Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5811

2026-09-08 Civiel recht 200.349.579
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-08
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.349.579
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Hoger beroep van ECLI:NL:RBMNE:2024:1893. Financiële afwikkeling dienstverleningsovereenkomst.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.845 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.349.579
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 547551




arrest van 8 september 2026




in de zaak van






1MHM Onroerend Goed B.V.
die is gevestigd in Woerden, hierna: MHM
2. Bergse Meilust B.V.
die is gevestigd in Woerden, hierna: Bergse Meilust
3. Stichting Exploitatie [complex]

die is gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: [stichting]
hierna samen te noemen MHM c.s.
advocaat: mr. R.N.E. Visser,



en




MaBo B.V.

die is gevestigd in Dronten, hierna: Mabo
advocaat: mr. J.J. Kesseboom






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
MHM c.s. heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 27 maart 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep


de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis


de memorie van antwoord


nadere producties zijdens MHM c.s. van 16 januari 2026 en 2 juni 2026


aktes overlegging producties zijdens Mabo van 20 januari 2026 en 2 juni 2026


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 juni 2026 is gehouden.





1.2.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.







2De kern van de zaak


2.1.
Partijen zijn een dienstverleningsovereenkomst aangegaan. Deze overeenkomst is door MHM c.s. opgezegd. Partijen hebben afspraken gemaakt over de afwikkeling van de samenwerking. Over de nakoming van die afspraken gaat dit geschil.



2.2.
Over en weer hebben partijen bij de rechtbank diverse (geld)vorderingen ingesteld. Over en weer zijn vorderingen toe- en afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van MHM c.s. is dat twee afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Zij heeft ook haar eis vermeerderd in hoger beroep.



2.3.
Het hof zal beslissen dat het vonnis bekrachtigd wordt en licht dat hierna toe.






3De toelichting op de beslissing van het hof



De relevante feiten




3.1.
MHM is een particuliere vastgoedbelegger. Bergse Meilust is een dochtermaatschappij van MHM en eigenaar van een serviceflat in [vestigingsplaats] . [stichting] houdt zich bezig met het beheer en de exploitatie van de serviceflat.



3.2.
MaBo is een boekhoudkantoor dat gespecialiseerd is in het bieden van administratieve en financiële dienstverlening voor omvangrijke appartementencomplexen.



3.3.
Partijen zijn op enig moment met elkaar een dienstverleningsovereenkomst aangegaan. Bij de stukken zit een niet ondertekende dienstverleningsovereenkomst die volgens de tekst op 1 oktober 2015 ingaat. In dit stuk staan als contractspartijen MHM en Stichting Dienstverlening Seniorenhuisvesting genoemd.



3.4.
MaBo verrichtte het dagelijks operationeel management en de administratieve en financiële dienstverlening van de serviceflat voor [stichting] en MHM. MaBo ontving hiervoor jaarlijks een fee van Bergse Meilust die bestond uit drie onderdelen: a) € 30.000 voor beheer b) € 24.000 voor administratie en c) € 60.000 voor invulling van het (locatie-) management.



3.5.
De dienstverleningsovereenkomst is per 1 juli 2022 beëindigd.



3.6.
In het voorjaar van 2022 hebben MHM c.s. enerzijds en MaBo en twee aan haar gelieerde stichtingen anderzijds een overeenkomst gesloten ten behoeve van de afwikkeling van de samenwerking (hierna: de afwikkelingsovereenkomst).



De omvang van het hoger beroep





3.7.

In eerste aanleg zijn diverse vorderingen ingesteld door MHM c.s. tegen MaBo en drie gelieerde partijen. Daarvan zijn er twee gefailleerd; tegen en namens de derde is geen hoger beroep ingesteld. Van de door MHM c.s. ingestelde vorderingen spelen er nog twee in hoger beroep. In hoger beroep heeft MHM c.s. ook een nieuwe vordering jegens MaBo ingesteld. De rechtbank heeft MHM c.s. in reconventie veroordeeld tot betaling van diverse bedragen en andere vorderingen afgewezen. Tegen deze beslissingen is geen hoger beroep ingesteld. Het hof zal de drie vorderingen van MHM c.s. hierna afzonderlijk bespreken.

MaBo is niet aansprakelijk jegens MHM c.s. voor het door [stichting] aan een gelieerde stichting onverschuldigd betaalde bedrag





3.8.
Op 18 juli 2022 heeft een bestuurder van MaBo, tevens gevolmachtigde van [stichting] , € 42.125,10 overgemaakt van [stichting] naar een aan MaBo gelieerde stichting met als omschrijving: “RC voor betaling openstaande facturen [naam1]”. [naam1] is een andere onderneming van deze bestuurder van MaBo.



3.9.
Deze gelieerde stichting is in eerste aanleg veroordeeld tot terugbetaling van dit bedrag op grond van onverschuldigde betaling. De gelieerde stichting is echter gefailleerd voordat zij het bedrag heeft terugbetaald. [stichting] heeft de vordering ingediend bij de curator, maar er is geen zicht op een uitkering aan de concurrente crediteuren.



3.10.
MHM c.s. acht MaBo aansprakelijk omdat zij is tekort geschoten in de nakoming van de dienstverleningsovereenkomst. Van haar als opdrachtnemer mocht verwacht worden dat deze betaling werd tegengehouden. Voor zover het feit dat de dienstverleningsovereenkomst op het moment van betaling al was geëindigd zou maken dat MaBo niet tekort is geschoten, heeft zij onrechtmatig gehandeld. Het verrichten van een niet toegestane betaling is in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, aldus MHM c.s. Tot slot is er sprake van belangenverstrengeling. Dit heeft MaBo in de hand gewerkt door een bestuurder aan te stellen met vele petten.



3.11.
MaBo betwist dat er grond is voor aansprakelijkheid. Zij betoogt dat het bedrag ziet op facturen die de gelieerde stichting aan [stichting] had gestuurd voor het inhuren van een huismeester over de periode februari tot en met juni 2022. Deze huismeester had de gelieerde stichting niet zelf in dienst; die is ingeleend bij [naam1] . Zij doet ook een beroep op verrekening en benoemt dat zij het bedrag hooguit is verschuldigd aan [stichting] .



3.12.
Het hof is van oordeel dat de taken van MaBo op grond van de dienstverleningsovereenkomst per 1 juni 2022 zijn geëindigd behoudens voor zover er in de afwikkelingsovereenkomst nadere afspraken zijn gemaakt. Partijen zijn het erover eens dat die op dit punt niet zijn gemaakt. Van een tekortkoming in de nakoming van de dienstverleningsovereenkomst is dus geen sprake. MaBo heeft ook niet onrechtmatig gehandeld; het is niet MaBo die de betaling heeft verricht maar haar bestuurder. Die kon dat doen omdat hij gevolmachtigde was van [stichting] , niet doordat hij bestuurder was van MaBo. MaBo kon deze betaling ook niet tegenhouden, want zij was hier zelf niet bij betrokken, niet als vennootschap uit wiens vermogen de betaling werd gedaan, niet als ontvangende partij van de betaling en niet als uitvoerder van de betaling. Het standpunt dat MaBo onrechtmatig zou hebben gehandeld door een bestuurder aan te stellen met vele petten is onvoldoende uitgewerkt om te kunnen leiden tot aansprakelijkheid van MaBo. Zo is onduidelijk hoe de bestuursbenoemingen binnen MaBo zijn geregeld, hoe een bestuursbenoeming kan worden toegerekend aan MaBo, wat de rol is van het feit dat de bestuurder ook een volmacht heeft gekregen van [stichting] en hoe de bestuursbenoeming in causaal verband staat met de betaling. Immers, ook als de rol van bestuurder van MaBo wordt weggedacht, had de betaling verricht kunnen worden. De conclusie is dat deze klacht van MHM c.s. niet opgaat.



Er is niet gebleken dat MHM c.s. een te hoge vergoeding aan MaBo heeft betaald





3.13.
Zoals hiervoor onder 3.4 overwogen hebben partijen afspraken gemaakt over de fee waar MaBo recht op had. Deze bedragen zijn geïndexeerd. Volgens MHM c.s. is feitelijk uitvoering gegeven aan het niet ondertekende stuk, zie hiervoor onder 3.3, volgens MaBo is hieraan geen uitvoering gegeven, maar is er een mondelinge overeenkomst gesloten.



3.14.
In de afwikkelingsovereenkomst staat het volgende over de afspraken tussen partijen:



NEMEN HET VOLGENDE IN
OVERWEGING:

(A) MaBo verricht sinds ultimo 2015 Managementdiensten ten behoeve van [stichting] en MHM betreffende de [complex] (…)
(D) Ten aanzien van de onder A, B en C hiervoor genoemde activiteiten zijn in het verleden tussen Partijen geen schriftelijke overeenkomsten gesloten maar slechts mondeling afspraken gemaakt.



Dit ondertekende stuk levert ingevolge artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op van wat tussen partijen is verklaard in die akte. Dit betekent dat, behoudens tegenbewijs, tussen partijen vaststaat dat er geen schriftelijke overeenkomst is gesloten over de door MaBo ten behoeve van [stichting] en MHM verrichte diensten. Nu over de hoogte van de verschuldigde fee geen geschil bestaat, komt het hof aan tegenbewijslevering niet toe. De fee is conform afspraak in rekening gebracht en betaald; in geschil is het meerdere dat volgens MHM c.s. in rekening zou zijn gebracht en betaald over de jaren 2016 tot en met 2021. MHM c.s. heeft een overzicht gemaakt van hetgeen per jaar is gefactureerd door MaBo en hetgeen conform afspraak gefactureerd had mogen worden. Het verschil over de jaren 2016 tot en met 2021 bedraagt volgens MHM c.s. € 146.423,91. Zij vordert dit terug op grond van onverschuldigde betaling danwel ongerechtvaardigde verrijking danwel wanprestatie. MaBo betwist dat zij meer dan de fees heeft gefactureerd en dat er teveel is betaald.




3.15.
Ter zitting bij het hof is het door MHM c.s. opgestelde overzicht besproken. Uit het overzicht kan niet worden opgemaakt dat er teveel is gefactureerd en hoeveel er teveel is gefactureerd. MHM c.s. heeft toegegeven dat zij zich op de grootboeken heeft gebaseerd en niet op de onderliggende administratie. De drie onderdelen van de fee en de jaarlijkse indexatie zijn te zien op het overzicht evenals wat er is gefactureerd door MaBo en wat er volgens afspraak gefactureerd had mogen worden. Dit verschilt soms enkele honderden euro’s; in sommige gevallen is kennelijk teveel gefactureerd, maar in andere gevallen weer te weinig. Een andere post die elk jaar terugkomt, is de afrekening van de stookkosten. Dit was een aparte vordering van MHM c.s. in eerste aanleg en tegen de afwijzing daarvan is niet gegriefd. Dan resteren de posten advocaatkosten, diverse/overige algemene kosten, beheerskosten – loonkosten en afschrijving inventaris. Dat door MaBo een te hoge fee is gefactureerd en vervolgens aan haar is betaald, is niet vast te stellen op basis van het door MHM c.s. opgestelde overzicht. Van de overige posten zoals de advocaatkosten weet MHM c.s. desgevraagd ook niet of deze door MaBo zijn gefactureerd en of deze aan haar zijn voldaan. Dit maakt dat er onvoldoende is gesteld om de vordering te kunnen toewijzen.



MaBo heeft geen terugbetaling toegezegd van de administratiekosten over de servicekosten en deze zijn niet onverschuldigd betaald aan MaBo.





3.16.
Subsidiair heeft MHM c.s. gesteld dat MaBo ten onrechte 5% administratiekosten in rekening heeft gebracht over de afrekeningen servicekosten. Volgens haar is in de afwikkelingsovereenkomst afgesproken dat MaBo dit terug zou betalen. MaBo betwist dat is afgesproken dat zij iets zou terugbetalen.


3.17.
De bepaling in de afwikkelingsovereenkomst waar MHM c.s. op doelt luidt:



(L) Partijen zijn ten aanzien van de Opzegging door Partij MHM en de beëindiging van de werkzaamheden door Partij MaBo (de Beëindiging) over en weer geen vergoeding aan elkaar verschuldigd. In afwijking van het gestelde in de vorige volzin zullen Partijen nader in overleg treden met betrekking tot:


- (…)


- afdracht van de 5% administratiekosten aan Meilust over de afrekeningen
stook-
servicekosten over de jaren 2016 t/m
2022.




Bij de doorhalingen staat de paraaf van de bestuurder van MaBo en naast “2022” staat met pen bijgeschreven “2020”.



De uit dat overleg voortvloeiende overeenstemming over terugbetaling blijkt volgens MHM c.s. uit een e-mailwisseling van medio juni 2022. Hierin schrijft de bestuurder van MHM aan de bestuurder van MaBo:




Voorts zijn de Administratiekosten in de servicekosten verwerkt (waar ook geen discussie over bestaat), maar in tegenstelling tot de gemaakte afspraken, zijn deze niet aan ons afgedragen. Over de periode 2016 t/m 2020 is dit een bedrag van


€ 97.331,-. Wij verwijzen jou hierbij nogmaals naar de letterlijke afspraak hierover: “Meilust is volledig gerechtigd tot de administratiekosten over de afrekening service- en stookkosten”.




Uit het voorgaande volgt niet dat MaBo heeft ingestemd met terugbetaling van de administratiekosten. De afspraak waar in de e-mailwisseling aan wordt gerefereerd strookt niet met de inhoud van de afwikkelingsovereenkomst en nergens blijkt uit dat MaBo heeft ingestemd met terugbetaling. Een uitlating van die strekking staat ook niet in de e-mailwisseling waarnaar MHM c.s. verwijst. Tot slot stelt MHM c.s. dat de overeenstemming volgt uit een bijeenkomst op 22 juli 2022 tussen partijen waar MaBo heeft medegedeeld dat MHM c.s. gerechtigd is tot de administratiekosten over de afrekening servicekosten. Echter, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat dit namens MaBo is gezegd, zij betwist dit, dan is daarmee nog niet gezegd dat MaBo meent dat zij tot terugbetaling gehouden is. Gesteld noch gebleken is waar MHM c.s. het gerechtvaardigd vertrouwen op zou hebben gebaseerd dat MaBo heeft toegezegd dat zij de administratiekosten over de servicekosten zou terugbetalen. De vordering kan dus niet worden toegewezen op grond van nakoming.




3.18.
MHM c.s. stelt verder dat zij de administratiekosten over de afrekening servicekosten onverschuldigd heeft betaald aan MaBo. De 5% administratiekosten over de servicekosten zijn door de bewoners aan [stichting] betaald, aldus MHM c.s. In plaats van dat het is afgedragen aan MHM is het via de rekening-courant verrekend. MaBo betwist dat de 5% administratiekosten over de servicekosten door [stichting] is doorbetaald aan MaBo.



3.19.
Ter zitting heeft MHM c.s. niet kunnen bevestigen dat [stichting] de 5% administratiekosten over de servicekosten heeft betaald aan MaBo, laat staan dat deze door MaBo aan [stichting] zijn gefactureerd. Hierop strandt de vordering op grond van onverschuldigde betaling.




MaBo is niet tekortgeschoten en heeft niet onrechtmatig gehandeld aangaande het ontstaan van de rekening-courantverhouding





3.20.

[stichting] heeft blijkens haar administratie een vordering uit hoofde van een rekening-courantverhouding op een aan MaBo gelieerde stichting die inmiddels is gefailleerd. Haar vordering op die stichting is door de rechtbank toegewezen. [stichting] stelt dat MaBo tekort is geschoten in de nakoming van de dienstverleningsovereenkomst door [stichting] niet te wijzen op de oplopende rekening-courantverhouding en haar hiervoor niet te waarschuwen. MaBo voert aan dat de rekening-courant is opgebouwd door boekingen van loon- en verzuimkosten voor personeel dat door de gelieerde stichting werd uitgeleend aan [stichting] en dat MHM c.s. hiervan wist.



3.21.
Ter zitting bij het hof is besproken dat als het relaas van MaBo zou kloppen, dit zou hebben geleid tot een vordering uit hoofde van rekening-courant van de gelieerde stichting op [stichting] . [stichting] diende haar immers te betalen voor het ingeleende personeel. Dit betoog van MaBo verklaart niet dat [stichting] een vordering op de gelieerde stichting zou hebben. Wat er wel is geboekt in de rekening-courantverhouding konden partijen niet zeggen anders dan dat het inkoopfacturen en rechtstreekse bankoverboekingen betreft.



3.22.

[stichting] heeft gelet op het voorgaande onvoldoende gesteld voor het oordeel dat MaBo is tekort geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld. De opbouw van de rekening-courantverhouding is onduidelijk gebleven; enige andere onderbouwing dan de grootboekkaart ontbreekt. Ter zitting is dit ook niet verduidelijkt. Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat MaBo is tekort geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld.



De conclusie





3.23.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat MHM c.s. in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof MHM c.s. tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.



3.24.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).






4De beslissing


Het hof:



4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 27 maart 2024;



4.2.

veroordeelt MHM c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van MaBo:
€ 6.561 aan griffierecht
€ 11.238 aan salaris van de advocaat van MaBo (2 procespunten x het toepasselijke tarief VII)




4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;



4.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



4.5.
wijst af wat verder is gevorderd.



Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, D. Visser en J.G.J. Rinkes en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.












Rechtbank Midden-Nederland, 27 maart 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1893.


HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.