Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2023:235
2023-02-15
Strafrecht
22-001180-22
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:1045 → ECLI:NL:GHDHA:2023:235 overig
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en het als vreemdeling in Nederland te verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.453 tekens)
Rolnummer: 22-001180-22
Parketnummer: 09-022018-22
Datum uitspraak: 15 februari 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 april 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1981,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 4 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 118 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, een en ander als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Door de raadsman is namens de verdachte op 22 april 2022 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 22 april 2022.
Vervolgens heeft de raadsman bij akte gedeeltelijke intrekking rechtsmiddel d.d. 28 april 2022 verklaard dat het ingestelde hoger beroep gedeeltelijk wordt ingetrokken voor zover dat is gericht tegen de in dat vonnis onder feit 1 en feit 4 primair gegeven vrijspraken.
Dit brengt met zich dat feit 1 in hoger beroep niet aan de orde is.
Met betrekking tot feit 4 heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het hoger beroep ook ten aanzien van het primair tenlastegelegde wordt doorgezet. Dit feit is in hoger beroep volledig
– primair en subsidiair - aan de orde.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd, voorover in hoger beroep nog aan de orde, dat:
2.hij op of omstreeks 14 januari 2022 te 's-Gravenhage een stofzuiger, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.hij op of omstreeks 25 januari 2022 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden
- dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of
- dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;
4.hij op of omstreeks 15 juni 2021 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg een supboard en/of een of meerdere betaalpassen en/of een creditcard en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 juni 2021 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, een betaalpas, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
5.hij op of omstreeks 15 juni 2021 te 's-Gravenhage een geldbedrag van 6,90 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door te pinnen met een gestolen betaalpas.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair is tenlastegelegd.
De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 primair is tenlastegelegd.
Ten aanzien van het onder 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op 15 juni 2021 gebruik heeft gemaakt van de gestolen betaalpas van aangeefster [slachtoffer]. Vast staat dat de verdachte in het Esso-tankstation was, toen daar met de bankpas van aangeefster werd gepind. Dat het de verdachte is geweest die dit heeft gedaan, kan echter niet uit het dossier worden opgemaakt. Verdachtes enkele aanwezigheid in het tankstation ten tijde van het pinnen is daarvoor onvoldoende, met name omdat uit de camerabeelden blijkt dat hij daar toen niet als enige klant was. Aan het bewijs kan niet bijdragen dat de verdachte, kort nadat met de pas van aangeefster was gepind, buiten het tankstation met een pinpas in zijn hand te zien is. Het dossier biedt immers geen duidelijkheid omtrent de vraag of dit de pinpas van aangeefster was. Dit is op de beschikbare camerabeelden in ieder geval niet te zien.
De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 subsidiair en 5 is tenlastegelegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.hij op of omstreeks 14 januari 2022 te 's-Gravenhage een stofzuiger, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.hij op of omstreeks 25 januari 2022 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden
- dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of
- dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een stofzuiger uit een voertuig. Een dergelijk delict brengt naast onrustgevoelens financiële schade voor de slachtoffers met zich mee. Daarnaast brengen feiten zoals het onderhavige bij de burgers in het algemeen gevoelens van onbehagen teweeg.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 januari 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder vele malen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor vermogensdelicten.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het als vreemdeling in Nederland te verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd (feit 3). Ten aanzien van dit feit stelt het hof evenwel vast dat, ondanks dat in de loop der jaren meerdere keren de terugkeerprocedure in gang is gezet en de verdachte herhaalde keren voor langere of korte periode in vreemdelingenbewaring is gesteld, dit niet heeft geleid tot zijn verwijdering uit Nederland nu dit stuitte op een gebrek aan medewerking van de Marokkaanse autoriteiten.
Niet is gebleken dat de diplomatieke verhoudingen tussen Nederland en Marokko met betrekking tot de toelating van personen met een Marokkaanse nationaliteit jegens wie een inreisverbod is uitgevaardigd, inmiddels zodanig zijn gereguleerd dat de verdachte daadwerkelijk door Marokko zou worden toegelaten indien hij Marokko zou willen inreizen. Gelet hierop heeft de verdachte zich weliswaar schuldig gemaakt aan het bepaalde in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, maar kan hem dit thans, bij de huidige stand van zaken, niet worden tegengeworpen in die zin dat hem daarvoor een straf zou worden opgelegd. Het hof zal de verdachte voor feit 3 dan ook geen straf opleggen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat, mede gelet op de hiervoor vermelde recidive voor vermogensdelicten, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden een passende en geboden reactie vormt op feit 2.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 660,80.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 660,80.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. Daartoe is gesteld dat de vordering onvoldoende duidelijk is onderbouwd.
Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging - van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering van de benadeelde partij heeft gemaakt, welke kosten het hof tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder
4 primair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. W.M. Limborgh,
mr. E.A. Lensink en mr. R. van der Hoeven, in bijzijn van de griffier R. Luijken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 februari 2023.
Parketnummer: 09-022018-22
Datum uitspraak: 15 februari 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 april 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1981,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 4 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 118 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij, een en ander als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Door de raadsman is namens de verdachte op 22 april 2022 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 22 april 2022.
Vervolgens heeft de raadsman bij akte gedeeltelijke intrekking rechtsmiddel d.d. 28 april 2022 verklaard dat het ingestelde hoger beroep gedeeltelijk wordt ingetrokken voor zover dat is gericht tegen de in dat vonnis onder feit 1 en feit 4 primair gegeven vrijspraken.
Dit brengt met zich dat feit 1 in hoger beroep niet aan de orde is.
Met betrekking tot feit 4 heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het hoger beroep ook ten aanzien van het primair tenlastegelegde wordt doorgezet. Dit feit is in hoger beroep volledig
– primair en subsidiair - aan de orde.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd, voorover in hoger beroep nog aan de orde, dat:
2.hij op of omstreeks 14 januari 2022 te 's-Gravenhage een stofzuiger, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.hij op of omstreeks 25 januari 2022 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden
- dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of
- dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;
4.hij op of omstreeks 15 juni 2021 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg een supboard en/of een of meerdere betaalpassen en/of een creditcard en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 juni 2021 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, een betaalpas, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
5.hij op of omstreeks 15 juni 2021 te 's-Gravenhage een geldbedrag van 6,90 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door te pinnen met een gestolen betaalpas.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair is tenlastegelegd.
De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 primair is tenlastegelegd.
Ten aanzien van het onder 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op 15 juni 2021 gebruik heeft gemaakt van de gestolen betaalpas van aangeefster [slachtoffer]. Vast staat dat de verdachte in het Esso-tankstation was, toen daar met de bankpas van aangeefster werd gepind. Dat het de verdachte is geweest die dit heeft gedaan, kan echter niet uit het dossier worden opgemaakt. Verdachtes enkele aanwezigheid in het tankstation ten tijde van het pinnen is daarvoor onvoldoende, met name omdat uit de camerabeelden blijkt dat hij daar toen niet als enige klant was. Aan het bewijs kan niet bijdragen dat de verdachte, kort nadat met de pas van aangeefster was gepind, buiten het tankstation met een pinpas in zijn hand te zien is. Het dossier biedt immers geen duidelijkheid omtrent de vraag of dit de pinpas van aangeefster was. Dit is op de beschikbare camerabeelden in ieder geval niet te zien.
De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 subsidiair en 5 is tenlastegelegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.hij op of omstreeks 14 januari 2022 te 's-Gravenhage een stofzuiger, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.hij op of omstreeks 25 januari 2022 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden
- dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of
- dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een stofzuiger uit een voertuig. Een dergelijk delict brengt naast onrustgevoelens financiële schade voor de slachtoffers met zich mee. Daarnaast brengen feiten zoals het onderhavige bij de burgers in het algemeen gevoelens van onbehagen teweeg.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 januari 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder vele malen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor vermogensdelicten.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het als vreemdeling in Nederland te verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd (feit 3). Ten aanzien van dit feit stelt het hof evenwel vast dat, ondanks dat in de loop der jaren meerdere keren de terugkeerprocedure in gang is gezet en de verdachte herhaalde keren voor langere of korte periode in vreemdelingenbewaring is gesteld, dit niet heeft geleid tot zijn verwijdering uit Nederland nu dit stuitte op een gebrek aan medewerking van de Marokkaanse autoriteiten.
Niet is gebleken dat de diplomatieke verhoudingen tussen Nederland en Marokko met betrekking tot de toelating van personen met een Marokkaanse nationaliteit jegens wie een inreisverbod is uitgevaardigd, inmiddels zodanig zijn gereguleerd dat de verdachte daadwerkelijk door Marokko zou worden toegelaten indien hij Marokko zou willen inreizen. Gelet hierop heeft de verdachte zich weliswaar schuldig gemaakt aan het bepaalde in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, maar kan hem dit thans, bij de huidige stand van zaken, niet worden tegengeworpen in die zin dat hem daarvoor een straf zou worden opgelegd. Het hof zal de verdachte voor feit 3 dan ook geen straf opleggen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat, mede gelet op de hiervoor vermelde recidive voor vermogensdelicten, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden een passende en geboden reactie vormt op feit 2.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 660,80.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 660,80.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. Daartoe is gesteld dat de vordering onvoldoende duidelijk is onderbouwd.
Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging - van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering van de benadeelde partij heeft gemaakt, welke kosten het hof tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder
4 primair, 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. W.M. Limborgh,
mr. E.A. Lensink en mr. R. van der Hoeven, in bijzijn van de griffier R. Luijken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 februari 2023.