemen wij zeer spoedig van uw zijde. Fijn weekend!
Met vriendelijke groet,
Mr. A. Bakker”
2.2.
De Heffingsambtenaar heeft per e-mailbericht als volgt gereageerd:
“(…)
Ik begrijp dat u ons bericht van donderdag 22 juli jl. niet kon openen; ik dacht echter dat wij de toegangscode daarvoor al eerder hadden afgestemd. Mijn excuses als dat toch niet zo is.
De code is […] , voor alle berichten die u van ons krijgt. Het is niet nodig om een account bij ZIVVER te hebben.
Aan de andere kant: ik ontving later afgelopen zaterdag een bezwaarschrift van u via ZIVVER. Betekent dit misschien dat u bovengenoemd bericht inmiddels wel heeft kunnen openen?
(…)”
2.3.
De Heffingsambtenaar schrijft in een brief van 31 december 2022 aan de gemachtigde van belanghebbende in de onderhavige zaak onder meer het volgende:
“Met deze brief stel ik u dan ook in kennis van het feit dat ik uw bovengenoemde bezwaren niet kon afhandelen voor 31 december 2022, maar dat u uiterlijk 10 februari 2023 de uitspraken zult ontvangen.
Mocht u in de maand december 2022 toch een uitspraak op één of meer hierboven genoemde bezwaarschriften (hebben) ontvangen, dan is deze brief op die bezwaarschriften niet van toepassing en kunt u daarvoor deze brief als niet verzonden beschouwen.”
2.4.
De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 24 december 2022.
2.5.
Tot de gedingstukken behoort een schermprint van een e-mailbericht van 24 december 2022. Het e-mailbericht is afkomstig van de Heffingsambtenaar en gericht aan het e-mailadres [e-mailadres] . Dit e-mailadres staat ook op het bezwaarschrift en het beroepschrift, die zijn ingediend door de gemachtigde, vermeld. In het e-mailbericht staat vermeld:
“Van: […]
Verzonden: zaterdag 24 december 2022 15:04
Aan: [e-mailadres]
Onderwerp: uitspraak op bezwaar
Bijlagen: uitspraak op bezwaar.html
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij ontvangt u een uitspraak op een door u ingediend bezwaarschrift.
(…)
Veilig verstuurd via Zivver
Bekijk in de Zivver-app”
2.6.
Tot de gedingstukken behoort voorts een schermprint van de digitale werkmap van de Heffingsambtenaar van het dossier van belanghebbende, genaamd ‘afgehandelde bezwaarschriften (adm. med.) > [woonplaats] > [klantnummer] [klantnummer, Hof] – [aanslagnummer] [aanslagnummer, Hof] – […] ’. Daarin staat onder meer vermeld:
“Naam Gewijzigd op Type
[klantnummer] – [aanslagnummer] – […] Advies 24-12-2022 14:57 Microsoft Word-d…
[klantnummer] – [aanslagnummer] – […] uitspraak 24-12-2022 15:02 Adobe Acrobat D…
[klantnummer] – [aanslagnummer] – […] uitspraak 24-12-2022 15:02 Rich Tekst Format
Bottom up 21-12-2022 14:57 Adobe Acrobat D…
Bottom up 21-12-2022 14:56 Microsoft Excel-w…
per email uitspraak op bezwaar 24-12-2022 15:04 Outlook-item”
2.7.
Belanghebbende heeft met dagtekening 27 juni 2023, ingekomen bij de Rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:
“6. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken, gerekend vanaf de dag na die van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. De beroepstermijn vangt niet aan, zo lang de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Volgens artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit dat tot een belanghebbende is gericht door toezending aan die belanghebbende.
7. Op grond van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep niet-ontvankelijk. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat er werkafspraken zijn gemaakt tussen de gemachtigde van eiser en de heffingsambtenaar om de uitspraak op bezwaar naar het e-mailadres van de gemachtigde te verzenden. Dat er werkafspraken zijn gemaakt tussen partijen is niet in geschil. Gelet op de gemaakte werkafspraken had de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar naar het e-mailadres van de gemachtigde mogen verzenden. De heffingsambtenaar heeft een afschrift van de verzonden e-mail, van 24 december 2022 om 15.04 uur, overgelegd alsmede een documentoverzicht van de zaak. In het afschrift van de verzonden e-mail is onder meer opgenomen de verzending van de uitspraak op bezwaar per e-mail, op 24 december 2022 om 15.04 uur. Uit het documentoverzicht van de zaak blijkt het klantnummer van eiser, het aanslagnummer van de aanslag die naar eiser is verstuurd en de tijd van 15:04 uur waarop de uitspraak op bezwaar per e-mail is verstuurd. Hieruit kan genoegzaam worden geconcludeerd dat de uitspraak op bezwaar op 24 december 2022 per e-mail aan de gemachtigde van eiser is verzonden. De rechtbank merkt daarover nog op dat de uitspraak op bezwaar naar het e-mailadres is verstuurd dat ook in het bezwaarschrift en het pro-forma beroepschrift wordt vermeld. Met de verzending van de uitspraak op bezwaar op 24 december 2022 is de uitspraak op bezwaar bekendgemaakt. Dat betekent dat het pro-forma beroepschrift van 27 juni 2023 meer dan vier maanden na het verstrijken van de beroepstermijn is ingediend. Dat eiser omstreeks de datum van de uitspraak op bezwaar ook een verdagingsbesluit van de heffingsambtenaar heeft ontvangen, is geen reden om het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar te achten. In dit verdagingsbesluit staat immers vermeld dat dit besluit als niet verzonden mag worden beschouwd als eiser in december 2022 alsnog een uitspraak op bezwaar ontvangt. Dat is het geval. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken dat de termijnoverschrijding om andere redenen verschoonbaar zou moeten worden geacht.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten voor alle fasen en vergoeding van het griffierecht.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens belanghebbende is de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze bekendgemaakt, omdat belanghebbende niet expliciet aan de Heffingsambtenaar kenbaar heeft gemaakt dat hij via Zivver bereikbaar is. Dat hij een regulier e-mailadres heeft opgegeven voor correspondentie met de Heffingsambtenaar impliceert volgens belanghebbende niet dat hij algemene toestemming heeft verleend voor het gebruik van versleutelde berichtenuitwisseling, zoals Zivver. Belanghebbende verwijst daarbij naar artikel 2:14, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens belanghebbende is de uitspraak op bezwaar niet eerder bekendgemaakt dan 16 mei 2023. De Heffingsambtenaar heeft dit gemotiveerd bestreden.
5.2.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partij die hoger beroep instelt toekomt, is de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank voor wat betreft de niet-ontvankelijkheid van het beroep op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de beroepsfase zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op het onderhavige geschilpunt werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Het Hof voegt daaraan het volgende toe.
5.3.
Vast staat dat tussen de gemachtigde en de Heffingsambtenaar een werkafspraak bestaat om de uitspraak op bezwaar naar het e-mailadres van de gemachtigde te verzenden. Belanghebbende heeft daardoor expliciet aan de Heffingsambtenaar kenbaar gemaakt dat hij langs de elektronische weg bereikbaar is. Voorts is niet in geschil dat het e-mailbericht van 24 december 2022 naar het bij de gemachtigde in gebruik zijnde e-mailadres ‘ [e-mailadres] ’ is verzonden (zie r.o. 2.5 en 2.6). Uit artikel 2:14, lid 3, Awb (oude tekst) volgt dat indien een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzendt, dit op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier dient te geschieden, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. Het gebruik van Zivver is een daartoe geschikte manier van verzenden. Dat de Heffingsambtenaar hiervan gebruikmaakt in het digitale berichtenverkeer met de gemachtigde was de gemachtigde, gelet op eerdere correspondentie met de Heffingsambtenaar (zie 2.1 en 2.2) ook bekend. Uit die eerdere correspondentie (zie 2.1 en 2.2) volgt ook dat de Heffingsambtenaar een inlogcode aan de gemachtigde heeft verstrekt. Voor zover gemachtigde stelt dat de uitspraak op bezwaar niet door hem kon worden geopend dan wel dat hem niet duidelijk was dat de eerder verstrekte code ook voor het openen van het e-mailbericht van 24 december 2022 kon worden gebruikt, is het Hof van oordeel dat het in dat geval op de weg van de gemachtigde had gelegen om de Heffingsambtenaar na ontvangst van het voornoemde e-mailbericht hierover te informeren. Dat de gemachtigde dit niet heeft gedaan is een omstandigheid die voor rekening en risico van belanghebbende komt.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de uitspraak op bezwaar in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1 Awb bekendgemaakt en ingevolge artikel 3:40 Awb op 24 december 2022 in werking getreden. Nu het (pro forma) beroepschrift op 27 juni 2023 is ingediend, is het beroep te laat ingesteld.
5.5.
Voor zover belanghebbende ter verschoning voor de te late indiening van het beroepschrift verwijst naar de brief van 31 december 2022, overweegt het Hof in navolging van de Rechtbank dat in deze brief expliciet is vermeld dat de verdaging niet geldt voor uitspraken op bezwaar die in de maand december 2022 worden gedaan (zie r.o. 2.3).
5.6.
Gelet op het hiervoor overwogene heeft de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en het griffierecht.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 4 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/50
Uitspraak van 4 augustus 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Bakker)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Papendrecht, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 17 december 2024, nummer ROT 23/4481.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 1.086.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Papendrecht (de aanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft voorafgaand aan de zitting op 19 mei 2026 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 19 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Het onderzoek ter zitting is op dezelfde dag geschorst. Gelet op het indieningstijdstip van het nadere stuk van de Heffingsambtenaar is belanghebbende tot uiterlijk 29 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om daarvan nader kennis te nemen en daarop te reageren. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Belanghebbende heeft op 29 mei 2026 op het nadere stuk van de Heffingsambtenaar gereageerd. Aangezien belanghebbende zowel ter zitting als na de zitting gelegenheid heeft gehad om op het bij nader stuk gevoerde verweer van de Heffingsambtenaar te reageren en ook van die gelegenheid gebruikt heeft gemaakt, ziet het Hof geen reden om dat stuk buiten beschouwing te laten.
1.7.
Partijen hebben binnen de daartoe gestelde termijn niet aangegeven behoefte te hebben aan een nadere zitting. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten en partijen geïnformeerd dat het op uiterlijk 24 september 2026 schriftelijk uitspraak zal doen.
Feiten
2.1.
In een e-mailbericht van 24 juli 2021 schrijft de gemachtigde van belanghebbende het volgende aan de Heffingsambtenaar aangaande een andere zaak dan de zaak van belanghebbende:
“(…)
Hierbij delen wij u mede dat wij een bericht van Zivver ontvingen, maar dat bericht niet kunnen openen. Ik heb namelijk bij u geen account, waar u wel van uitgaat. Ik verzoek u dan ook met klem mij in de gelegenheid te stellen berichten daadwerkelijk te kunnen openen.
Graag vernemen wij zeer spoedig van uw zijde. Fijn weekend!
Met vriendelijke groet,
Mr. A. Bakker”
2.2.
De Heffingsambtenaar heeft per e-mailbericht als volgt gereageerd:
“(…)
Ik begrijp dat u ons bericht van donderdag 22 juli jl. niet kon openen; ik dacht echter dat wij de toegangscode daarvoor al eerder hadden afgestemd. Mijn excuses als dat toch niet zo is.
De code is […] , voor alle berichten die u van ons krijgt. Het is niet nodig om een account bij ZIVVER te hebben.
Aan de andere kant: ik ontving later afgelopen zaterdag een bezwaarschrift van u via ZIVVER. Betekent dit misschien dat u bovengenoemd bericht inmiddels wel heeft kunnen openen?
(…)”
2.3.
De Heffingsambtenaar schrijft in een brief van 31 december 2022 aan de gemachtigde van belanghebbende in de onderhavige zaak onder meer het volgende:
“Met deze brief stel ik u dan ook in kennis van het feit dat ik uw bovengenoemde bezwaren niet kon afhandelen voor 31 december 2022, maar dat u uiterlijk 10 februari 2023 de uitspraken zult ontvangen.
Mocht u in de maand december 2022 toch een uitspraak op één of meer hierboven genoemde bezwaarschriften (hebben) ontvangen, dan is deze brief op die bezwaarschriften niet van toepassing en kunt u daarvoor deze brief als niet verzonden beschouwen.”
2.4.
De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 24 december 2022.
2.5.
Tot de gedingstukken behoort een schermprint van een e-mailbericht van 24 december 2022. Het e-mailbericht is afkomstig van de Heffingsambtenaar en gericht aan het e-mailadres [e-mailadres] . Dit e-mailadres staat ook op het bezwaarschrift en het beroepschrift, die zijn ingediend door de gemachtigde, vermeld. In het e-mailbericht staat vermeld:
“Van: […]
Verzonden: zaterdag 24 december 2022 15:04
Aan: [e-mailadres]
Onderwerp: uitspraak op bezwaar
Bijlagen: uitspraak op bezwaar.html
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij ontvangt u een uitspraak op een door u ingediend bezwaarschrift.
(…)
Veilig verstuurd via Zivver
Bekijk in de Zivver-app”
2.6.
Tot de gedingstukken behoort voorts een schermprint van de digitale werkmap van de Heffingsambtenaar van het dossier van belanghebbende, genaamd ‘afgehandelde bezwaarschriften (adm. med.) > [woonplaats] > [klantnummer] [klantnummer, Hof] – [aanslagnummer] [aanslagnummer, Hof] – […] ’. Daarin staat onder meer vermeld:
“Naam Gewijzigd op Type
[klantnummer] – [aanslagnummer] – […] Advies 24-12-2022 14:57 Microsoft Word-d…
[klantnummer] – [aanslagnummer] – […] uitspraak 24-12-2022 15:02 Adobe Acrobat D…
[klantnummer] – [aanslagnummer] – […] uitspraak 24-12-2022 15:02 Rich Tekst Format
Bottom up 21-12-2022 14:57 Adobe Acrobat D…
Bottom up 21-12-2022 14:56 Microsoft Excel-w…
per email uitspraak op bezwaar 24-12-2022 15:04 Outlook-item”
2.7.
Belanghebbende heeft met dagtekening 27 juni 2023, ingekomen bij de Rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:
“6. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken, gerekend vanaf de dag na die van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. De beroepstermijn vangt niet aan, zo lang de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Volgens artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit dat tot een belanghebbende is gericht door toezending aan die belanghebbende.
7. Op grond van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep niet-ontvankelijk. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat er werkafspraken zijn gemaakt tussen de gemachtigde van eiser en de heffingsambtenaar om de uitspraak op bezwaar naar het e-mailadres van de gemachtigde te verzenden. Dat er werkafspraken zijn gemaakt tussen partijen is niet in geschil. Gelet op de gemaakte werkafspraken had de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar naar het e-mailadres van de gemachtigde mogen verzenden. De heffingsambtenaar heeft een afschrift van de verzonden e-mail, van 24 december 2022 om 15.04 uur, overgelegd alsmede een documentoverzicht van de zaak. In het afschrift van de verzonden e-mail is onder meer opgenomen de verzending van de uitspraak op bezwaar per e-mail, op 24 december 2022 om 15.04 uur. Uit het documentoverzicht van de zaak blijkt het klantnummer van eiser, het aanslagnummer van de aanslag die naar eiser is verstuurd en de tijd van 15:04 uur waarop de uitspraak op bezwaar per e-mail is verstuurd. Hieruit kan genoegzaam worden geconcludeerd dat de uitspraak op bezwaar op 24 december 2022 per e-mail aan de gemachtigde van eiser is verzonden. De rechtbank merkt daarover nog op dat de uitspraak op bezwaar naar het e-mailadres is verstuurd dat ook in het bezwaarschrift en het pro-forma beroepschrift wordt vermeld. Met de verzending van de uitspraak op bezwaar op 24 december 2022 is de uitspraak op bezwaar bekendgemaakt. Dat betekent dat het pro-forma beroepschrift van 27 juni 2023 meer dan vier maanden na het verstrijken van de beroepstermijn is ingediend. Dat eiser omstreeks de datum van de uitspraak op bezwaar ook een verdagingsbesluit van de heffingsambtenaar heeft ontvangen, is geen reden om het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar te achten. In dit verdagingsbesluit staat immers vermeld dat dit besluit als niet verzonden mag worden beschouwd als eiser in december 2022 alsnog een uitspraak op bezwaar ontvangt. Dat is het geval. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken dat de termijnoverschrijding om andere redenen verschoonbaar zou moeten worden geacht.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten voor alle fasen en vergoeding van het griffierecht.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens belanghebbende is de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze bekendgemaakt, omdat belanghebbende niet expliciet aan de Heffingsambtenaar kenbaar heeft gemaakt dat hij via Zivver bereikbaar is. Dat hij een regulier e-mailadres heeft opgegeven voor correspondentie met de Heffingsambtenaar impliceert volgens belanghebbende niet dat hij algemene toestemming heeft verleend voor het gebruik van versleutelde berichtenuitwisseling, zoals Zivver. Belanghebbende verwijst daarbij naar artikel 2:14, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens belanghebbende is de uitspraak op bezwaar niet eerder bekendgemaakt dan 16 mei 2023. De Heffingsambtenaar heeft dit gemotiveerd bestreden.
5.2.
Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partij die hoger beroep instelt toekomt, is de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank voor wat betreft de niet-ontvankelijkheid van het beroep op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de beroepsfase zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op het onderhavige geschilpunt werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Het Hof voegt daaraan het volgende toe.
5.3.
Vast staat dat tussen de gemachtigde en de Heffingsambtenaar een werkafspraak bestaat om de uitspraak op bezwaar naar het e-mailadres van de gemachtigde te verzenden. Belanghebbende heeft daardoor expliciet aan de Heffingsambtenaar kenbaar gemaakt dat hij langs de elektronische weg bereikbaar is. Voorts is niet in geschil dat het e-mailbericht van 24 december 2022 naar het bij de gemachtigde in gebruik zijnde e-mailadres ‘ [e-mailadres] ’ is verzonden (zie r.o. 2.5 en 2.6). Uit artikel 2:14, lid 3, Awb (oude tekst) volgt dat indien een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzendt, dit op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier dient te geschieden, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. Het gebruik van Zivver is een daartoe geschikte manier van verzenden. Dat de Heffingsambtenaar hiervan gebruikmaakt in het digitale berichtenverkeer met de gemachtigde was de gemachtigde, gelet op eerdere correspondentie met de Heffingsambtenaar (zie 2.1 en 2.2) ook bekend. Uit die eerdere correspondentie (zie 2.1 en 2.2) volgt ook dat de Heffingsambtenaar een inlogcode aan de gemachtigde heeft verstrekt. Voor zover gemachtigde stelt dat de uitspraak op bezwaar niet door hem kon worden geopend dan wel dat hem niet duidelijk was dat de eerder verstrekte code ook voor het openen van het e-mailbericht van 24 december 2022 kon worden gebruikt, is het Hof van oordeel dat het in dat geval op de weg van de gemachtigde had gelegen om de Heffingsambtenaar na ontvangst van het voornoemde e-mailbericht hierover te informeren. Dat de gemachtigde dit niet heeft gedaan is een omstandigheid die voor rekening en risico van belanghebbende komt.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de uitspraak op bezwaar in overeenstemming met artikel 3:41, lid 1 Awb bekendgemaakt en ingevolge artikel 3:40 Awb op 24 december 2022 in werking getreden. Nu het (pro forma) beroepschrift op 27 juni 2023 is ingediend, is het beroep te laat ingesteld.
5.5.
Voor zover belanghebbende ter verschoning voor de te late indiening van het beroepschrift verwijst naar de brief van 31 december 2022, overweegt het Hof in navolging van de Rechtbank dat in deze brief expliciet is vermeld dat de verdaging niet geldt voor uitspraken op bezwaar die in de maand december 2022 worden gedaan (zie r.o. 2.3).
5.6.
Gelet op het hiervoor overwogene heeft de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en het griffierecht.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, L.D.M.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 4 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.