Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:6103
2026-09-22
Civiel recht
200.355.201/02 en 200.367.618/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHARL:2026:6103 → ECLI:NL:RBNNE:2024:794
Inhoudsindicatie
Voeging van zaken die inhoudelijke overeenkosten vertonen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2500 Hoge Raad 21-11-1997
- ECLI:NL:HR:1999:ZC2904 Hoge Raad 21-05-1999
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.029 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummers gerechtshof 200.355.201/02 en 200.367.618/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 9248149 en 9614210)
arrest van 22 september 2026 in het incident tot voeging ex art. 222 Rv
in het geding (de hoofdzaak) tussen
Heineken Nederland B.V.
gevestigd in Amsterdam
bij de kantonrechter: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
hierna: Heineken
advocaat: mr. J. Verstoep te Amsterdam
en
Drie Gezusters Groningen B.V.
gevestigd in Breda
bij de kantonrechter: eiseres in conventie, gedaagde in reconventie
hierna: Drie Gezusters
advocaat: mr. M. van Loo te Breda
en in het geding (de vrijwaring) tussen
Heineken Nederland B.V.
gevestigd in Amsterdam
bij de kantonrechter: eiseres in vrijwaring
hierna: Heineken
advocaat: mr. J. Verstoep te Amsterdam
en
Vastgoed Horeca Groningen B.V.
gevestigd in Assen
bij de kantonrechter: gedaagde in vrijwaring
hierna: Vastgoed
advocaat: mr. M. Dijsselhof te Assen..
1Het verloop van procedure 200.355.201/02 (de hoofdzaak) in hoger beroep
1.1
Heineken heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de kantonrechter) op 5 maart 2024 in de hoofdzaak tussen partijen heeft uitgesproken. Dit vonnis was een eindvonnis in de hoofdzaak en een tussenvonnis in de vrijwaring.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 29 mei 2024;
- het herstelexploot van 30 december 2024;
- het royement per 9 september 2025 en de hervatting op de rol van 21 april 2026;
- de memorie van grieven tevens incidentele vordering tot voeging van 21 april 2026;
- de antwoordconclusie van 26 mei 2026, waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.
2Het verloop van procedure 200.367.618/01 (de vrijwaring) in hoger beroep
1.1
Heineken heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de kantonrechter) op 5 maart 2024, 17 december 2024 en 20 januari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 10 april 2026, waarin opgenomen een incidentele vordering tot voeging;
- de antwoordconclusie van 26 mei 2026, waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.
3De beoordeling in het incident
3.1
Voor zover van belang voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende.
3.2
De hoofdzaak (200.355.201/02) betreft een geschil tussen Drie Gezusters als onderhuurster en Heineken als onderverhuurster over vermindering van de huurprijs van horecapanden aan de Grote Markt 36(b), 36(d), 37/37a, 38 en 39 en de Oosterstraat 7a in Groningen ten tijde van de coronapandemie en wegens gebreken aan het gehuurde.
3.3
De vrijwaring (200.367.618/01) betreft een geschil tussen Heineken als huurster en Vastgoed als verhuurster over de huurprijs van dezelfde horecapanden in Groningen ten tijde van de coronapandemie en wegens gebreken aan het gehuurde.
3.4
Heineken heeft in beide procedures een incident tot voeging van zaken opgeworpen. Zij heeft daarbij gewezen op de nauwe samenhang tussen de zaken, terwijl aparte procedures volgens Heineken voor haar extra procesrisico's opleveren en tot onnodige proceskosten leiden. Primair vordert Heineken voeging van de zaken op grond van artikel 222 Rv, subsidiair rolvoeging en meer subsidiair gelijktijdige behandeling.
3.5
Drie Gezusters verzet zich tegen de voeging. Zij stelt dat het incident te laat is opgeworpen, wat in strijd is met de wet en met de goede procesorde. Volgens Drie Gezusters is geen sprake van verknochte zaken zoals de wet vereist. Voeging zal ook tot onnodige vertraging en procescomplicaties leiden, aldus Drie Gezusters.
3.6
Vastgoed verzet zich tegen de voeging onder verwijzing naar overweging 4.72 in het vonnis van 5 maart 2024 in de vrijwaring. Daarin overwoog de kantonrechter, samengevat, dat gelijktijdige afdoening van de zaken zou betekenen dat partijen in de hoofdzaak onnodig langer moesten wachten op het eindvonnis. Volgens Vastgoed is die situatie onveranderd, waardoor voeging van de zaken strijd oplevert met de goede procesorde. Van verknochtheid van de zaken is geen sprake en de gevraagde voeging is hoofdzakelijk ingegeven door procestactiek van Heineken, aldus Vastgoed.
3.7
Het hof deelt niet het standpunt van Drie Gezusters dat het voegingsincident te laat is opgeworpen. In dit geval heeft Heineken haar incident in de jongere zaak (de vrijwaringszaak) opgeworpen in de appeldagvaarding. Dat is tijdig (zie ook artikel 222 Rv in samenhang met artikel 220 lid 2 en artikel 353 Rv). In de hoofdzaak heeft zij dat opgeworpen tegelijk met het eerste inhoudelijke processtuk, namelijk de memorie van grieven. Het hof ziet niet in waarom dat te laat zou zijn. In de hoofdzaak had dit incident niet in de inleidende dagvaarding kunnen worden opgeworpen, omdat toen in de vrijwaringszaak nog geen eindvonnis was gewezen en er daarmee bij het aanbrengen van de zaak geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 222 lid 1 Rv. Drie Gezusters kon dan ook aan de -juiste – mededeling in het H-1 formulier dat de appeldagvaarding geen incidenten bevatte, niet de gevolgtrekking maken dat op een later moment niet alsnog voeging met een later aan te brengen zaak zou worden gevorderd. Aan de eisen van artikel 222 Rv in samenhang met artikel 220 leden 2 en 3 Rv is voldaan.
3.8
Het hof overweegt dat de vordering tot voeging moet worden beoordeeld aan de hand van art. 222 lid 1 Rv. In deze bepaling staat dat wanneer voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of wanneer voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, de voeging daarvan kan worden gevorderd.
3.9
Aan Drie Gezusters en Vastgoed kan worden toegegeven dat de zaken niet precies gelijk zijn. In de hoofdzaak gaat het onder meer om de vraag of Drie Gezusters huurprijsvermindering toekomt wegens gebreken bestaande uit nagelaten onderhoud door Heineken. De vrijwaringszaak draait onder meer om de vraag of Vastgoed als pandeigenaar jegens Heineken uit hoofde van hun onderlinge rechtsverhouding gehouden is tot vrijwaring voor die huurprijsvermindering.
3.10
Maar 'verknocht' in de zin van artikel 222 Rv hoeft niet te betekenen dat de zaken één op één hetzelfde zijn. Het is voldoende dat het gaat om zaken die een zodanige samenhang vertonen dat ze samen behandeld moeten worden. Volgens het hof is dat hier het geval. Want de feitelijke en juridische geschilpunten mogen dan niet identiek zijn, er zijn wel duidelijke overeenkomsten. In beide zaken gaat het immers om (onderhouds-)gebreken aan dezelfde panden en in beide zaken speelt de vraag of recht bestaat op huurprijsvermindering in verband met overheidsmaatregelen tijdens de coronacrisis. Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van een zodanige samenhang tussen de feitelijke en juridische geschilpunten dat consistentie van de uitspraken gewenst is.
3.11
Voeging van de zaken zal verder niet tot onaanvaardbare vertraging leiden, zoals Drie Gezusters en Vastgoed menen. Anders dan bij de kantonrechter lopen de procedures immers - mede doordat de hoofdzaak gedurende meer dan zeven maanden geroyeerd is geweest waaraan Drie Gezusters medewerking hebben verleend - niet al te ver uiteen. In de hoofdzaak is het de beurt aan Drie Gezusters om de memorie van antwoord in te dienen, terwijl in de vrijwaring Heineken de memorie van grieven moet indienen. Naar verwachting zullen beide procedures daarom op niet al te lange termijn uitgeprocedeerd zijn, waarna een mondelinge behandeling en/of arrest kan volgen.
3.12
Het hof komt daarom tot de conclusie dat de vordering tot voeging zal worden toegewezen om te vermijden dat in hoger beroep uiteenlopende beslissingen worden genomen en om het procesverloop in beide zaken beter af te stemmen. Het hof voegt hier aan toe dat de vorderingen in hoger beroep, ondanks de voeging, hun zelfstandigheid behouden. Door de voeging wordt de partij in de ene zaak ook niet automatisch partij in de andere zaak voor zover dat niet al het geval is. Eén en ander betekent dat de verschillende procespartijen door middel van vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken op welke zaak hun memories en/of akten betrekking hebben.
3.13
De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De zaken zullen naar de rol worden verwezen om voort te procederen.
4De beslissing
Het hof:
in het incident (200.355.201/02 en 200.367.618/01)
4.1
voegt de zaak 200.355.201/02 met de bij het hof aanhangige zaak 200.367.618/01.
4.2
bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak.
in de zaak 200.355.201/02
4.3
verwijst de zaak naar de rol van 3 november 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van Drie Gezusters
4.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
in de zaak 200.367.618/01
4.5
verwijst de zaak naar de rol van 3 november 2026 voor memorie van grieven aan de zijde van Heineken
4.6
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, J. Smit en C.P. Lunter, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 september 2026.
Hoge Raad 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500.
Hoge Raad 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummers gerechtshof 200.355.201/02 en 200.367.618/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 9248149 en 9614210)
arrest van 22 september 2026 in het incident tot voeging ex art. 222 Rv
in het geding (de hoofdzaak) tussen
Heineken Nederland B.V.
gevestigd in Amsterdam
bij de kantonrechter: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
hierna: Heineken
advocaat: mr. J. Verstoep te Amsterdam
en
Drie Gezusters Groningen B.V.
gevestigd in Breda
bij de kantonrechter: eiseres in conventie, gedaagde in reconventie
hierna: Drie Gezusters
advocaat: mr. M. van Loo te Breda
en in het geding (de vrijwaring) tussen
Heineken Nederland B.V.
gevestigd in Amsterdam
bij de kantonrechter: eiseres in vrijwaring
hierna: Heineken
advocaat: mr. J. Verstoep te Amsterdam
en
Vastgoed Horeca Groningen B.V.
gevestigd in Assen
bij de kantonrechter: gedaagde in vrijwaring
hierna: Vastgoed
advocaat: mr. M. Dijsselhof te Assen..
1Het verloop van procedure 200.355.201/02 (de hoofdzaak) in hoger beroep
1.1
Heineken heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de kantonrechter) op 5 maart 2024 in de hoofdzaak tussen partijen heeft uitgesproken. Dit vonnis was een eindvonnis in de hoofdzaak en een tussenvonnis in de vrijwaring.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 29 mei 2024;
- het herstelexploot van 30 december 2024;
- het royement per 9 september 2025 en de hervatting op de rol van 21 april 2026;
- de memorie van grieven tevens incidentele vordering tot voeging van 21 april 2026;
- de antwoordconclusie van 26 mei 2026, waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.
2Het verloop van procedure 200.367.618/01 (de vrijwaring) in hoger beroep
1.1
Heineken heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de kantonrechter) op 5 maart 2024, 17 december 2024 en 20 januari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 10 april 2026, waarin opgenomen een incidentele vordering tot voeging;
- de antwoordconclusie van 26 mei 2026, waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.
3De beoordeling in het incident
3.1
Voor zover van belang voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende.
3.2
De hoofdzaak (200.355.201/02) betreft een geschil tussen Drie Gezusters als onderhuurster en Heineken als onderverhuurster over vermindering van de huurprijs van horecapanden aan de Grote Markt 36(b), 36(d), 37/37a, 38 en 39 en de Oosterstraat 7a in Groningen ten tijde van de coronapandemie en wegens gebreken aan het gehuurde.
3.3
De vrijwaring (200.367.618/01) betreft een geschil tussen Heineken als huurster en Vastgoed als verhuurster over de huurprijs van dezelfde horecapanden in Groningen ten tijde van de coronapandemie en wegens gebreken aan het gehuurde.
3.4
Heineken heeft in beide procedures een incident tot voeging van zaken opgeworpen. Zij heeft daarbij gewezen op de nauwe samenhang tussen de zaken, terwijl aparte procedures volgens Heineken voor haar extra procesrisico's opleveren en tot onnodige proceskosten leiden. Primair vordert Heineken voeging van de zaken op grond van artikel 222 Rv, subsidiair rolvoeging en meer subsidiair gelijktijdige behandeling.
3.5
Drie Gezusters verzet zich tegen de voeging. Zij stelt dat het incident te laat is opgeworpen, wat in strijd is met de wet en met de goede procesorde. Volgens Drie Gezusters is geen sprake van verknochte zaken zoals de wet vereist. Voeging zal ook tot onnodige vertraging en procescomplicaties leiden, aldus Drie Gezusters.
3.6
Vastgoed verzet zich tegen de voeging onder verwijzing naar overweging 4.72 in het vonnis van 5 maart 2024 in de vrijwaring. Daarin overwoog de kantonrechter, samengevat, dat gelijktijdige afdoening van de zaken zou betekenen dat partijen in de hoofdzaak onnodig langer moesten wachten op het eindvonnis. Volgens Vastgoed is die situatie onveranderd, waardoor voeging van de zaken strijd oplevert met de goede procesorde. Van verknochtheid van de zaken is geen sprake en de gevraagde voeging is hoofdzakelijk ingegeven door procestactiek van Heineken, aldus Vastgoed.
3.7
Het hof deelt niet het standpunt van Drie Gezusters dat het voegingsincident te laat is opgeworpen. In dit geval heeft Heineken haar incident in de jongere zaak (de vrijwaringszaak) opgeworpen in de appeldagvaarding. Dat is tijdig (zie ook artikel 222 Rv in samenhang met artikel 220 lid 2 en artikel 353 Rv). In de hoofdzaak heeft zij dat opgeworpen tegelijk met het eerste inhoudelijke processtuk, namelijk de memorie van grieven. Het hof ziet niet in waarom dat te laat zou zijn. In de hoofdzaak had dit incident niet in de inleidende dagvaarding kunnen worden opgeworpen, omdat toen in de vrijwaringszaak nog geen eindvonnis was gewezen en er daarmee bij het aanbrengen van de zaak geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 222 lid 1 Rv. Drie Gezusters kon dan ook aan de -juiste – mededeling in het H-1 formulier dat de appeldagvaarding geen incidenten bevatte, niet de gevolgtrekking maken dat op een later moment niet alsnog voeging met een later aan te brengen zaak zou worden gevorderd. Aan de eisen van artikel 222 Rv in samenhang met artikel 220 leden 2 en 3 Rv is voldaan.
3.8
Het hof overweegt dat de vordering tot voeging moet worden beoordeeld aan de hand van art. 222 lid 1 Rv. In deze bepaling staat dat wanneer voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of wanneer voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, de voeging daarvan kan worden gevorderd.
3.9
Aan Drie Gezusters en Vastgoed kan worden toegegeven dat de zaken niet precies gelijk zijn. In de hoofdzaak gaat het onder meer om de vraag of Drie Gezusters huurprijsvermindering toekomt wegens gebreken bestaande uit nagelaten onderhoud door Heineken. De vrijwaringszaak draait onder meer om de vraag of Vastgoed als pandeigenaar jegens Heineken uit hoofde van hun onderlinge rechtsverhouding gehouden is tot vrijwaring voor die huurprijsvermindering.
3.10
Maar 'verknocht' in de zin van artikel 222 Rv hoeft niet te betekenen dat de zaken één op één hetzelfde zijn. Het is voldoende dat het gaat om zaken die een zodanige samenhang vertonen dat ze samen behandeld moeten worden. Volgens het hof is dat hier het geval. Want de feitelijke en juridische geschilpunten mogen dan niet identiek zijn, er zijn wel duidelijke overeenkomsten. In beide zaken gaat het immers om (onderhouds-)gebreken aan dezelfde panden en in beide zaken speelt de vraag of recht bestaat op huurprijsvermindering in verband met overheidsmaatregelen tijdens de coronacrisis. Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van een zodanige samenhang tussen de feitelijke en juridische geschilpunten dat consistentie van de uitspraken gewenst is.
3.11
Voeging van de zaken zal verder niet tot onaanvaardbare vertraging leiden, zoals Drie Gezusters en Vastgoed menen. Anders dan bij de kantonrechter lopen de procedures immers - mede doordat de hoofdzaak gedurende meer dan zeven maanden geroyeerd is geweest waaraan Drie Gezusters medewerking hebben verleend - niet al te ver uiteen. In de hoofdzaak is het de beurt aan Drie Gezusters om de memorie van antwoord in te dienen, terwijl in de vrijwaring Heineken de memorie van grieven moet indienen. Naar verwachting zullen beide procedures daarom op niet al te lange termijn uitgeprocedeerd zijn, waarna een mondelinge behandeling en/of arrest kan volgen.
3.12
Het hof komt daarom tot de conclusie dat de vordering tot voeging zal worden toegewezen om te vermijden dat in hoger beroep uiteenlopende beslissingen worden genomen en om het procesverloop in beide zaken beter af te stemmen. Het hof voegt hier aan toe dat de vorderingen in hoger beroep, ondanks de voeging, hun zelfstandigheid behouden. Door de voeging wordt de partij in de ene zaak ook niet automatisch partij in de andere zaak voor zover dat niet al het geval is. Eén en ander betekent dat de verschillende procespartijen door middel van vermelding van de zaaknummers steeds duidelijk moeten maken op welke zaak hun memories en/of akten betrekking hebben.
3.13
De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De zaken zullen naar de rol worden verwezen om voort te procederen.
4De beslissing
Het hof:
in het incident (200.355.201/02 en 200.367.618/01)
4.1
voegt de zaak 200.355.201/02 met de bij het hof aanhangige zaak 200.367.618/01.
4.2
bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak.
in de zaak 200.355.201/02
4.3
verwijst de zaak naar de rol van 3 november 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van Drie Gezusters
4.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
in de zaak 200.367.618/01
4.5
verwijst de zaak naar de rol van 3 november 2026 voor memorie van grieven aan de zijde van Heineken
4.6
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, J. Smit en C.P. Lunter, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 september 2026.
Hoge Raad 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500.
Hoge Raad 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904.