Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5670

2026-09-02 Strafrecht 21-001721-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-02
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21-001721-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 326 Sr. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van 16 personen door zich voor te doen als een bonafide aannemer. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de materiële schade (gedeeltelijk) toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (187.751 tekens)
Afdeling strafrecht


Parketnummer: 21-001721-25
Uitspraakdatum: 2 september 2026
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 10 april 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-109188-23 en 18-086108-23, 18-248628-23, 18-024748-24, 18-071833-24, tegen




[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1965 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .



Hoger beroep



Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.



Onderzoek van de zaak



Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.


Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:



vernietiging van het vonnis van de rechtbank;


veroordeling van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummers 18-109188-23, 18-086108-23, 18-248628-23, 18-024748-24 en 18-071833-24 tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest;


toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank hieromtrent.


Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.N. Weski, en wat de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] op de zitting hebben aangevoerd.



Het vonnis



Bij vonnis waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:



verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaken met parketnummers 18-109188-23, 18-086108-23, 18-248628-23, 18-024748-24 en 18-071833-24 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest;


ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen in de zaak met parketnummer 18-109188-23:



- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 4] toegewezen tot een bedrag van € 2.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 4] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 5] volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 6] toegewezen tot een bedrag van € 2.530,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 6] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 7] toegewezen tot een bedrag van € 840,00 en [benadeelde 7] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 9.450,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 8] toegewezen tot een bedrag van € 9.390,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 8] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 9] volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 10] volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 2] volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen in de zaak met parketnummer 18-086108-23:

- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 11] toegewezen tot een bedrag van € 714,40, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 11] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 12] toegewezen tot een bedrag van € 6.305,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 12] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;

- ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij in de zaak met parketnummer 18-248628-23:
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 13] toegewezen tot een bedrag van € 1.605,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 13] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
- ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen in de zaak met parketnummer 18-024748-24:

- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 14] toegewezen tot een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 14] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;
- de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 3] toegewezen tot een bedrag van € 3.404,90, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en [benadeelde 3] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering;

- ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij in de zaak met parketnummer 18-071833-24:
- [benadeelde 15] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank omdat het (deels) tot andere bewezenverklaringen en een andere strafoplegging komt en doet daarom opnieuw recht.



Tenlastelegging



Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


in de zaak met parketnummer 18-109188-23:


hij in of omstreeks de periode van 16 november 2021 tot en met 12 augustus 2022 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de navolgende personen (opdrachtgevers) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 51.845,- euro) te weten:

1. [slachtoffer 1] , tot de afgifte van ongeveer 1500,- euro en/of
2. [benadeelde 4] , tot de afgifte van ongeveer 2300,- euro en/of
3. [benadeelde 5] , tot de afgifte van ongeveer 3040,- euro en/of
4. [benadeelde 6] , tot de afgifte van ongeveer 3030,- euro en/of
5. [benadeelde 7] , tot de afgifte van ongeveer 840,- euro en/of
6. [benadeelde 1] , tot de afgifte van ongeveer 9000,- euro en/of
7. [benadeelde 8] , tot de afgifte van ongeveer 9390,- euro en/of
8. [benadeelde 9] , tot de afgifte van ongeveer 9800,- euro en/of
9. [benadeelde 10] , tot de afgifte van ongeveer 5700,- euro en/of
10. [benadeelde 2] , tot de afgifte van ongeveer 7245,- euro
door (telkens) met voornoemd oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zijn, verdachtes, diensten aan te bieden en/of in contact te treden met bovengenoemde personen (opdrachtgevers) via de website ‘ [Website 1] ’, althans het internet en/of
- tegenover bovengenoemde personen (opdrachtgevers) zich voor te stellen als, althans gebruik te maken van de naam, [X] en/of
- zich voor te doen als zijnde een ervaren en/of betrouwbare aannemer en/of dat hij, verdachte, een (goedlopend) bedrijf met personeel in Duitsland heeft en/of
- ten overstaande van de bovengenoemde personen (opdrachtgevers) te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden we zou kunnen verrichten en/of
- van bovengenoemde personen (opdrachtgevers) een voorschot te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden en/of
- vervolgens tegenover bovengenoemde personen te verklaren om verschillende (leugenachtige) redenen geen werkzaamheden te kunnen verrichten en/of de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten, onder andere dat zijn, verdachtes, personeel en/of vrienden, althans bekenden, (deels) ziek en/of gewond zijn en/of zelfmoord hebben gepleegd en/of overleden zijn, althans niet in staat zijn om voor verdachte te werken, en/of dat hij, verdachte, in het ziekenhuis heeft gelegen en/of dat hij, verdachte, een verkeerde inschatting heeft gemaakt met betrekking tot het plannen van andere klussen en/of dat er vertraging is met de levering van materiaal en/of dat er verkeerd materiaal is geleverd en/of dat gereedschap kapot is gegaan, althans niet meer gebruikt kan worden en
- na het ontvangen van een voorschot/ aanbetaling de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken;

in de zaak met parketnummer 18-086108-23:


hij in of omstreeks de periode van 2 augustus 2022 tot en met 3 maart 2023 te [plaats] , althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de navolgende personen (opdrachtgevers) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 7019,40,- euro) te weten:

1. [benadeelde 11] , tot de afgifte van ongeveer 714,40 euro en/of
2. [benadeelde 12] , tot de afgifte van ongeveer 6305,- euro
door (telkens) met voornoemd oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zijn, verdachtes, diensten aan te bieden en/of in contact te treden met bovengenoemde personen (opdrachtgevers) via de website ‘ [Website 1] ’, althans het internet en/of
- tegenover bovengenoemde personen (opdrachtgevers) zich voor te stellen als, althans gebruik te maken van de naam, [X] en/of [verdachte] en/of
- zich voor te doen als zijnde een ervaren en/of betrouwbare aannemer en/of
- ten overstaande van de bovengenoemde personen (opdrachtgevers) te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten en/of
- van bovengenoemde personen (opdrachtgevers) een voorschot te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden en/of
- vervolgens tegenover bovengenoemde personen te verklaren om verschillende (leugenachtige) redenen geen werkzaamheden te kunnen verrichten en/of de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten, onder andere dat zijn, verdachtes, personeel en/of vrienden, althans bekenden, (deels) ziek en/of gewond zijn en/of zelfmoord hebben gepleegd en/of overleden zijn, althans niet in staat zijn om voor verdachte te werken, en/of dat hij, verdachte, in het ziekenhuis heeft gelegen en/of gezeten en/of dat hij, verdachte, een verkeerde inschatting heeft gemaakt met betrekking tot het plannen van andere klussen en/of dat er vertraging is met de levering van materiaal en/of dat er verkeerd materiaal is geleverd en/of dat gereedschap kapot is gegaan, althans niet meer gebruikt kan worden en
- na het ontvangen van een voorschot/ aanbetaling de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken;

in de zaak met parketnummer 18-248628-23:


hij in of omstreeks de periode van 9 juli tot en met 23 augustus 2021 te [plaats] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 13] en/of [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag van € 1605, door

- zich voor te doen als een ervaren en/of betrouwbare aannemer en/of (vervolgens)
- te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten en/of
- een voorschot te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden en/of
- na het ontvangen van een voorschot/aanbetaling de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken en/of
- te verklaren dat de dakdekker waarmee hij, verdachte, samenwerkte een ongeluk zou hebben gehad en/of dat hij het wel zou regelen, althans om verschillende (leugenachtige) redenen geen werkzaamheden te kunnen verrichten en/of de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten;

in de zaak met parketnummer 18-024748-24:


hij in of omstreeks de periode van 15 februari 2023 tot en met 9 oktober 2023 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, meermaals, althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de navolgende personen (opdrachtgevers) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 3264,48 euro) te weten:

1. [benadeelde 14] en/of
2. [benadeelde 3] door (telkens) met voornoemd oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zijn, verdachtes, diensten aan te bieden en/of in contact te treden met bovengenoemde personen (opdrachtgevers) via de website ‘ [Website 1] ’ en/of ‘ [Website 2] ’, althans het internet en/of
- zich voor te doen als zijnde een ervaren en/of betrouwbare aannemer en/of
- ten overstaande van de bovengenoemde personen (opdrachtgevers) te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten, omdat een grote klus is uitgevallen en/of
- van bovengenoemde personen (opdrachtgevers) een voorschot te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden en/of
- ( vervolgens) tegenover bovengenoemde personen te verklaren om verschillende (leugenachtige) redenen geen werkzaamheden te kunnen verrichten en/of de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten, te weten onder andere dat zijn, verdachtes, personeel en/of vrienden, althans bekenden, (deels) ziek en/of gewond zijn en/of overleden zijn, althans niet in staat zijn om voor verdachte te werken, en/of dat er vertraging is met de levering van materiaal en/of dat er verkeerd materiaal is geleverd en/of dat gereedschap kapot is gegaan, althans niet meer gebruikt kan worden en/of
- na het ontvangen van een voorschot/ aanbetaling de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken;

in de zaak met parketnummer 18-071833-24:


hij in of omstreeks de periode van 20 februari tot en met 5 juli 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 15] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten één of meer geldbedrag(en), te weten € 1950 en/of € 1000 en/of € 1750, door

- zich voor te doen als een ervaren en/of betrouwbare aannemer en/of (vervolgens)
- te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten en/of (daartoe) een werkovereenkomst te (laten) ondertekenen en/of
- één of meer voorschotten/aanbetalingen te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden en/of
- na het ontvangen van één of meer voorschotten/aanbetalingen de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.



Bewijsmiddelen



Het hof is van oordeel dat het aan verdachte in de zaken met parketnummers 18-109188-23, 18-086108-23, 18-248628-23, 18-024748-24 en 18-071833-24 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het hof past (vanwege de samenhang van de feiten) ten aanzien van alle tenlasteleggingen de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaringen redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk is weergegeven.


1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 maart 2022, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland van 22 september 2022 met nummer PL0100-2022071719, genummerd PL0100-2022071719-2, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer 1]

:


Achternaam: [slachtoffer 1]
Voornamen: [slachtoffer 1]
Postcode plaats: [postcode 1] [plaats]


Op 17 december 2021 had ik een afspraak met een man. Ik had een afspraak met deze man omdat hij mijn badkamer zou renoveren. Ik had deze man gevonden op de site [Website 1] , hij stelde zich voor als [X] . Wij waren samen een prijs van 3750 euro overeengekomen. Ik zou de helft aan moeten betalen, dit omdat de man hiervoor materiaal moest kopen om mijn badkamer te renoveren. Dit vond ik wat aan de hoge kant en wij hebben toen samen afgesproken dat ik eerst 1500 euro over zou maken. Dit heb ik vervolgens ook gedaan. Ik heb het geld overgemaakt naar IBAN nummer [rekeningnummer] ten name van [Bedrijf] .


Echter de dagen erna werden er geen werkzaamheden gedaan. Ik kreeg steeds berichten van de man dat hij onderweg zou zijn maar dat er steeds iets tussen kwam. De man stuurde op een gegeven ogenblik zelfs een foto van iemand met verwondingen in zijn gezicht. Dit zou dan een collega van de man zijn. Uiteindelijk kreeg ik steeds meer het idee dat ik aan het lijntje werd gehouden. De man beloofde toen dat ik het betaalde bedrag terug zou krijgen, maar ook hier kwam verder geen reactie op. Op [Website 1] zag ik dat de echte naam van deze man [verdachte] zou zijn. De echte naam van deze man is [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1965 te [geboorteplaats] .


Als bijlage is gevoegd: een verbouwovereenkomst tussen opdrachtgever [slachtoffer 3] en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 24 e.v.)


2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 november 2021, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022167803-2 inhoudende als verklaring van

[benadeelde 4]

:


Achternaam: [benadeelde 4]
Voornamen: [benadeelde 4]
Postcode plaats: [postcode 2] [plaats]


Op 24 november 2021 heb ik een opdracht op [Website 1] neergezet. Ik wilde graag onze badkamer laten verbouwen. Op deze opdracht kreeg ik een aantal reacties, waaronder een van [X] van [Bedrijf] . Hij was de enige die op korte termijn kon beginnen, de rest duurde nog maanden. Aangezien mijn vrouw zwanger was, wilde ik de klus graag snel klaar hebben voor de baby kwam.


Deze [X] kwam vrij vlot bij ons thuis om de klus te bekijken. Hij stelde zich voor als [X] van [Bedrijf] . Hij vertelde dat er net een klus uitgevallen was en dat hij daarom nu wel tijd had. Hij vertelde dat hij een tijd in Duitsland had gewerkt, maar dat hij nu een loods had gekocht in [plaats] en dat hij daar verder ging met het bedrijf. Hij vertelde dat hij een aantal mensen in dienst had.


Uiteindelijk heeft [X] een offerte gemaakt en naar ons gezonden. Wij zijn ermee akkoord gegaan en [X] wilde graag de helft vooruit betaald zien. Ik zei dat dat teveel was en stelde hem voor om zelf de bouwmaterialen aan te schaffen, zodat hij direct aan het werk kon. [X] wilde dat niet en we hebben toen de afspraak gemaakt dat het een derde van het bedrag zou worden. Vervolgens heb ik op 1 december 2021 2300 euro overgemaakt naar [rekeningnummer] .


Hij vertelde dat hij op 8 december zou kunnen beginnen, of anders 14 december 2021. Ik vertelde dat 8 december prima was. Dat was akkoord. Maar de dag van tevoren belde hij dat hij ziek was. De volgende dag appte hij met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat hij geen Corona had, maar wel erg ziek was en dus nog niet kon beginnen.


Daarna kwam een reeks van allerlei smoesjes. Een collega van hem zou gewond zijn geraakt, waarbij hij een foto van een hoofdwond liet zien. Daarna was er wel Corona binnen het bedrijf. Vervolgens vertelde hij dat de feestdagen eraan kwamen en dat hij beter in het nieuwe jaar kon beginnen. Daarna zou een collega, zijn beste vriend, kanker hebben. Vervolgens is deze man overleden en moesten ze naar de uitvaart.


Uiteindelijk ben ik er klaar mee en heb ik hem gebeld. Ik heb hem een ultimatum gesteld dat hij moest beginnen. Tot mijn verrassing verscheen [X] (het hof begrijpt: verdachte) op 7 januari 2022 aan de deur om te beginnen met de werkzaamheden. Hij heeft toen het bad in de badkamer eruit gesloopt en daarna wat leidingen aan elkaar geknoopt. Ik zeg met recht geknoopt, want er was overal lekkage. Vervolgens is hij een tijd niet geweest en daarna verscheen hij een keer weer om wat te doen. Dat ging zo een tijdje door, tot ik met mijn vrouw de knoop heb doorgehakt. Ik ben op Google wat gaan zoeken en zag dat er veel klachten waren over deze [X] en [Bedrijf] . Ik zag ook dat hij helemaal niet [X] heet, maar [verdachte] . Ik zag dat er meerdere bedrijven op zijn naam stonden en bij een van deze bedrijven stond zijn adres, [adres] .


In maart 2022 heb ik tegen [X] , dus eigenlijk [verdachte] , gezegd dat ik er klaar mee was en dat ik de overeenkomst zou opzeggen en mijn geld terug wilde. Volgens [X] had hij ook spijt dat het zo gelopen was en zou hij zo snel mogelijk de aanbetaling terugbetalen. Maar dat is nooit gebeurd.


Ik heb daarna een echte aannemer bij de klus gehad en die vond het verschrikkelijk wat er gedaan was. Leidingen waren zonder knelkoppeling aan elkaar gezet, de WC-ombouw was niet aan de muur vastgezet, het beton moest er weer uit. Het was enorm prutswerk.


Als bijlage is gevoegd: een verbouwovereenkomst tussen opdrachtgever [benadeelde 4] en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 85 e.v.)


3. Bijlage behorende bij de aangifte van [benadeelde 4] d.d. 24 november 2021, genummerd PL0100-2022167803-2, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als bericht van
verdachte
:


SMS met [telefoonnummer 1]


01-12-2021 06:35


Woensdag 8 december kunnen we aanvangen of als jullie het beter uit komt op dinsdag 14 december


Ik ga straks materiaal bestellen kun jij de aanbetaling regelen


01-12-2021 15:56


Denk jij om de aanbetaling ga nu namelijk bestellen anders red ik het niet voor woensdag


4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 5 januari 2026, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 4]

:



Kunt u nog iets vertellen over het moment dat u de aanbetaling deed? Wat maakte dat u die betaling deed?

Ik dacht dat dat de normale gang van zaken was, hij gaf aan dat hij dat geld nodig had voor materialen.


5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juni 2022,


opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022166744-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 5]

:


Achternaam: [benadeelde 5]
Voornamen: [benadeelde 5]
Postcode plaats: [postcode 3] [plaats]


Begin dit jaar, ergens in februari 2022, wilde ik graag dat mijn zolder verbouwd werd. Ik heb toen op [Website 1] een opdracht uitgezet, waar een aannemer op reageerde, [Bedrijf] geheten. Deze aannemer verscheen op afspraak bij mij thuis in een oude grote Mercedes. De man stelde zich voor als [X] , de achternaam weet ik zo even niet meer.


Deze [X] heeft de klus bekeken. Hij vertelde er heel veel bij, had een aantekenboekje bij zich. Hij dacht ook mee, dacht na over de isolatie en dergelijke. Hij kwam vriendelijk over en ik liet hem een offerte maken.


Deze [X] vertelde dat hij uit Duitsland kwam met zijn bedrijf, dat hij acht man personeel had en dat zijn pand in [plaats] werd verbouwd, zodat zijn zoon de zaak over kon nemen.


Hij zou de offerte door zijn boekhouder op laten maken. Na een paar dagen ontving ik deze in de mail. Ik ben er akkoord mee gegaan en ik kreeg een overeenkomst toegezonden. Daarin stond ook het nieuwe adres aan de [adres] . Ik heb vervolgens op 26 februari 2022 een voorschot overgemaakt van 3040 euro naar [rekeningnummer] . [X] (het hof begrijpt: verdachte) zou op 21 maart 2022 beginnen.


Op 14 maart 2022 belde hij mij op en vertelde mij dat hij graag een dag later wilde beginnen, want het personeel moest op cursus. En daarna is [X] met zijn bedrijf nooit meer verschenen. Hij mailde op 22 maart 2022 dat ze weer een dag moesten verzetten, want er was vertraging in levering van materiaal. Weer een dag later, 23 maart, mailde hij dat er nog een dag vertraging was en dat men met 3 personen de volgende morgen zouden beginnen. Op 24 maart 2022 mailde hij dat door omstandigheden men pas die maandag kon beginnen.


Maar ook die maandag verscheen men niet. Ik heb hem toen gebeld en toen vertelde hij dat hij in het ziekenhuis had gelegen. Ik heb hem verteld dat ik geen vertrouwen meer had in [Bedrijf] en de overeenkomst op zou zeggen. Ik heb dit vervolgens ook gemaild en daarbij verzocht om terugbetaling van het voorschot.


Hij reageerde met: "Akkoord, wordt zo snel mogelijk overgemaakt." Maar ook dat is tot op heden niet gedaan.


Als bijlage is gevoegd: een verbouwovereenkomst tussen opdrachtgever [benadeelde 5] en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 136 e.v.)


6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 maart 2022, opgenomen op pagina 146 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022064455-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 6]

:


Achternaam: [benadeelde 6]
Voornamen: [benadeelde 6]
Postcode plaats: [postcode 4] [plaats]


Ik ben door een persoon, welke zich in eerste instantie voorstelde als [X] , opgelicht.


Op woensdag 26 januari 2022 werd er door [X] gereageerd op onze advertentie op [Website 1] . Wij hadden hier een klus op staan, het wegbreken van een dragende muur in de keuken. [X] accepteerde de klus. Hij is vrij snel na het aannemen van de klus bij ons thuis geweest. Hij heeft de klus bekeken en ging een offerte opmaken.


Per mail, als PDF, kreeg ik de offerte toegestuurd, dit op 28 januari 2022. De offerte is ondertekend door [X] . De offerte zag er goed uit en wij hebben [X] de klus gegeven. Hij kon op hele korte termijn wel aan het werk. [X] gaf aan dat hij wel meteen een H-profiel voor ons wilde bestellen, en of wij hiervoor meteen wat geld wilden overmaken. Een bedrag van 1200,00 euro hebben wij hem overgemaakt, dit was de helft van de gehele offerte.


Wij hebben [X] gebeld dat hij ook van ons de badkamer mocht gaan renoveren. [X] is toen op 11 februari 2022 bij ons thuis geweest. [X] heeft mij ongeveer 2 dagen later gebeld, hij zei tegen mij: "Ik heb een afzegging van een andere klus, deze gaat dus niet door. Ik kan dan jullie badkamer wel gaan doen. Ik heb daarom ook een mooi prijsje gemaakt, namelijk 6100,00 euro exclusief sanitair". Ik ben daar toen telefonisch mee akkoord gegaan. Kort hierop kreeg ik een mail van [X] met een contract. Ook kreeg ik een mail of ik niet wilde vergeten om de eerste termijn over te maken. Ik heb het contract toen ondertekend en daar las ik ook dat wij de eerste termijn, 1830,00 euro moesten overmaken voor de klus zou beginnen.


In totaal heb ik een bedrag van 3030,00 euro overgemaakt, naar rekening: [rekeningnummer] ten name van [Bedrijf] .


Op maandag 28 februari 2022 zou [X] (het hof begrijpt: verdachte) bij ons beginnen om de badkamer te doen. Hij vroeg mij wanneer hij bij ons aan het werk zou gaan, want hij had het niet goed in zijn agenda genoteerd. Ik vertelde hem dat hij met een uurtje bij ons zou beginnen. Ik hoorde [X] toen tegen mij zeggen dat hij een andere klus had welke uit liep en dat hij mij vroeg of het erg was dat hij woensdag bij ons zou beginnen. Ik vond het wel raar, maar heb toestemming gegeven. Een dag later, op dinsdag 1 maart 2022, werd ik wederom gebeld door [X] . Het voelde al niet meer goed voor mij en ben dit telefoongesprek gaan opnemen. " [benadeelde 6] , [X] van [Bedrijf] . [benadeelde 6] , ik moet jullie om een hele grote gunst vragen. Ja, je hoort hem al aankomen, vanmorgen belde er nog één en ik heb nu op 't moment drie man ziek, en ik kom hopeloos in de problemen anders. Zou ik het drie dagen mogen uitstellen bij jullie en verschuiven naar dinsdag". Ik heb daar eerst geen antwoord op gegeven maar [X] gevraagd naar [Bedrijf] . Ik begon daarover omdat je bij het bedrijf [Bedrijf] uitkomt als je op internet zoekt naar het adres [adres] , die op de offerte van [Bedrijf] stond. [X] antwoordde dat dat het vorige bedrijf was dat in het pand had gezeten. Ik heb toen wel aangegeven dat ik [X] niet meer vertrouwde omdat hij het werk steeds uitstelt en ik de [Website 1] -advertentie inmiddels ook niet meer vertrouwde omdat het inmiddels wel duidelijk aan de schrijfstijl te zien was dat de drie positieve reviews door dezelfde persoon geschreven waren, en ook nog eens op dezelfde dag.


De volgende dag (woensdag 2 maart) ben ik 's ochtends in de auto gestapt en ben ik naar het adres gereden, [adres] . Ik zag hier toen een leegstaand pand, welke ook al wel een geruimere tijd leeg staat. Ik zag namelijk dat het onkruid hoog stond en het pand er verlaten bij stond. Via de gemeente kreeg ik toen het telefoonnummer van de eigenaar van het pand. Hij vertelde mij dat hij sinds enkele maanden eigenaar is van het pand aan de [adres] en dat hij het pand niet verhuurt, en dat het verhaal van [X] over de sleuteloverdracht niet klopte en dat er geen bedrijf genaamd [Bedrijf] naar het pand zou verhuizen. De man vroeg aan mij of ik een foto van [X] had. Ik heb toen een foto van mijn beveiligingscamera, welke bij mijn voordeur hangt, toegestuurd. De eigenaar van het pand vertelde mij dat hij [X] kende als [verdachte] .


Ik heb meteen [verdachte] gebeld. Ik zei toen tegen hem: Hoi [X] , of zou ik nu maar [verdachte] zeggen. Ik wil mijn 3000 euro terug hebben. Ik ben na dit telefoongesprek gaan graven op het internet. Ik ben er toen achter gekomen dat [verdachte] meerdere bedrijven op naam heeft gehad, en dat deze telkens weer na een jaar failliet gaan. Zo ben ik erachter gekomen dat hij bijvoorbeeld: [Bedrijf] , [Bedrijf] en [Bedrijf] op naam heeft gehad.


Als je op het internet gaat zoeken op de naam van [verdachte] , of op [Bedrijf] dan kom je allemaal slechte reviews tegen.


Op vrijdag 4 maart 2022 ben ik samen met [naam] (het hof begrijpt: [naam] ) en een broer van mij bij [verdachte] aan de [adres] geweest. We hebben toen samen afgesproken dat [verdachte] mij en [naam] terug zou betalen. [verdachte] bevestigde nogmaals dat hij vrijdag de eerste betaling zou doen.


Als bijlage zijn gevoegd: twee verbouwovereenkomsten tussen opdrachtgever Fam [naam] , adres: [adres] (het hof begrijpt: de woning van [benadeelde 6] ) en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 151 e.v.)


7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 maart 2022, opgenomen op pagina 193 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-202266406-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 7]

:


Ik ben woonachtig aan de [adres] . Wij zijn bezig met het vernieuwen van onze keuken. Voor deze verbouwing was het noodzakelijk dat er een muurtje afgebroken werd. Hierom hebben wij via [Website 1] een oproep geplaatst met de vraag wie dit zou kunnen doen. Hierbij stond mijn telefoonnummer vermeld.


Op donderdag 25 november 2021, omstreeks 16:30 uur, kreeg ik een telefoontje van iemand die zich voorstelde met de naam [X] . Deze [X] vertelde mij dat hij het muurtje wel kon afbreken voor ons en dat hij vrijdag 26 november 2021 langs wilde komen om te kijken en een offerte te maken. Ik antwoordde hem dat dit goed was.


Op vrijdag 26 november 2021 kwam [X] langs. Hij vertelde toen de klus wel te willen doen en dat hij een offerte ging maken.


Op 3 december kwam [X] terug bij ons. Hij had de offerte mee. Dit bedroeg 2100 euro. Wij zijn hiermee akkoord gegaan en hebben hier ook voor getekend. [X] vertelde dat hij op 14 december 2021 zou beginnen.


Op vrijdag 2 december 2021, belde [X] (het hof begrijpt: verdachte) mij, met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . [X] vroeg mij of ik een aanbetaling van 840 euro wilde doen zodat hij een H-profiel kon halen hiervan. Hiermee stemde ik in en betaalde het bedrag aan hem. Ik heb het geld overgemaakt naar het rekeningnummer wat op de offerte stond. Dit was [rekeningnummer] op naam van [Bedrijf] . Dit is de naam van zijn bedrijf.


Op het moment dat [X] langs zou komen, 14 december 2021, hadden wij corona dus moesten wij hem afzeggen. De nieuwe datum werd 11 januari 2022. Dit blies [X] af doordat hij vertelde dat iemand op zijn werk zelfmoord gepleegd had. Hierna zou hij op 18 januari 2022, langskomen. Toen liet hij weten ook niet te kunnen komen, omdat hij in afwachting was van de uitslag van een coronatest. Hierna kregen we drie (3) weken lang meerdere smoezen waarom hij niet langs kon komen.


Op 25 januari 2022 kregen we weer telefonisch contact met [X] . Hij vertelde toen dat hij de klus niet kon doen en dat hij de aanbetaling terug zou betalen en dat we het contract zouden ontbinden. Hiermee ben ik mondeling akkoord gegaan. Hierna hebben we erg vaak gebeld en kregen wij steeds van [X] te horen dat het geld wel kwam en zijn financiële man het zou regelen. Tot op de dag van vandaag, 16 maart 2022, hebben wij het geld nog altijd niet ontvangen.


De echte naam van deze [X] zou zijn [verdachte] .


8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 mei 2022,


opgenomen op pagina 251 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022137515-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 1]

:


Achternaam: [benadeelde 1]
Voornamen: [benadeelde 1]
Postcode plaats: [postcode 5] [plaats]


In september 2021 hebben wij besloten om ons huis te laten voorzien van een sierpleisterlaag. Via een klussite nam [verdachte] (van [Bedrijf] ) contact met ons op. Hij zei dat hij de klus voor ons kon doen voor 13.500 euro. Deze klus zou hem ongeveer 2 weken kosten. We hebben een aanbetaling gedaan van 40% bij de start van de werkzaamheden. Hiermee zou hij materialen bestellen. De materialen liet hij bezorgen bij zijn eigen loods. En daarna nog eens 30% na het plaatsen van de hoekprofielen. Het viel ons op dat hij laat begon (10.00 uur) en vroeg eindigde (14.30 uur). Hij kwam elke dag alleen met zijn zoon, [zoon van verdachte] . Dit ging gedurende de 2 weken door. Na 2 weken waren de werkzaamheden dan ook nog niet klaar. Hierna kwam hij steeds met allerlei redenen waarom hij zijn werkzaamheden niet kon doen. Zoals: een lekke band, een kapotte auto, een zieke vrouw, een ziek kind, een zieke oppas, zelf ziek, een collega gevallen en moest naar het ziekenhuis en daarna met de vrouw van die collega naar het ziekenhuis, te nat dus hij zou een tent regelen, tent besteld, maar geen stokken, tent opgehaald, maar niet de goede en tent in [plaats] opgehaald.


Op de site [Website 4] kwamen wij op naam van [verdachte] eerdere klachten tegen. Schijnbaar doet hij dit al een langere tijd en onder meerdere namen van bedrijven, zoals [Bedrijf] , [Bedrijf] , [Bedrijf] en [Bedrijf] , [Bedrijf] . We hebben hem hiermee geconfronteerd en hij gaf aan dat dit door zijn partner komt ( [naam] ). Die zou verkeerde planningen gemaakt hebben en ze zouden uit elkaar gaan. Hij zou dit regelen bij de KvK en overgaan naar een ander bedrijf samen met [X] ( [Bedrijf] ). Dit was in november 2021. Wij hebben een nieuw contract gekregen waarin het oude contract werd meegenomen. Hier zou € 1.000 van het totaalbedrag afgaan en hij zou elke werkdag een bedrag van € 250 in mindering brengen als hij na 30 maart niet klaar was. Dit contract werd pas in januari 2022 getekend, omdat hij ook op tekenafspraken niet kwam opdagen.


De gehele maand maart was het prima stucweer, maar elke keer waren er weer redenen waarom hij niet kon komen. Op 8 april hebben wij gezegd dat als hij voor 22 april klaar was, hij alsnog de helft van het resterende bedrag zou ontvangen. Daar was hij ons dankbaar voor. Helaas kwam hij ook deze afspraken wederom niet na. Hij is geen 1 keer langs geweest. Hij gaf aan op maandag te komen, maar was nog niet klaar met een andere klus. Daarna zou hij op dinsdag komen, maar ook toen bleef hij weg. Daarna was hij de steiger vergeten en ga zo maar door.


Op 20 april heb ik toen zijn collega [X] gebeld. Die was niet op de hoogte van onze afspraken. Hij ging er van uit dat [verdachte] in [plaats] zou wonen, terwijl [verdachte] ons had gezegd dat hij uit [plaats] kwam. Het adres dat op het contract van [Bedrijf] staat is een leegstaand kavel op een bedrijventerrein in [plaats] . Wij zijn hier eens langsgereden om dit te controleren.


We hebben hem op 6 mei in gebreke gesteld. Op 10 mei kwam hij alsnog niet opdagen, want hij zei dat zijn vrouw haar pink had gebroken en moest naar het ziekenhuis. Toen gaf hij aan 12 mei te komen. Ook die dag kwam hij niet opdagen. Hij was niet in staat om te werken was zijn excuus. Ook de volgende dagen kwam hij niet opdagen, ondanks dat hij het elke dag wel zei. Op 20 mei hebben wij toen een brief gestuurd om het contract te ontbinden.


Als bijlage is gevoegd: een omzetting werkovereenkomst van [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 258)


9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 augustus 2022, opgenomen op pagina 298 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022209860-2, inhoudend als verklaring van

[benadeelde 8]

:


Vorig jaar, dus in 2021, wilde ik mijn garage isoleren om deze anders te gaan gebruiken. Ik woon in [plaats] , aan de [locatie 1] in een twee-onder-een-kap.


We hebben deze klus op een aantal websites geplaatst, zoals [Website 1] en [Website 3] . We ontvingen een bericht via [Website 3] van [Bedrijf] , met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Er belde toen een man die zich [X] noemde die zei dat hij de klus wel wilde doen. Hij kwam de 18de november al langs bij ons.



[X] (het hof begrijpt: verdachte) verscheen tegen 15:00 uur en heeft de klus bekeken. Hij kwam goed over, had het over allerlei bouw-handigheden waar wij niet over nagedacht hadden. Uiteindelijk is het niet alleen bij het isoleren gebleven, maar zouden we de garage ook uitbouwen. Dit is in twee offertes verwerkt.


We hebben toen de volgende dag, de 19de, al de offerte gekregen. Uiteindelijk zijn we met de tweede offerte akkoord gegaan. De eerste offerte was een bedrag van 17.300 euro voor het isoleren. De tweede offerte was van 30.000 euro voor het uitbouwen en vergroten van de garage, waar we uiteindelijk mee akkoord zijn gegaan.


Voor het bestellen van materialen moesten wij een aanbetaling doen van 4700 euro en 4690 euro. Ik heb op 10 december 2021 het eerste bedrag overgemaakt naar [rekeningnummer] op naam van [Bedrijf] . Op 6 januari 2022 heb ik het tweede deel overgemaakt, 4690 euro, naar dezelfde bankrekening.


Het was mij wel opgevallen dat er eerst contact was met [Bedrijf] , maar dat de offerte stond op naam van [Bedrijf] . Deze [Bedrijf] zou in [plaats] gevestigd zijn. Ik heb die [X] daarover gevraagd. [X] vertelde dat hij niks met [Bedrijf] te maken wilde hebben, want hij had dat achter zich gelaten want dat was een onbetrouwbare partner. Toen ik hem vroeg waarom er op internet niets te vinden was over [Bedrijf] , geen projecten of website, zei hij dat hij de minst digitale man van Nederland was en dat dat allemaal nog moest komen.


Daarna hebben we afgesproken dat [X] op 24 januari 2022 zou gaan beginnen. Maar op die dag verscheen hij niet. Hij vertelde dat zijn hele team corona had en niet kon komen. We hebben een nieuwe datum afgesproken, maar ook toen zegde hij af. Er volgde toen een hele reeks van smoezen, zoals ziekte van hemzelf, zijn vrouw, overlijden van zijn vader, kapotte auto, het niet kunnen krijgen van materieel.


Uiteindelijk is hij op 9 maart 2022 met een jonger persoon bij ons geweest. Hij had een kraantje bij ons laten plaatsen door een verhuurbedrijf en heeft vervolgens de garagevloer eruit gehaald en een sleuf gegraven naast de garage. Ik had [X] gevraagd wanneer hij weer verder ging met de kraan, want hij had er een grote puinhoop van gemaakt in de tuin. Ook hier had hij allerlei smoesjes over. Eerst zou hij een kraan kopen, daarna had hij een gekocht die kapot was, toen kon hij geen machinist inhuren, en uiteindelijk zou hij zelf verder gaan met de kraan. Maar [X] is daarna nooit meer verschenen.


Tot op heden is er niets gebeurd, is de klus niet gedaan en heb ik mijn geld niet terug.


Als bijlage is gevoegd: een verbouwovereenkomst tussen opdrachtgever dhr. [benadeelde 8] en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 136 e.v.)


10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 6 januari 2026, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 8]

:



Hoe kwam u bij iemand terecht en hoe ging het verder?

Er was geen website omdat hij net was gestart met het bedrijf. Hij was vanuit Duitsland gekomen en opnieuw gestart met een bedrijf.



Hoe heeft u de keuze gemaakt destijds voor degene die ging verbouwen?

Op basis van de prijzen. We wilden niet te duur en niet te goedkoop. Het was bij deze man ook niet zo dat we lang moesten wachten voor er kon worden gestart. Hij vertelde dat er een grote klus was uitgevallen, en dat hij daarom ruimte had.



Wat kunt u zich herinneren van de bezoeken van de man en wat hij over zichzelf en zijn bedrijf vertelde?

Hij had personeel in dienst, die allround waren, en hij vertelde dat hij vaker vergelijkbare verbouwingen had gedaan.



Vertelde hij ook meer over het bedrijf in Duitsland?

De deuren en kozijnen zouden daar in Duitsland al in de opslag staan.
Hij zou de bestellingen pas doen nadat de aanbetaling was gedaan door ons.


Op de offerte stond een adres in [plaats] . Ik heb hem daar toen naar gevraagd en hij vertelde dat het pand in [plaats] net was aangekocht.


11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2022,


opgenomen op pagina 159 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022068185-3, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 9]

:


In november 2021 heb ik samen met mijn vriendin een huis gekocht in [plaats] . Aangezien er diverse werkzaamheden moesten gebeuren aan de woning, heb ik op [Website 1] een aantal klussen gezet. Daarop kwam een reactie van een bedrijf genaamd [Bedrijf] . Ik heb toen een afspraak gemaakt met de man achter dit bedrijf, die zich [X] (het hof begrijpt: verdachte) noemde.


Op 8 december 2021 hebben we hem voor het eerst ontmoet. Ik ben toen samen met hem de woning ingegaan en we hebben gekeken wat er allemaal aan verbouwing moest gebeuren. [X] was heel enthousiast, dook meteen de kruipruimte in. Hij vertelde mij wat er allemaal moest gebeuren, hoe hij dat aan zou pakken. Hij vertelde ook dat hij niet alles zelf kon, maar dat binnen zijn bedrijf er meerdere mensen waren die bepaalde klussen wel konden doen. Zo kon hij zelf geen elektriciteit aan leggen. Al met al gaf hij ons een goed vertrouwen en hebben hem de opdracht gegund. Vervolgens hebben we via SMS en mail contact gehad en op 22 december 2021 hebben we weer fysiek contact gehad. Hij had ons het contract per mail verzonden en dat hebben we toen samen getekend. Ook dat zag er goed uit, de werkzaamheden waren gespecificeerd naar wat er allemaal moest gebeuren. De offerte bestond uit drie delen, die we moesten betalen.


Het eerste voorschot hebben wij op 24 december 2021 9800 euro overgemaakt naar [Bedrijf] op bankrekening [rekeningnummer] . Dit was omdat [X] al vroeg op 23 december 2021 naar dit voorschot. Hij zei dat hij al pui-delen voor de verbouwing had besteld.


Op 5 januari 2022 hebben we afgesproken wanneer [X] zou beginnen. Daarbij hadden we afgesproken dat hij op 12 januari 2022 zou gaan beginnen. Die dag belde hij op en vertelde dat hij niet kon beginnen, want er was een zelfmoord geweest op het bedrijf. Hij vertelde dat een van zijn collega's het pand binnen was gekomen en dat zijn personeelslid zich had opgehangen. Natuurlijk hadden we daar begrip voor en stelden het een week uit. [X] kwam die middag zelfs langs om uitleg te geven. Hij zei dat hij die vrijdag wel zou kunnen beginnen. Maar de avond ervoor appte hij met zijn telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat hij niet kon beginnen, want er was corona bij een van de medewerkers. Het hele team moest nog getest worden, dus men kwam niet. Later die dag vertelde hij dat de uitslag van de test heel lang op zich liet wachten, dat het erg lang duurde. Op die vrijdagmiddag vertelde hij dat ze maandag zouden gaan beginnen. Maar op zondagavond, appte [X] dat hij vergeten was dat ze naar de uitvaart moesten en dus maandag nog niet konden beginnen. Men zou gaan beginnen op de woensdag 18 januari 2022. Die dag hebben we op hem gewacht, maar hij kwam niet. Hij vertelde dat er een sleutel was afgebroken van de gereedschapscontainer en dat ze eerst een slijptol bij een ander moesten lenen. Uiteindelijk verscheen hij tegen 10 uur in de ochtend, met twee andere personen. De ene was een jongen die [zoon van verdachte] genaamd werd, de andere noemden ze kleine [X] . Ze zaten in een auto, een oude Mercedes met het kenteken [kenteken] . Ze hebben die dag wat werk gedaan, maar om 12:30 uur belde [X] dat ze weer weggingen, omdat ze gipsplaten zouden gaan bestellen.


Dit hele gebeuren gaat zo door, telkens komen er smoesjes en dan uiteindelijk komt hij een keer langs, doet wat en gaat weer weg. Dat heeft geduurd tot in maart 2022. In die periode is [X] in totaal 7 keer een dagdeel bij ons geweest, waarbij hij iets heeft gedaan in de woning.


Uiteindelijk waren we er al zat van, maar hebben we wel even doorgezet. Ik heb zijn naam en dat van zijn bedrijf gegoogeld en toen zagen we dat er al veel meer gedupeerden waren. Ook werd een andere naam genoemd, men zei ook dat hij [verdachte] zou heten.


Uiteindelijk heb ik tegen [X] gezegd dat ik de opdracht zou intrekken. Ik heb op 2 maart 2022 een gesprek gehad met [X] dat ik zou stoppen. [X] vertelde ons dat hij ons een deel terug zou betalen en dat dat wel goed zou komen. Maar dat heeft hij nooit gedaan.


Wij hebben een 'echte' aannemer in de arm genomen en die vertelde ons dat al het werk dat [X] bij ons had gedaan, weer opnieuw moest, want het was slecht gedaan.


Als bijlage is gevoegd: een verbouwovereenkomst tussen opdrachtgever fam. [naam] en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 168 e.v.)

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 6 januari 2026, inhoudende als verklaring van [benadeelde 9]:


U wilde destijds werkzaamheden laten verrichten in een net aangekochte woning. Hoe is een en ander verlopen van het moment van de gedachte tot het betalen van een voorschot?


[X] had de juiste mensen om het werk te doen.
Hij kwam met een contract, waarbij een deel van de som aan het begin zou worden betaald en verderop in het proces nog twee delen.
Het feit dat hij met een schriftelijk contract kwam gaf ons een goed gevoel.
We moesten bij aanvang een deel betalen. Dat was omdat hij puien moest bestellen. Die kon hij in Duitsland bestellen en als hij dat in hetzelfde kalenderjaar (2021) deed dan kon hij ze bestellen met extra korting.



De periode waarin de werkzaamheden moesten worden uitgevoerd was betrekkelijk kort, drie maanden zei u?

Ja alles moest voor 1 april 2022 klaar zijn. Het leidingwerk moest 14 maart 2022 klaar zijn omdat de keuken dan werd geïnstalleerd.



Wat heeft uiteindelijk gemaakt dat u met deze man in zee ging?

De beschikbaarheid op korte termijn was belangrijk.


13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 april 2022, opgenomen op pagina 204 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022119175-2 inhoudende als verklaring van

[benadeelde 10]

:


Ik heb een vakantiewoning gekocht welke ik wilde opknappen.


Op een online site genaamd [Website 1] , had ik een advertentie geplaatst.


Op 18 januari 2022 ontving ik van [Website 1] een mail, waarin vermeld stond dat er een reactie binnen was gekomen op mijn advertentie. Deze was afkomstig van dhr. [X] van [Bedrijf] . Op dinsdag 21 januari 2022 ontving ik een sms-bericht van deze [X] . Hij had mijn telefoonnummer via [Website 1] ontvangen om mij via deze weg te benaderen. Ik sprak met [X] en in dit gesprek had hij duidelijk laten weten dat hij dit werk wel wilde aannemen en dat hij het werk eerst nog wilde zien.


Op zaterdag 30 januari 2022, omstreeks 11.00 uur, hadden we op het adres in mijn vakantiewoning afgesproken: [adres] . We zijn de dingen doorgelopen wat ik veranderd wilde zien en [X] (het hof begrijpt: verdachte) ging dit allemaal in orde maken, beloofde hij mij. Hij vertelde mij dat hij een klein bedrijfje in Duitsland had en hiermee naar Nederland ging komen. Hij sprak echt met kennis over de bouw en het voelde goed.


Hierna volgde een offerte van [X] waar het totaalbedrag op stond dat ik voor deze aangenomen opdracht moest betalen. Het was een offerte van 9200,00 euro. Er werd mij verzocht of ik alvast twee bedragen wilde betalen. Ik heb op 01 februari 2022 het eerste deel betaald van mijn rekening: 4600,00 euro naar [rekeningnummer] .


Mijn tweede betaling deed ik op 07 februari 2022: 1100,00 euro naar [rekeningnummer] .


Via sms had ik met [X] contact op dit telefoonnummer: [telefoonnummer 1] . Op maandag 07 maart 2022 heeft [X] in mijn vakantiewoning wat werk gedaan. Hij had panelen, plinten en tegels verwijderd. Ook heeft hij op deze dag een muurtje afgebroken. Hierna is hij nog één keer geweest. Wij hebben daarna nog regelmatig contact via de WhatsApp of mail gehad, waarin hij steeds met smoezen aankwam waarom hij niet kon komen. Eigenlijk is hij na zijn tweede bezoek niet meer terug gekeerd in de woning om het werk af te maken.


Ik heb sindsdien niets meer van hem gehoord en is het werk stil blijven liggen in mijn vakantiewoning.


Als bijlage is gevoegd: een verbouwovereenkomst tussen opdrachtgever fam. [benadeelde 10] en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 207 e.v.)

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 6 januari 2026, inhoudende als verklaring van [benadeelde 10]:


Er zou een verbouwing plaatsvinden in een vakantiewoning in [plaats] . Kunt u vertellen over het traject van het moment te willen verbouwen tot het moment van aanbetaling?

Hij kon snel beginnen, want ik wilde in mei 2022 in het chalet trekken. Hij vertelde dat hij een klus was kwijtgeraakt en hij dus in februari 2022 tijd had voor de klus.
Hij had een aantal mensen binnen zijn bedrijf.



Wat vertelde [X] over zichzelf en zijn bedrijf?

Vóór de aanbetaling hebben we hem gegoogeld, maar we konden niets vinden. Dat klopte, vertelde [X] , want hij kwam uit Duitsland en was net begonnen met [Bedrijf] . Hij vertelde dat hij nog bezig was het bedrijf op te starten.



Wat maakte dat u twee aanbetalingen deed?

Dat was voor materiaal.


15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 juni 2022, opgenomen op pagina 237 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022022793-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 2]

:


In december 2021 heb ik, samen met mijn vrouw, een huis gekocht aan de [adres] . Deze woning moest grondig gerenoveerd worden. Wij hebben op [Website 1] een aantal klussen uitgezet. Op een dag werd mijn vrouw gebeld door een man, waarvan zij dacht dat het een van de aannemers was die ik gebeld had. De man vertelde dat hij een uitstel had van een grote klus en nu wel tijd had voor een badkamer. De man vertelde van [Bedrijf] te zijn en [X] (het hof begrijpt: verdachte) te heten. De man is in februari 2022 bij ons thuis geweest, heeft de badkamer bekeken, waarna we mondeling een afspraak hebben gemaakt. Vervolgens heeft hij mij via de mail een contract gestuurd. Voor aanvang van de werkzaamheden moesten wij een deel overmaken naar de rekening van [Bedrijf] . Dat was een bedrag 3105 euro. Ik heb dit op 17 februari 2022 overgemaakt naar [rekeningnummer] , ten name van [Bedrijf] .


Daarna is deze [X] aan de slag gegaan. Hij heeft de oude badkamer gesloopt en een muur doorgebroken. Daarna hebben ze een slaapkamer gestukt, op onze wens. En toen werd het stil. Dat duurde een maand, waarbij [X] allerlei smoesjes had waarom hij niet kwam. Hij vertelde dat hij Corona had, dat de bus van hem stuk was. Ineens verscheen hij weer en deed hij een stukje zeer grof stucwerk in de badkamer. Het leek nergens op, de stenen staken er nog door. Maar [X] wilde dat ik een tweede termijn ging betalen, want volgens het contract moest ik de tweede termijn betalen na het grove stucwerk.


Ik heb dat geweigerd, want ik was niet blij met zijn werk. Op een gegeven moment nam hij contact op, dat ik niet betaalde. Ik heb tegen hem gezegd dat ik niet eerder ging betalen dan dat er leidingwerk in zat. [X] is toen bij ons geweest en heeft een installateur laten komen, die is begonnen met de waterleiding. Ik heb toen in drie delen 1000 euro overgemaakt op 25 maart 2022, op 29 maart 600 euro en 2540 euro. Deze bedragen zijn gegaan naar [Vrouw van verdachte] op bankrekening [rekeningnummer] .


Ik heb [X] en [Bedrijf] gegoogeld en kwam een heleboel verontrustende berichten tegen. Ik zag dat er veel klachten waren en dat hij een oplichter was, die helemaal niet [X] heet, maar [verdachte] . Ik heb hem daarmee geconfronteerd en [X] zei toen dat hij blij was dat het uitkwam. Hij vertelde dat zijn zwager [verdachte] was en hijzelf [X] .


Het laatste contact tussen [verdachte] en mij is gisteren geweest, maandag 20 juni 2022. Hij heeft een beetje rondgekeken en is weer weggegaan zonder iets te doen. De laatste keer dat hij iets heeft gedaan is nu 3 weken geleden. Toen heeft hij een paar gipsplaten geplaatst en gestukt. Daarna is hij weer weggegaan en ik weet niet wanneer hij weer terug komt.


Als bijlage is gevoegd: een verbouwovereenkomst tussen opdrachtgever [benadeelde 2] en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 240 e.v.)

16. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 3 maart 2026, inhoudende als verklaring van [benadeelde 2]:


U vertelde dat u via [Website 1] aannemers zocht. U kwam bij de heer [X] terecht.

We hadden geluk, er was een grote klus uitgevallen zei hij, dus hij kon snel bij ons aan de slag.



Vertelde hij ook iets over het bedrijf [Bedrijf] ?

Hij had mensen voor hem werken.


17. De door
verdachte
ter zitting van 19 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:


U vraagt mij of ik in staat was om de klussen te verrichten. Ik was in staat, maar op dat moment was ik alleen of maar met twee man. Ik moest daar en ook weer ergens anders beginnen en ik kwam er niet meer uit. U vraagt mij of ik dus eigenlijk qua werk overliep. Ja. Eigenlijk was ik op korte termijn niet in staat om de werkzaamheden te verrichten.


U vraagt of ik ervaring heb met andere werkzaamheden dan het stukadoorswerk. Droogbouw en stucwerk zijn mijn hoofdwerkzaamheden. Ik ken het aanleggen van elektriciteit, water en gas wel, maar dat zijn niet mijn hoofdwerkzaamheden.


U houdt mij voor dat ik voor het renoveren van badkamers moet kunnen tegelen en verstand moet hebben van het aanleggen van gas, water en elektriciteit en dat dit veel breder is dan alleen mijn hoofdwerkzaamheid als stukadoor. Ja, maar er was iemand, [naam] , voor het aanleggen van gas, water en elektriciteit.


U vraagt mij of ik mensen in dienst had. Dat had ik niet. [X] en [collega verdachte] waren er, maar daar had ik geen contract mee.


U vraagt mij of ik met [X] samenwerkte. Ik werkte in feite voor hem.


Ik dacht dat het pand aan de [adres] gehuurd werd door [Bedrijf] .


Ik heb vanaf toen ik 15 jaar oud was totdat ik 45 jaar oud was in Duitsland gewerkt. Misschien heb ik wel tot mijn 50e in Duitsland gewerkt.


Niet alles wat werd aanbetaald, is aan materiaal besteed. Ik heb het ene gat met het andere gevuld.


U vraagt mij of ik heb zitten liegen en bedriegen om het ene gat met het andere te kunnen vullen. Ik zeg niet liegen en bedriegen, maar ik heb het hebben van corona misschien wel gebruikt. Die smoezen waren niet gerechtvaardigd. U vraagt mij of het een leugen was. Als het erop aankomt, als je geen corona hebt en je zegt dat je het wel hebt, dan is dat een leugen.


18. De door
verdachte
ter zitting van de rechtbank van 27 maart 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:


Ik ben bij alle aangevers geweest en ik heb klussen aangenomen. Ik heb met alle aangevers een overeenkomst getekend.
Voor wat betreft de zaak met parketnummer 18.109188.23 klopt het dat op sommige overeenkomsten het adres [adres] staat. [Bedrijf] was daar niet gevestigd. Ik heb tegen de aangevers gezegd dat ik van bedrijf [X] was. [Bedrijf] stond op naam van [X] . Het klopt dat ik smoesjes heb gebruikt. Een deel van de aanbetalingen is op mijn rekeningen terecht gekomen. De rekening [rekeningnummer] was van mij.

[Bedrijf] was een bedrijf van [collega verdachte] .


19. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 13 september 2022, opgenomen op pagina 581 e.v. van voornoemd, genummerd PL0100-2022071719-50, inhoudende als verklaring van
verdachte
:


V: Heb jij een telefoon en is dat met een abonnement of prepaid?
A: Ja, dat is een Samsung, abonnement
V: Wat is het nummer?
A: [telefoonnummer 1]


O: De eerste is van mevrouw [slachtoffer 1] uit [plaats] , die in december 2021 contact heeft gekregen met jou. Zij wilde haar badkamer laten verbouwen en jij hebt via [Website 1] gereageerd. Vervolgens heb jij een offerte opgemaakt en een voorschot van 1500 euro gevraagd. Deze is gestort op de rekening van [Bedrijf] op 17 december 2021, waarna het op dezelfde dag is doorgestort naar de bankrekening van [Bedrijf] . Daarna heeft mevrouw [slachtoffer 1] een aantal malen contact met je gehad, maar er was telkens iets wat er tussen kwam. Toen zij er wat van zei, beloofde je dat het geld teruggestort zou worden. Tot op heden is er niet begonnen met de klus en is het geld ook niet teruggestort.
V: Leg dit eens uit?
A: [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ), die heeft helemaal gelijk.


O: De zesde, van mevrouw [benadeelde 7] uit [plaats] .
V: Kun je hier wat over zeggen?
A: Klopt, zij heeft helemaal gelijk, volledig 100 procent. Ik heb dat aangenomen en ik ben er nooit geweest.


O: Als laatste, nummer 10. Een aangifte van de heer [benadeelde 8] uit [plaats] .
V: Kun je hier op reageren?
A: Ja, daar ben ik geweest. Ik heb daar nog een container laten plaatsen. Maar verder heeft deze man gelijk. We hebben daar een uitgraving gedaan, maar verder niet. Die man heeft gelijk.


20. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 september 2022, opgenomen op pagina 600 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022071719-48, inhoudende als verklaring van

[Vrouw van verdachte]

:


Thuis worden verbouwingen niet afgehandeld omdat de kracht er niet meer in zit voor hem (het hof begrijpt: verdachte).

21. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 13 september 2022, opgenomen op pagina 591 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022071719-49, inhoudende als verklaring van [zoon van verdachte]:

V: Wat voor werk doet je vader (het hof begrijpt: verdachte)?
A: Stukadoor.
V: Heeft hij nog ander werk of werkzaamheden?
A: Nee, niet dat ik weet. Ik heb wel eens geholpen met wat sloopwerk van een muurtje.


22. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 augustus 2022, opgenomen op pagina 550 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022071719-34, inhoudende als verklaring van

[X]

:



[verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) vroeg mij om een klusbedrijf op mijn naam te zetten bij de KvK, kamer van Koophandel. Via dat klusbedrijf kon hij dan meer klussen krijgen, want hij kreeg niet zoveel klussen. Hij wilde dit ook voor [Website 1] , want hij mocht maar met één bedrijf op [Website 1] staan en hij wilde graag een tweede bedrijf. Ik zou er dan 500 euro per week voor krijgen.


V: Jij hebt je dus ingeschreven bij de kamer van koophandel. Onder welke naam en welk bedrijf?
A: Mijn eigen naam en het bedrijf heet [Bedrijf] . Die stond dus op mijn naam maar is van [verdachte] .


23. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. bevindingen van 4 juli 2022, opgenomen op pagina 70 van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022071719-19, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :


Uit de gevorderde historische bankgegevens van de rekening [rekeningnummer] bleek dat de door aangever [slachtoffer 1] betaalde gelden inderdaad op de rekening van [Bedrijf] waren gestort. Deze rekening staat volgens KNAB op naam van [X] , geboren op [geboortedatum 2] 1965, [adres] . Dit adres is niet bestaand in [plaats] , wel bestaat de [adres] . Het bedrag is vervolgens in drie delen overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] .


Uit de gevorderde gegevens blijkt voorts dat er meerdere personen geld hebben gestort op de rekening van [Bedrijf] . Uit de omschrijvingen blijkt dat dit om meerdere voorschotten gaat. Zo staat er bijvoorbeeld in de omschrijving: "eerste aanbetaling [adres] " en "Badkamer [adres] 1e termijn".


Uit de ons beschikbare politiesystemen blijkt dat er diverse mensen geld hebben gestort op de rekening van [Bedrijf] , aangifte of melding hebben gedaan van oplichting c.q. fraude.


Voorts blijkt uit de gevorderde gegevens dat nagenoeg alle binnengekomen bedragen worden overgeboekt naar de KNAB-rekening van [Bedrijf] , dan wel naar een bankrekening op naam van [verdachte] . Dat gaat dan om de bankrekening [rekeningnummer] ten name van [verdachte] / [verdachte] , bankrekening [rekeningnummer] ten name van [zoon van verdachte] , bankrekening [rekeningnummer] ten name van [Vrouw van verdachte] .


24. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 augustus 2022, opgenomen op pagina 315 van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022071719-26, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :


Uit de gevorderde en vervolgens verstrekte historische financiële gegevens van de bankrekening [rekeningnummer] blijkt dat deze zakelijke rekening op naam staat van [verdachte] en de naam [Bedrijf] draagt.


De rekening wordt gebruikt als betaalrekening. Ik zag diverse afschrijvingen naar supermarkten, winkels en dergelijke. Tevens zag ik dat de huur van december 2021 en januari 2022 voor de [adres] van deze rekening was overgemaakt.


Ik zag dat de inkomsten op deze rekening voornamelijk komen van een rekening op naam van [Bedrijf] , [rekeningnummer] . Ik zag dat in de periode van 1 december 2021 tot en met 1 februari 2022, dus 2 maanden, er een totaalbedrag van 17.660 euro was bijgeschreven vanaf de rekening van [Bedrijf] .


Voorts zag ik dat van deze inkomsten er 830 euro was overgeschreven naar rekening [rekeningnummer] op naam van [Vrouw van verdachte] en dat er 3768 euro was overgeschreven naar [rekeningnummer] op naam van [zoon van verdachte] . Ambtshalve is het mij bekend dat dit respectievelijk de vrouw en de zoon van [verdachte] betreffen.


25. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 augustus 2022, opgenomen op pagina 375 van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022137515-4, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :


Naar aanleiding van een vordering identificerende gegevens en historische financiële gegevens ontving ik van de KNAB het volgende.


Rekening [rekeningnummer] was een zakelijke betaalrekening ten name van: [Bedrijf]
Gemachtigde op deze zakelijke rekening was de bestuurder: De heer [collega verdachte] , geboortedatum [geboortedatum 3] 1987.


Uit het bijgevoegde bankbestand bleek inderdaad dat de door aangever [benadeelde 1] overgemaakte bedragen op deze rekening waren gestort. Op 2 september 2021 een bedrag van 5400 euro en op 25 september 2021 4050 euro. Het eerste bedrag is op dezelfde dag in delen doorgestort naar [Bedrijf] en er is 1000 euro contant opgenomen bij een Geldmaat aan de [locatie 2] te [plaats] . Het tweede bedrag is ook in delen doorgestort, binnen ruim een uur nadat het gestort was. 2000 euro is naar [Bedrijf] gegaan, 500 euro naar [Vrouw van verdachte] , 550 euro naar [zoon van verdachte] en 1000 euro is contant opgenomen bij een Geldmaat aan de [adres] .


Opvallend is verder dat een incasso van BMN-bouwmaterialen van 737,80 euro wordt afgeschreven en binnen 10 minuten weer wordt teruggeboekt. 4 minuten daarna wordt dit bedrag met het geld van aangever [benadeelde 1] overgemaakt naar de rekening van [Bedrijf] .


26. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 augustus 2022, opgenomen op pagina 387 van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2022071719-23, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :


Uit de gevorderde en vervolgens verstrekte historische financiële gegevens van de bankrekening [rekeningnummer] blijkt dat deze op naam staat van [Vrouw van verdachte] , geboren op [geboortedatum 4] -1974.


Ik zag dat de bedragen, zoals genoemd in de aangifte van [benadeelde 2] , inderdaad op deze rekening waren gestort. Ik zag dat er een bedrag van 1000 euro op 25 maart 2022 euro was gestort en op 29 maart 2022 een bedrag van 600 en een bedrag van 2540 euro. Ik zag dat de 1000 euro direct werden doorgestort, 400 euro naar de ING-bankrekening van [zoon van verdachte] en 600 euro naar de KNAB-bankrekening van [verdachte] . De gestorte 600 euro werd direct doorgestort naar [zoon van verdachte] . De 2540 euro werd in delen overgemaakt naar de bankrekening van [zoon van verdachte] en [verdachte] . Daarnaast werd er de huur van de [adres] mee betaald. Het restant, 251 euro, werd in de huishoudpot opgenomen. De volgende dag namelijk werd er voor 112 euro boodschappen gedaan.


27. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 februari 2023, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023059303 d.d. 7 maart 2023, genummerd PL0100-2023039065-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 11]

:


Ik ben woonachtig op het [adres] . Vorig jaar augustus ben ik via een collega, [benadeelde 12] , in contact gekomen met een aannemer. Deze aannemer heb ik benaderd om mijn toilet te verbouwen.


De aannemer zou heten [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) en wij hebben eerst gecommuniceerd via de Whatsapp, later is dit ook telefonisch geweest. Het telefoonnummer waarop hij mij Whatsappt ( [telefoonnummer 3] ) was niet te bellen. Hij belde mij altijd vanaf een ander nummer ( [telefoonnummer 4] ).


Op 2 september 2022 ben ik met [verdachte] tot een overeenkomst gekomen om mijn toilet te verbouwen. Er zijn afspraken gemaakt via de Whatsapp maar er is ook een overeenkomst opgesteld. Via de Whatsapp hebben we besproken dat hij een week later al kon beginnen. Op 2 september 2022 heb ik het contract dat hij mij heeft toegestuurd ondertekend en deze heb ik een paar dagen later naar hem toegestuurd naar het mailadres [e-mailadres 1] . Dit mailadres staat dan weer op naam van een [X] . Ik zou een bedrag van 714,40 euro aanbetalen, dit betrof 40% van het totaalbedrag. [verdachte] had dit nodig als voorschot voor het aanschaffen van de materialen. Ik heb dit bedrag betaald op 6 september 2022 naar het volgende rekeningnummer:


IBAN: [rekeningnummer] ,
Naam: [Vrouw van verdachte] .


Op het contract dat hij mij gestuurd heeft stonden de volgende gegevens:



[Bedrijf]


[adres]



In de tien weken die volgden is [verdachte] denk ik drie keer geweest. Hij had continu allerlei smoezen die op den duur gewoon niet meer geloofwaardig waren. De keer daarna heeft hij het waterreservoir vervangen, echter dit ging niet helemaal soepel. Later is namelijk gebleken dat van de aanleg die hij heeft gedaan helemaal niets klopte. De derde keer heeft hij een ontbrekend koppelstukje van het waterreservoir geplaatst. Kortom, van onze overeenkomst is vrijwel niets nagekomen.


Ik heb [verdachte] meermaals een ultimatum gesteld om het afgesproken werk wel te leveren. Ik heb hem zelfs nog voorgesteld dat hij alle aangeschafte materialen bij mij zou achterlaten en dat het dan in orde zou zijn. Echter is dit ook niet gebeurd, ik vraag mij af of hij de materialen überhaupt wel heeft besteld. Ik heb nooit de materialen gezien.


Wij hebben een onderzoekje gedaan naar deze [verdachte] . Zo zou hij helemaal niet [verdachte] heten maar [verdachte] . Hij heeft ooit naar mijn collega een foto gestuurd van een bloedafname in het ziekenhuis. Op deze foto was zijn echte naam en zijn adres zichtbaar:



[verdachte] ,

[adres]
.


Na een korte Googlesessie heb ik een aantal dingen ontdekt:


- Het KvK nummer in de offerte blijkt niet te bestaan.
- Het adres dat op de factuur stond blijkt geen gebouw te bevatten.


Uiteindelijk is de aanleg van het waterreservoir opnieuw bekeken door [Bedrijf] . Ik heb van hen een mail gehad van alle geconstateerde gebreken.

28. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 6 januari 2026, inhoudende als verklaring van [benadeelde 11]:


Had u haast met de verbouwing?

De situatie dat hij snel met de klus zou kunnen beginnen droeg wel bij aan de keuze voor hem. Toen ik hem belde vertelde hij mij dat hij de week daarop kon beginnen.



Hoe ging dat precies met de aanbetaling. Wat was de reden dat u betaalde op dat moment?

Hij zei dat dat de normale procedure was, dan kon hij ook het materiaal bestellen.


29. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 maart 2023, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023055700-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 12]

:


Ik ben woonachting aan de [adres] . Bij de aankoop had ik al besloten dat de woning verbouwd moest worden. Ik heb de klus op [Website 1] gezet. Hier kreeg ik meerdere reacties op, waaronder een reactie van [Bedrijf] . Ik besloot om met [Bedrijf] in zee te gaan.


Op 4 augustus 2022 heb ik [Bedrijf] akkoord gegeven op de door hun uitgebrachte offerte. Ik heb deze offerte fysiek ondertekend bij mij thuis. De persoon die bij mij thuis kwam om de offerte te laten tekenen stelde zich voor als [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte), werkzaam bij [Bedrijf] . Op de offerte zag ik dat er een Kamer van Koophandel nummer en een adres stond. Het totaalbedrag van de offerte betrof 8200 euro, inclusief BTW. Van dit bedrag moest ik 40 procent aanbetalen, te weten 3280 euro. Ik heb dit bedrag in overleg met [Bedrijf] contant afgerekend bij [verdachte] . Hiervan heb ik een betalingsbevestiging ontvangen op 5 augustus 2022. De werkzaamheden zouden op 6 september 2022 aanvangen.


Op 6 september 2022, omstreeks 08:00 uur, stond [verdachte] samen met een werknemer, genaamd [X] , bij mij op de stoep om te beginnen met de verbouwing. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat ze wilden beginnen met slopen, maar dat ze moesten wachten op de aanhanger. Deze aanhanger zou een lekke band hebben en gerepareerd worden. Een andere werknemer zou deze aanhanger dezelfde dag nog komen brengen. Uiteindelijk zijn er deze dag geen werkzaamheden verricht. Ik ben aan het werk gegaan en heb [verdachte] een sleutel gegeven van mijn woning. Toen ik aan het eind van mijn werkdag thuiskwam zag ik dat er helemaal niets gebeurd was. Ik heb meteen telefonisch contact opgenomen met [verdachte] , op telefoonnummer [telefoonnummer 3] (whatsapp) [telefoonnummer 4] (bellen) [telefoonnummer 5] (bellen), en gevraagd waarom er niets gedaan was. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat de aanhanger kapot was en dat hij daar drukdoende mee was geweest. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij de volgende dag zou beginnen met de werkzaamheden.


Op woensdag 7 september 2022, omstreeks 08:00 uur, stond [verdachte] weer voor mijn deur. Ik zag dat hij weer samen was met dezelfde werknemer die hij de dag ervoor ook bij zich had. Ik ben weer naar mijn werk gegaan. Bij thuiskomst zag ik dat er wederom geen werkzaamheden waren verricht. Ik heb telefonisch contact opgenomen met [verdachte] , en ik hoorde dat de breekhamer kapot was en hij daarom geen werkzaamheden kon verrichten. Uiteindelijk heeft dit geduurd tot maandag 12 september 2022.


Op maandag 12 september 2022, omstreeks 10:00 uur, was [verdachte] nog steeds niet op komen dagen en heb ik via de Whatsapp contact met hem gehad. Ik zag op de Whatsapp dat er een werknemer van [verdachte] , genaamd [naam] , op zijn hoofd was gevallen en dat hij met deze werknemer in het ziekenhuis zat. Hiermee zou hij de hele dag zoet zijn.


Op dinsdag 13 september 2022 kwam [verdachte] niet opdagen en was hij telefonisch niet te bereiken. Ik heb meerdere pogingen gedaan om met hem in contact te komen, echter zonder resultaat. Aan het eind van de dag, laat op de avond, heb ik toch telefonisch contact met hem weten te krijgen. Ik hoorde dat hij op voornoemde dag in alle vroegte door de politie van zijn bed was gelicht. Dit was de reden dat hij niet bereikbaar was.


Uiteindelijk is [verdachte] omstreeks 20 september, na allerlei smoesjes, begonnen met de werkzaamheden. De werkzaamheden die hij verricht heeft waren grove sloopwerkzaamheden in de hal, keuken, badkamer en toilet. Deze werkzaamheden hebben ongeveer een week in beslag genomen. Bij deze werkzaamheden kwam een aantal verborgen gebreken aan het licht. Ik hoorde van [verdachte] dat dit extra werkzaamheden voor hem waren, en dat hij deze zou verhelpen. Echter zijn de werkzaamheden nooit uitgevoerd. Gedurende de werkzaamheden heeft [verdachte] mij meerdere malen gevraagd om een betaling te doen. Ik hoorde hem zeggen dat zijn rekeningen geblokkeerd waren en dat hij geld nodig had voor het aanschaffen van materiaal. Ik heb in totaal 3025 euro aan [verdachte] overgemaakt op meerdere rekeningnummers, te weten:
- [rekeningnummer] ten name van [verdachte]
- [rekeningnummer] ten name van [verdachte] (betaald via een Tikkie)
De betalingen zouden onder andere zijn voor het vervangen van de elektriciteit, en aanschaffen van materiaal. Ik heb echter nooit gezien dat [verdachte] hier iets mee heeft gedaan.


Omstreeks 10 oktober 2022 waren er naast de sloopwerkzaamheden nog geen andere werkzaamheden uitgevoerd. Ik heb [verdachte] hierop aangesproken en ik kreeg telkens weer een ander excuus te horen. Ik hoorde [verdachte] de volgende excuses gebruiken:
- De installateur genaamd [naam] , was op zijn hoofd gevallen, bleek een hersentumor te hebben en kon niet meer werken.
- De vervanger van [naam] , ene [naam] , zou de werkzaamheden oppakken, maar kwam steeds niet opdagen. Hierdoor kon [verdachte] ook niet verder.
- [verdachte] had een kast op zijn voet laten vallen waardoor hij niet meer kon lopen.
- [verdachte] zou ziek in bed liggen.
- [verdachte] moest op zoek naar een nieuwe installateur. Deze had hij gevonden in ene [naam] . Echter kon [naam] niet meteen beginnen maar liet dit minstens een week op zich wachten.
- [verdachte] zijn auto was kapot.
- Er zou beslag gelegd zijn op de auto van de nieuwe installateur.


Op 10 januari 2023 waren de werkzaamheden nog niet afgerond. Op woensdag 11 januari 2023 heb ik [verdachte] via de Whatsapp een bericht gestuurd dat ik de samenwerking stop wilde zetten.


Ik heb zelf een onderzoek ingesteld naar de volledige identiteit van [verdachte] . Ik kwam erachter dat [verdachte] eigenlijk [verdachte] heet. Hier kwam ik achter omdat [verdachte] mij via de Whatsapp een bloedprikformulier stuurde.


Ik kwam erachter dat het Kamer van Koophandelnummer dat op de offerte stond, te weten [nummer 1] , niet bestond. Ik kwam erachter dat het adres dat op de offerte stond niet bestond.


Als ik van te voren had geweten dat [verdachte] valse gegevens had opgegeven was ik niet akkoord gegaan met de uitgebrachte offerte en had ik geen betalingen gedaan aan hem.


Als bijlage is gevoegd: een verbouwovereenkomst tussen opdrachtgever: [benadeelde 12] en ondernemer [Bedrijf] , adres [adres] (pagina 51 e.v.)


30. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 maart 2023, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023039065-7, inhoudende als verklaring van
verdachte
:


V: Hij ( [benadeelde 12] ) heeft een aanbetaling van 3280 euro gedaan. Hij heeft dat bedrag contant aan jou betaald, is dat juist?
A: Ja, dat kan kloppen.


V: Deze vrouw ( [benadeelde 11] ) heeft op 6 september 2022 een voorschot van 714,40 euro overgemaakt op de rekening [rekeningnummer] . Dit was bedoeld voor de aanschaf van materialen. Van wie is die rekening?
A: Dat is de rekening van mijn vrouw en mij. De rekening staat op naam van [Vrouw van verdachte] .


V: Ik heb de berichten uitwisseling tussen jou en [benadeelde 11] . Daarin staan een heleboel excuses voor het feit dat er geen werk gedaan kon worden. Wat kun jij daarover verklaren?
A: Het zijn excuses om weer een dag extra te krijgen, het waren smoesjes.


31. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2021, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord Nederland met nummer PL0100-2021233266 d.d. 18 augustus 2023, genummerd PL0100-2021233266-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 13]

:


Samen met mijn vriend genaamd [slachtoffer 2] , heb ik een huis gekocht aan de [adres] . Aan dit huis moest nog het één en ander gebeuren en hiervoor waren wij op zoek naar een aannemer die ons zou kunnen helpen. Via het social-media platform "Facebook" hadden wij een oproep geplaatst, wie ons zou kunnen helpen met de verbouwing en hier kregen wij een reactie op van ene [Vrouw van verdachte] . Later bleek dit de vrouw van de aannemer die ons zou helpen genaamd [verdachte] , roepnaam [verdachte] . In de reactie van deze [Vrouw van verdachte] stond dat er een klant was weggevallen en zij hierdoor ruimte in hun agenda hadden om ons te helpen. Hierop telefonisch contact gehad met [verdachte] en op 9 juli 2021 hebben wij met hem afgesproken in [plaats] voor het opmaken van een offerte. Het telefoonnummer die wij van hem kregen was [telefoonnummer 3] .


Op vrijdag 9 juli 2021 hadden wij afgesproken.


Het eerste contact verliep allemaal goed, hij was vriendelijk en leek kundig. Hierdoor hadden wij er het volste vertrouwen in dat hij ons wel zou kunnen helpen. [verdachte] heeft gelijk ter plaatse een prijsopgave gemaakt van zijn werkzaamheden en hier zijn wij mee akkoord gegaan. De volgende dag op zaterdag 10 juli 2021 hebben wij weer afgesproken met [verdachte] om het contract te tekenen en een voorschot te betalen. [verdachte] had het contract bij zich. Het totaalbedrag bedroeg 5350 euro, dit was exclusief materialen. Als voorschot hadden wij afgesproken dat wij 30 procent zouden betalen en dit kwam neer op 1605 euro.


In de week van 19 tot 24 juli zou [verdachte] langskomen om de badkamer te stuken en op 26 juli zou hij beginnen met het vervangen van het dak. Maar [verdachte] heeft toen afgebeld. De dakdekker waarmee hij samenwerkte zou een ongeluk hebben gehad en hij moest met spoed iets anders regelen. Op 27 juli heeft hij ook afgebeld en uiteindelijk is hij op dinsdag 3 augustus 2021 weer langs geweest zonder dakdekker en heeft toen onze toilet eruit gehaald en heeft hij nog wat andere kleine breekwerkzaamheden uitgevoerd. Wij ontvingen constant berichten van [verdachte] dat hij het wel zou regelen. Iedere keer kwam hij weer met andere smoesjes en omdat wij niemand anders voor deze werkzaamheden konden vinden gaven wij hem nog het voordeel van de twijfel.


Op 12 augustus 2021 heb ik telefonisch contact met [verdachte] gezocht om hem te vertellen dat wij geen vertrouwen meer in hem hebben en dat wij het contract wilden ontbinden. Ik heb toen met [verdachte] afgesproken dat hij het voorschotbedrag zou terugstorten op onze gezamenlijke rekening.


Dit is tot op heden niet gebeurd en ons vertrouwen in [verdachte] is volledig weg.

32. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 20 mei 2026, inhoudende als verklaring van [benadeelde 13]:


Heeft u toen hij langskwam vragen aan hem gesteld?

Hij vertelde dat zijn bedrijf, dat hij samen met een compagnon had, failliet was en dat hij nu voor zichzelf verder was gegaan en nu nog geen KvK-nummer had.



Als je een klus voor een huis hebt en je al wat twijfels hebt, en hij bovendien vertelde dat hij failliet was gegaan. Dat klinkt mij in de oren dat er alarmbellen af kunnen gaan.

Er was iets met een compagnon. Nu u het zo aan mij vraagt weet ik dat over het failliet gaan niet zeker. Er was iets waarom hij nog niet geregistreerd was. Maar niet dat het vraagtekens bij ons opriep.



Op wat voor termijn kon hij aan het werk?

Er was een klus uitgevallen, zei hij. Dus het kon wel op vrij korte termijn.


33. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 maart 2023, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord Nederland met nummer PL0100-2023319713 d.d. 23 januari 2024, genummerd PL0100-2023072860-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 14]

:


Op woensdag 15 februari 2023, had ik een advertentie geplaatst op [Website 1] voor het renoveren van het toilet. Kort nadat ik de advertentie had geplaatst kreeg ik al een reactie van ene [verdachte] . Hij gaf heel positief aan dat hij dit wel wilde doen, omdat er een grote klus was uitgevallen.


Op zaterdag 18 februari 2023, kwam [verdachte] al langs om de klus te bekijken. Hij gaf aan dat het prima was te doen. [verdachte] zou het toilet opnieuw stuken en betegelen. Hij zei dat hij maandag 27 februari 2023 kwam om aan de klus te beginnen. Op woensdag 22 februari 2023 ontving ik op mijn mail de factuur en de werkovereenkomst. De mail was afkomstig van het emailadres [e-mailadres 2] . In de werkovereenkomst stond dat ik een aanbetaling moest doen van 514,48 euro. Het totaalbedrag was 1286,20 euro. Ik moest vooraf 40 procent van het totaalbedrag betalen. Dit had [verdachte] van te voren ook al aangegeven.


Ik heb diezelfde dag op 22 februari 2023 ook direct de aanbetaling overgemaakt. Ik heb 514,48 euro overgemaakt op het bankrekeningnummer: [rekeningnummer] op naam van [Bedrijf] .


Op 23 februari 2023 werd ik er op geattendeerd door een collega van mij dat [verdachte] een oplichter is.


Ik vertrouwde het niet meer en ik heb toen op zaterdag 25 februari 2023 [verdachte] opgebeld om te zeggen dat ik het contract wilde beëindigen. Ik belde hem op het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Ik heb toen uitgelegd dat ik de reviews heb gelezen en het niet meer vertrouwde dat hij zich aan de afspraken zou gaan houden en dat ik mijn aanbetaling terug wilde. [verdachte] bedankte mij voor mijn eerlijkheid en begreep het ook wel. Hij zei meerdere keren dat ik mijn geld terug zou krijgen en dat alles goed zou komen.


Op 01 maart 2023 ontving ik een email waarin ik moest bevestigen dat ik het contract wilde beëindigen en zodra ik dit had gedaan ik mijn geld terug zou ontvangen. Ik heb hier akkoord op gegeven. [verdachte] gaf aan dat ik direct mijn geld terug zou krijgen. Dit beloofde hij toen meerdere dagen achter elkaar en iedere keer was er weer een andere smoes.


Vervolgens heb ik nog een review geplaatst op 17 maart 2023. Dit was het laatste contact met [verdachte] en ik heb tot op heden nog steeds mijn geld niet terug.

34. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 8 januari 2026, inhoudende als verklaring van [benadeelde 14]:


We hebben het over een gebeurtenis die best een tijd geleden is. U heeft ongeveer drie jaar geleden aangifte gedaan. Het ging om het renoveren van een toilet. Waar ik nieuwsgierig naar ben, is hoe het traject verliep van het renoveren tot het betalen van het werk.

Hij kon het snel doen omdat er een aantal grote klussen waren uitgevallen.



U vertelde dat hij het snel kon doen omdat er klussen waren uitgevallen. Heeft hij nog meer verteld over zichzelf of over zijn bedrijf?

In verband met de aanbetaling zei hij dat het gebruikelijk was omdat hij materiaal moest inkopen.



Begreep ik goed van u dat u de aanbetaling had gedaan en u via een kennis hoorde dat het een oplichter zou zijn. Toen heeft u de overeenkomst ontbonden? Dat was voordat hij überhaupt bij u begonnen was?

Er was al wel een afspraak gemaakt, die had hij afgezegd.



Er was één keer een afspraak afgezegd, hoe ging dat precies?

Ja er was iemand ziek of iemand overleden.


35. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 oktober 2023, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023285363-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 3]

:


Ik ben mijn woning aan het verbouwen en via een website: [Website 2] hebben wij een zoekopdracht uitgezet voor een stukadoorklus in mijn woning. [verdachte] was een van degenen die reageerden. [Bedrijf] was het bedrijf waar hij mee reageerde. Hij had de duurste offerte, maar had wel de beste voorwaarden en kwam op ons het meest proactief over.


In het begin is hij in onze woning geweest om te kijken. Een week later, 19 september 2023, is hij begonnen met de werkzaamheden in mijn woning. Hij had zijn zoon [zoon van verdachte] bij zich. Hij heeft toen wat in de voorstrijk gezet. Op 22 of 23 september zou hij beginnen voor het elektrisch. Toen is hij gekomen met een andere aannemer, ene [naam] uit [plaats] . Deze heeft bij ons de muren opgebroken en heeft wat kabels losgetrokken. Hij heeft toen was buisjes aangelegd waar de stroomkabels doorheen zouden moeten, maar dat was het wel. In de initiële offerte was 180m2 muur en 90m2 plafond stuken en verven opgenomen voor 9000 euro met een aanbetaling 2750 euro.


Na deze werkzaamheden is [verdachte] nooit meer bij ons geweest. Wij hebben via Whatsapp constant contact met hem gezocht en we kregen steeds excuses waarom hij niet kon komen. Er was steeds weer een andere smoes. Dat contact hebben wij met hem gehad tot 9 oktober 2023 via Whatsapp.


36. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2023, opgenomen op pagina 13 van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023285363-3, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :


Op verzoek van collega's politie [plaats] heb ik, contact opgenomen met aangever [benadeelde 3] .


Ik stelde de aangever de volgende vragen:


V: Waaruit bleek dat hij het meest proactief werd? Wat waren de goede voorwaarden?
A: [verdachte] kwam proactief in persoon langs en had een nette offerte gemaakt. Hij had zijn portfolio meegenomen met eerdere klussen, met daarop zijn naam en adres. Het leek allemaal netjes in orde.


V: Hoe is het voorschot betaald, via de bank? En naar welk rekeningnummer?
A: Het voorschot is betaald middels een overboeking naar [Bedrijf] met IBAN: [rekeningnummer] .

37. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris d.d. 8 januari 2026, inhoudende als verklaring van [benadeelde 3]:


In hoeverre was voor u bij de keuze voor degene die het zou gaan doen, van belang op welke termijn het zou worden uitgevoerd?

Redelijk belangrijk, we wilden het laten aansluiten op andere werkzaamheden die gedaan zouden worden.



Was het wel duidelijk wanneer hij kon beginnen?

Ja, we hadden een begindatum afgesproken. Toen het die datum was, heeft hij een bericht gestuurd of het een dag later kon worden.



Op enig moment doet u een aanbetaling?

Ja tweemaal.



Wat maakte dat u de eerste keer een aanbetaling deed?

Ik had zijn adres, als het niet goed zou gaan, zou ik hem wel vinden.



En de tweede keer?

Ik vertrouwde hem wel. Ik wist waarvoor de aanbetaling gebruikt zou worden, dat was voor de aanschaf van onderdelen voor het elektriciteitswerk.


38. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 januari 2024, opgenomen op pagina 129 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023285363 17, inhoudende als verklaring van
verdachte
:


V: Uit de gegevens van aangever (het hof begrijpt: [benadeelde 3] ) bleek dat er 650,00 euro werd overgemaakt naar rekening [rekeningnummer] op naam van [Vrouw van verdachte] . Wat voor rekeningnummer is dat?
A: Dat is die privérekening van ons, op naam van mijn vrouw en van mij volgens mij.


39. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2024, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023285363-16, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :


Op dinsdag 2 januari 2024 bekeek ik de verstrekte historische gegevens van IBAN rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [verdachte] .


Ik bekeek het transactieoverzicht van [rekeningnummer] . Ik zag afschrijvingen van kleine bedragen naar Google Play Apps en onder andere voornamelijk betalingen aan verschillende winkels zoals bouwmarkten, supermarkten en tankstations.
Ik zag dat er op 22 februari 2023 een bedrag van 514,48 euro werd bijgeschreven op de rekening van [Bedrijf] . Het geld werd overgemaakt door IBAN nummer [rekeningnummer] o.n.v. [benadeelde 14] .
Ik zag dat er op 3 maart een bedrag van 1950,00 euro werd bijgeschreven door [naam] eo [benadeelde 15] , onder vermelding van "Materiaal'. Ik zag dat er op 3 maart drie keer een bedrag werd afgeschreven. Ik zag dat er 700,00 euro werd opgenomen bij een Geldmaat in [plaats] . Ik zag dat er 700,00 euro werd overgemaakt onder vermelding van Huur maart 2023. En ik zag dat er 500,00 euro werd overgemaakt naar IBAN [rekeningnummer] o.n.v. [Vrouw van verdachte] met de omschrijving "Huishoud geld".


Ik zag dat er op 10 maart 2023 een bedrag van 2754,90 euro werd bijgeschreven, afkomstig van [rekeningnummer] o.n.v. [benadeelde 3] , onder vermelding van Factuur INV0188.


40. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2024, opgenomen op pagina 118 van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023285363-14, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :


Op vrijdag 22 december 2023 bekeek ik de verstrekte historische gegevens van IBAN rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [Vrouw van verdachte] . Ik zag dat er op 15 september 2023 omstreeks 12:42 uur een bedrag van 650,00 euro op de rekening werd bijgeschreven.


Ik zag de volgende omschrijving: "Boodschappen". Ik zag dat dit bedrag werd gestort door tegenrekening [rekeningnummer] op naam van [benadeelde 3] .


41. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 juli 2023, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023175388 d.d. 23 januari 2024, genummerd PL0100-2023175388-2, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 15] :


Eind februari 2023 waren mijn man en ik op zoek naar een aannemer om onze badkamer te verbouwen. Op [Website 1] zagen wij diverse advertenties.


Met één bedrijf wilden wij in zee gaan. Dit was [Bedrijf] .
Het KvK nummer is [nummer 2] .
Het emailadres van het bedrijf is [e-mailadres 3] .
De aannemer van dit bedrijf is bij ons thuis geweest om de badkamer te bekijken en de werkzaamheden te bespreken.
De aannemer deed zich voor als [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Hij gaf geen achternaam.
Het contact was goed. Het zag er allemaal professioneel uit. De werkzaamheden die hij zou gaan doen, leken ons ook goed.
Al met al voelde het allemaal goed om met [verdachte] in zee te gaan.
De renovatie zou ongeveer 2,5 week duren.


We kregen een werkovereenkomst van [verdachte] . Dit was op 28 februari. Dit hebben we ondertekend. Er was met [verdachte] afgesproken dat we een aanbetaling zouden doen. We zouden in gedeeltes betalen. We hebben de eerste aanbetaling aan [verdachte] betaald. Dit was 1950 euro. De betaling was op 3 maart. Het bankrekeningnummer waarop het geld is overgemaakt is [rekeningnummer] , omschrijving materiaal, t.n.v. [Bedrijf] .



[verdachte] is begonnen met de renovatie van de badkamer op maandag 3 april. In deze week is [verdachte] er niet elke keer geweest, want hij had allerlei excuses. Op zaterdag 8 april hebben we de eerste aanbetaling gedaan van 1000,- euro. Wij hebben dit contant betaald aan [verdachte] .


De week erna is [verdachte] wel weer 1 dag gekomen, maar ook toen waren er weer smoesjes waarom hij niet meer kon komen. Op donderdag 13 april is [verdachte] geweest om weer wat aan de badkamer te doen. Hij is toen begonnen aan de eerste rij wandtegels. Hiervoor is er weer een deel van de renovatie betaald. Dit was 1750,- euro. Ook dit bedrag hebben we contant betaald aan [verdachte] .



[verdachte] kwam af en toe ineens een dag wel weer wat doen. Maar er waren constant smoesjes waarom hij niet kon komen.


Op woensdag 7 juni is [verdachte] voor de laatste keer bij ons geweest.


Tot op heden hebben we niks ontvangen en ook niks meer gehoord.


42. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 12 januari 2024, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023175388-5, inhoudende als verklaring van

[benadeelde 15]

:


Ik kan u vertellen dat;
- Het uitbreken van het sanitair en de vloer zijn uitgevoerd.
- Het plaatsen van de draagbalk, het aanbrengen van de watervaste spano-vloer en de waterdrain zijn niet deugdelijk uitgevoerd bleek later. Zo lag de draagbalk verkeerd om en de waterdrain lag ook niet goed.
- De afzuiging is niet geplaatst.
- De afvoer is wel aangelegd echter bleek ook niet op de juiste wijze.
- Het aanleggen van de elektra is niet afgemaakt.
- De egaline-vloer is niet gestort en ook de kimband is niet aangebracht.
- De wand en vloertegels zijn voor een deel geplaatst en gevoegd echter vielen een aantal weer van de wand daar deze niet op de juiste wijze was bevestigd.
- Het inbouwtoilet is niet geplaatst.


Uiteindelijk heeft een andere aannemer de renovatie van onze badkamer overgenomen. Hij heeft alles wat er aan werkzaamheden was verricht eruit moeten halen. Leidingen waren niet goed aangelegd, elektra bleek niet goed et cetera.


43. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 januari 2024, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, genummerd PL0100-2023175388-7, inhoudende als verklaring van
verdachte
:


Mevrouw [benadeelde 15] , wonende aan de [adres] , heeft aangifte gedaan tegen jou.


V: Aangeefster verklaart dat op 3 maart 2023 door hen voldaan is aan de afgesproken aanbetaling. Een bedrag van 1950,- euro is overgemaakt naar een rekening namelijk: [rekeningnummer] . Vertelt u eens.
A: Dat klopt.


V: Aangeefster verklaart dat zij weer een betaling heeft gedaan op zaterdag 8 april 2023 en dat zij je toen contant hebben betaald. Vertel eens?
A: Ja, de tweede betaling was contant, als dit 8 april was dan zou dit wel kloppen. Er staat mij iets bij van 1700 of 1600 euro cash en later nog eens 1000 volgens mij. Als zij zeggen 2600 euro dan geloof ik het ook.



Bewijsoverweging




Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.



Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde oplichtingen. Hiertoe heeft hij – kort samengevat –aangevoerd dat verdachte geen oogmerk heeft gehad om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen.



Oordeel van het hof



Feiten en omstandigheden



Verdachte heeft over een tijdsbestek van meerdere jaren – in elk geval van juli 2021 tot en met oktober 2023 – verschillende klussen aangenomen onder de bedrijfsnamen ‘ [Bedrijf] ’, ‘ [Bedrijf] ’, ‘ [Bedrijf] ’ en ‘ [Bedrijf] ’. De bedrijven [Bedrijf] en [Bedrijf] stonden niet op naam van verdachte, maar op die van [X] , een zwager van een kennis van verdachte. Verdachte deed zich naar buiten toe voor als iemand die bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden verrichtte. In de periode van 9 juli 2021 tot en met 9 oktober 2023 heeft verdachte met de 16 in de tenlastegelegde genoemde aangevers afspraken gemaakt over het verrichten van bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden. Verdachte is via het internet, in de meeste gevallen via [Website 1] , met aangevers in contact gekomen. Vervolgens heeft er telkens tussen de opdrachtgevers en verdachte eerst telefonisch of via de mail en daarna in persoon contact plaatsgevonden. Een aantal aangevers verklaart specifiek dat verdachte kundig en professioneel overkwam, waardoor zij het vertrouwen kregen dat hij de klus daadwerkelijk, adequaat en op korte termijn zou uitvoeren. Verdachte deed voorkomen alsof hij een goedlopend bedrijf met personeel had, terwijl hij feitelijk steeds nieuwe bedrijven begon, omdat eerdere bedrijven opgeheven waren, al dan niet omdat ze failliet waren verklaard. Verdachte had geen eigen personeel. Verdachte deed voorkomen alsof hij gespecialiseerd was in alle vormen van bouwwerkzaamheden, zoals het renoveren van badkamers en het aanleggen van elektra en loodgieterswerk, terwijl hij enkel ervaring met stukadoors- en sloopwerk had. Verdachte gaf veelal aan dat hij direct aan de slag kon gaan, omdat een andere grote klus was komen te vervallen, terwijl daarvan niet gebleken is. Verdachte stuurde steeds een offerte waarin de werkzaamheden waren gespecificeerd. Op die offertes stond een onjuist adres. Nadat verdachte en aangevers vervolgens waren overeengekomen dat verdachte de werkzaamheden zou verrichten, heeft hij telkens om een aanbetaling gevraagd en deze ook ontvangen. Verdachte heeft in veel gevallen aangegeven dat die aanbetaling bedoeld was om benodigde materialen van te kopen. Tevens werd telkens tussen partijen een startdatum voor de werkzaamheden afgesproken. Nadat verdachte de aanbetaling had ontvangen en zou beginnen met de overeengekomen werkzaamheden, stuurde hij echter telkens een bericht dat hij verhinderd was om de werkzaamheden uit te voeren. Zo vertelde verdachte onder andere (meerdere keren) dat zijn collega gewond was, dat een collega zich van het leven had beroofd, dat verdachte zelf ziek was, dat zijn vrouw ziek was, dat personeel op cursus moest, dat er sprake was van materiaal- en autopech, dat besteld materiaal niet tijdig was geleverd en dat al zijn personeel corona had. Bij een deel van de opdrachtgevers is verdachte helemaal niet gestart met de overeengekomen werkzaamheden. Bij een aantal opdrachtgevers is verdachte wel gestart met de werkzaamheden, maar heeft hij deze niet afgemaakt of niet naar behoren verricht. Verdachte is veelvuldig door aangevers aangesproken op het feit dat hij afspraken niet nakwam. Verdachte beloofde vervolgens iedere keer dat hij op korte termijn alsnog de klus zou starten of afmaken. Toen de opdrachtgevers na het vele malen aanspreken van verdachte de overeenkomst met verdachte wilden ontbinden, heeft hij ze toegezegd om de aanbetaalde bedragen terug te storten. Dit heeft hij echter bij geen van de opdrachtgevers gedaan. Enkel aan [benadeelde 6] is een (klein) deel van de aanbetaling terugbetaald, maar niet dan nadat [benadeelde 6] hem met twee anderen thuis bezocht heeft.



Juridisch kader



Verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)). Voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen met als doel daarvan misbruik te maken. Daartoe moet verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, waardoor die ander is bewogen tot (in dit geval) de afgifte van een goed (geld).


Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een handeling, zijnde het voldoen van een aanbetaling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.



Oordeel van het hof



Het hof is van oordeel dat de door de verdediging verzochte vrijspraak ten aanzien van het ten laste gelegde in alle zaken die hier aan de orde zijn wordt weerlegd door de bovenstaande bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In aanvulling hierop overweegt het hof als volgt.



Door middel van oplichtingsmiddelen bewogen tot afgifte van geld

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte (in de zaken met parketnummers 18-109188-23 en 18-086108-23) een valse hoedanigheid heeft aangenomen, te weten die van een bonafide aannemer die de door aangevers gevraagde bouw-, sloop- of renovatiewerkzaamheden naar hun wensen kon en ook wilde uitvoeren. Verdachte heeft in nagenoeg alle gevallen gebruik gemaakt van een valse naam. Hij heeft zich immers voorgesteld als [X] en [verdachte] . Aangevers konden eventuele negatieve recensies over verdachte of een bedrijf van verdachte dan ook niet vinden. Daarnaast deed verdachte zich voor als een aannemer die alle soorten opdrachten kon en wilde uitvoeren en dat hij hiervoor ook personeel tot zijn beschikking had, terwijl hij tijdens de zitting in hoger beroep verklaarde dat hij geen mensen in dienst had en zelf in feite voor [collega verdachte] en of [X] werkte. Ook gaf hij aan dat hij maar alleen of met twee man was. Voorts verklaarde verdachte tijdens de zitting dat stuken zijn hoofdwerkzaamheid is en er iemand anders was voor bijvoorbeeld het aanleggen van gas, water en licht. Ook zijn zoon verklaart dat verdachte enkel stukadoor is en af en toe iets sloopt. Dat verdachte het aanleggen van waterleidingen zelf niet kon, blijkt ook uit de aangifte van aangever [benadeelde 4] waaruit volgt dat de leidingen in de badkamer niet deugdelijk waren aangelegd omdat er geen knelkoppelingen waren bevestigd. Verdachte vertelde verder aan een groot deel van de aangevers dat er een (grote) klus was uitgevallen waardoor hij op korte termijn kon beginnen. Dat dit het geval was is het hof niet gebleken en bovendien tegenstrijdig met de verklaringen van verdachte op zitting waarin hij aangaf dat hij niet in staat was om (binnen de afgesproken termijnen) alle werkzaamheden te verrichten omdat hij qua werk overliep. Daarnaast heeft zijn echtgenote aangegeven dat hij zelfs niet in staat was thuis de klussen af te maken, omdat hij daar de kracht niet voor had.


Bij het aangaan van de opdrachten heeft verdachte nog meer onwaarheden genoemd. Zo heeft verdachte in de zaak met parketnummer 18-109188-23 doen voorkomen alsof het bedrijf [Bedrijf] op zijn naam stond, terwijl dit op naam van [X] stond. Ook is gebleken dat het in de verbouwovereenkomsten opgenomen vestigingsadres van [Bedrijf] , [adres] , een leegstaand pand betrof en niet was verhuurd of verkocht aan [Bedrijf] . Verdachte verklaarde tijdens de zitting in hoger beroep dat hij niet anders wist dan dat dit pand werd gehuurd, maar uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in ieder geval tegen aangever [benadeelde 4] heeft gezegd dat hij het betreffende pand in [plaats] had gekocht. In ieder geval vonden zijn werkzaamheden niet vanuit dit adres plaats. Verder is gebleken dat verdachte zich bediende van de bedrijfsnaam [Bedrijf] ., maar daarbij ook een niet-bestaand adres heeft opgegeven ( [adres] ) en dat het KvK-nummer van dat bedrijf niet bestond. Door een onjuist adres te gebruiken, maakt verdachte zich onvindbaar voor benadeelden. Tegenover bepaalde aangevers heeft verdachte bovendien verklaard een bedrijf in Duitsland te hebben (gehad) en deed voorkomen dat dat recent was. Ook dit strookt niet (volledig) met de waarheid nu verdachte tijdens de zitting in hoger beroep zelf heeft verklaard dat hij tot ongeveer zijn 45e à 50e levensjaar in Duitsland heeft gewerkt. Verdachte was ten tijde van de hiervoor genoemde uitspraak ongeveer 55 jaar oud. Verdachte heeft aan meerdere aangevers gezegd dat de aanbetaling nodig was om materialen van te kopen. Uit de bankgegevens van verdachte blijkt niet van dergelijke aankopen, maar van het gebruik van het geld, dat meteen doorgestort werd naar zijn eigen rekening of die van zijn gezinsleden, voor privédoeleinden. Verdachte heeft zelf op de zitting verteld dat hij het ene gat met het andere vulde. Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels, het aannemen van een valse naam en ten slotte het aannemen van een valse hoedanigheid van bonafide aannemer.


Gelet op het voorgaande heeft verdachte een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen waardoor aangevers met hem in zee zijn gegaan en zijn bewogen tot de afgifte van de aanbetaalde geldbedragen. Door zich op die manier te presenteren op kluswebsites zoals [Website 1] , gebruik te maken van professionele offertes en overeenkomsten en toezeggingen te doen om de bouw- sloop- en renovatiewerkzaamheden op zeer korte termijn uit te voeren en aan te geven dat hij de betalingen nodig had om materialen te kopen, heeft verdachte het vertrouwen van aangevers gewonnen om de werkzaamheden door verdachte te laten uitvoeren en aanbetalingen door hen te laten betalen. Daarbij komt dat het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat men op basis van goed vertrouwen een aanbetaling doet voorafgaand aan de (bouw)werkzaamheden aan een woning, omdat door de aannemer vooraf kosten worden gemaakt voor de aanschaf van materialen. Dan levert het op bedrieglijke wijze handelen in strijd met dat verwachtingspatroon het aannemen van een valse hoedanigheid op, aangezien in het rechtsverkeer de juistheid van zo'n verwachting tot uitgangspunt pleegt te worden genomen. Als verdachte zich niet had voorgedaan als een te vertrouwen, vakbekwame aannemer, die de aangenomen opdrachten vrijwel direct zou uitvoeren zoals overeengekomen, zouden aangevers het geld niet hebben afgegeven.



Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

Het hof is ook van oordeel dat verdachte het oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen. Verdachte heeft (grotendeels) zelf actief mensen benaderd om de werkzaamheden te verrichten. Dit terwijl hij, zoals hij tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard, wist dat hij de werkzaamheden binnen de afgesproken termijn niet alleen kon uitvoeren en daarnaast ook (naast af en toe een helpende hand van zijn zoon) geen personeel had om het te doen. Zijn vrouw verklaarde daarnaast bij de politie dat verdachte ook thuis klussen niet afhandelde omdat hij hier de kracht niet meer voor had. Toch heeft verdachte aangevers een aanbetaling laten doen. In alle gevallen zijn (een groot deel van) de aanbetalingen op de rekening van verdachte of zijn gezinsleden terechtgekomen. Verdachte heeft dat geld veelal op de dag van betaling aangewend voor privédoeleinden, zoals huur en boodschappen. Verdachte heeft verklaard dat de ontvangen aanbetalingen zijn gebruikt voor de aanschaf van bouwmaterialen, maar die stelling is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd en blijkt overigens ook niet uit het dossier. Uit de bankafschriften in het dossier volgt namelijk niet dat die betalingen rechtstreeks en volledig zijn uitgegeven aan materialen. Hoewel uit de bankafschriften in het dossier blijkt dat er enkele aankopen zijn gedaan bij een bouwmarkt, zijn die uitgaven niet dusdanig groot dat deze de omvang van de aanbetalingen omvatten. Door de klussen keer op keer aan te nemen terwijl hij daar zelf de deskundigheid niet voor had en er in zijn eentje voorstond en daarom wist dat hij de klussen niet kon afmaken, toch een aanbetaling te verzoeken, vervolgens die aanbetalingen vrijwel direct aan te wenden voor privédoeleinden en deze niet terug te betalen, is het hof van oordeel dat verdachte het oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen.


Dat verdachte bij het aangaan van de opdrachten de intentie had de opdrachten daadwerkelijk uit te voeren, zoals de verdediging tijdens de zitting heeft aangevoerd, acht het hof geheel ongeloofwaardig. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof een patroon vast waarbij verdachte gedurende een lange periode bij een groot aantal aangevers keer op keer dezelfde werkwijze heeft gehanteerd. Hij heeft zich telkens in strijd met de waarheid voorgedaan als aannemer die voornemens was na de aanbetaling de werkzaamheden (naar behoren en tijdig) te verrichten. Vervolgens is hij afspraken niet nagekomen en zijn de werkzaamheden niet (geheel) verricht. Hierbij heeft verdachte smoesjes (leugens) gebruikt (zoals ziekte en sterfgevallen) om niet te verschijnen op de klussen. Op de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verdachte verklaard leugens te hebben gebruikt om zijn niet verschijnen op of uitstel van een klus te verklaren. Weliswaar zijn de door verdachte gebruikte leugens over de redenen dat hij de werkzaamheden afzegde, aan aangevers medegedeeld nadat zij de opdracht al hadden gegeven en de aanbetalingen hadden gedaan (en dus zijn zij niet bewogen door die leugens), maar uit het feit dat verdachte stelselmatig dezelfde soort smoesjes aanwendde vrijwel direct nadat de aanbetalingen gedaan zijn, blijkt dat hij – gelet op het patroon hiervan – nimmer van plan of in staat is geweest de werkzaamheden uit te voeren.



Conclusie

Gelet op het hiervoor overwogene en de eerder vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte door het gebruik van oplichtingsmiddelen bij alle aangevers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor zij zijn bewogen tot afgifte van geld en dat hij op geen moment van plan is geweest om de overeengekomen werkzaamheden (volledig, tijdig en zoals overeengekomen) uit te voeren. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem in de hiervoor genoemde zaken ten laste gelegde oplichtingen heeft begaan.



Modus operandi als schakelbewijs

In de zaken met parketnummers 18-248628-23, 18-024748-24 en 18-071833-24 heeft verdachte voorafgaande aan de aanbetalingen niet (aantoonbaar) gebruik gemaakt van een valse naam of feitelijke onwaarheden.


Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gebruik van bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten onder bepaalde omstandigheden als ondersteunend bewijs (schakelbewijs) gebruikt kunnen worden. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag (modus operandi) van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.


Het hof stelt vast dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de modus operandi bij de verschillende ten laste gelegde oplichtingen op essentiële punten belangrijke overeenkomsten en kenmerkende gelijkenissen vertoont:



verdachte is met alle aangevers in contact gekomen via internet en deed zich bij alle aangevers voor als betrouwbare aannemer, waarbij hij in een enkel geval zelfs een portfolio meenam om dat te staven;


verdachte verklaarde (in ieder geval) tegenover aangevers [benadeelde 13] en [benadeelde 14] dat hij ruimte had om snel aan de slag te kunnen omdat een (grote) klus was uitgevallen;


bij alle aangevers maakte verdachte professionele offertes en overeenkomsten op;


verdachte had niet de vereiste expertise voor de overeengekomen klussen;


alle aangevers moesten een aanbetaling doen, met name vanwege het inkopen van materiaal;


bij alle aangevers kwam verdachte vrijwel direct na de aanbetalingen met smoesjes om de werkzaamheden niet te hoeven verrichten of niet af te maken;


bij alle aangevers zijn de werkzaamheden niet of niet volledig uitgevoerd en is het aanbetaalde bedrag niet terugbetaald;


bij nagenoeg alle aangevers is het aanbetaalde bedrag direct bij verdachte terechtgekomen en voor een groot deel besteed aan privédoeleinden, zoals het betalen van huur of boodschappen.



Hoewel aangever [benadeelde 14] de samenwerking met verdachte zelf vroegtijdig heeft stopgezet, heeft verdachte ook hier voor de eerste afspraak een smoes gebruikt om niet te hoeven komen en voor het overige dezelfde werkwijze als in de overige tenlastegelegde oplichtingen toegepast. Het handelen van verdachte in deze zaken past precies bij het eerder vastgestelde en voor hem kenmerkende patroon. Het hof acht voorgaande modus operandi voldoende specifiek om als schakelbewijs in de zin van ondersteunend bewijs in de bewijsconstructie van de ten laste leggingen in de zaken met de hiervoor genoemde parketnummers te gebruiken en acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde oplichtingen in de zaken met parketnummers 18-248628-23, 18-024748-24 en 18-071833-24 heeft begaan in die zin dat hij de valse hoedanigheid van een betrouwbare aannemer heeft aangenomen.



Vrijspraak medeplegen (18.109188.23 en 18.086108.23)

In de zaken met parketnummers 18.109188.23 en 18.086108.23 is ten laste gelegd dat
verdachte de feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Het hof zal verdachte van dit onderdeel vrijspreken, nu uit de dossiers niet van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen blijkt.



Bewezenverklaring



Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaken met parketnummers 18-109188-23, 18-086108-23, 18-248628-23, 18-024748-24 en 18-071833-24 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:


in de zaak met parketnummer 18-109188-23:


hij in de periode van 16 november 2021 tot en met 12 augustus 2022 in Nederland, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de navolgende personen (opdrachtgevers) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 51.845,- euro) te weten:

1. [slachtoffer 1] , tot de afgifte van 1500,- euro en
2. [benadeelde 4] , tot de afgifte van 2300,- euro en
3. [benadeelde 5] , tot de afgifte van 3040,- euro en
4. [benadeelde 6] , tot de afgifte van 3030,- euro en
5. [benadeelde 7] , tot de afgifte van 840,- euro en
6. [benadeelde 1] , tot de afgifte van ongeveer 9000,- euro en
7. [benadeelde 8] , tot de afgifte van 9390,- euro en
8. [benadeelde 9] , tot de afgifte van 9800,- euro en
9. [benadeelde 10] , tot de afgifte van 5700,- euro en
10. [benadeelde 2] , tot de afgifte van 7245,- euro
door (telkens) met voornoemd oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zijn, verdachtes, diensten aan te bieden en/of in contact te treden met bovengenoemde personen (opdrachtgevers) via de website ‘ [Website 1] ’, althans het internet en
- tegenover bovengenoemde personen (opdrachtgevers) zich voor te stellen als, althans gebruik te maken van de naam, [X] en/of
- zich voor te doen als zijnde een betrouwbare aannemer en/of dat hij, verdachte, een (goedlopend) bedrijf met personeel in Duitsland heeft en
- ten overstaan van de bovengenoemde personen (opdrachtgevers) te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten en
- van bovengenoemde personen (opdrachtgevers) een voorschot te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden;
- vervolgens tegenover bovengenoemde personen te verklaren om verschillende (leugenachtige) redenen geen werkzaamheden te kunnen verrichten en/of de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten en
- na het ontvangen van een voorschot/ aanbetaling de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken;

in de zaak met parketnummer 18-086108-23:


hij in de periode van 2 augustus 2022 tot en met 3 maart 2023 in Nederland, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de navolgende personen (opdrachtgevers) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 7019,40,- euro) te weten:

1. [benadeelde 11] , tot de afgifte van 714,40 euro en
2. [benadeelde 12] , tot de afgifte van 6305,- euro
door (telkens) met voornoemd oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zijn, verdachtes, diensten aan te bieden en in contact te treden met bovengenoemde personen (opdrachtgevers) via de website ‘ [Website 1] ’, althans het internet en
- tegenover bovengenoemde personen (opdrachtgevers) zich voor te stellen als, althans gebruik te maken van de naam, [verdachte] en
- zich voor te doen als zijnde een betrouwbare aannemer en
- ten overstaan van de bovengenoemde personen (opdrachtgevers) te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten en
- van bovengenoemde personen (opdrachtgevers) een voorschot te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden;
- vervolgens tegenover bovengenoemde personen te verklaren om verschillende (leugenachtige) redenen geen werkzaamheden te kunnen verrichten en/of de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten en
- na het ontvangen van een voorschot/aanbetaling de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken;

in de zaak met parketnummer 18-248628-23:


hij in de periode van 9 juli tot en met 23 augustus 2021 in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [benadeelde 13] en/of [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 1605, door

- zich voor te doen als een betrouwbare aannemer en vervolgens
- te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten en
- een voorschot te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden;
- na het ontvangen van een voorschot/aanbetaling de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken en
- te verklaren om verschillende (leugenachtige) redenen geen werkzaamheden te kunnen verrichten en/of de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten;

in de zaak met parketnummer 18-024748-24:

hij in de periode van 15 februari 2023 tot en met 9 oktober 2023 in Nederland, meermaals, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, de navolgende personen (opdrachtgevers) heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal 3264,48 euro) te weten:

1. [benadeelde 14] en
2. [benadeelde 3]
door (telkens) met voornoemd oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zijn, verdachtes, diensten aan te bieden en/of in contact te treden met bovengenoemde personen (opdrachtgevers) via de website ‘ [Website 1] ’ en/of ‘ [Website 2] ’, althans het internet en
- zich voor te doen als zijnde een betrouwbare aannemer en/of
- ten overstaan van de bovengenoemde personen (opdrachtgevers) te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten, omdat een grote klus is uitgevallen en
- van bovengenoemde personen (opdrachtgevers) een voorschot te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden en
- ( vervolgens) tegenover bovengenoemde personen te verklaren om verschillende (leugenachtige) redenen geen werkzaamheden te kunnen verrichten en/of de werkzaamheden niet te kunnen voortzetten en
- na het ontvangen van een voorschot/aanbetaling de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken;

in de zaak met parketnummer 18-071833-24:


hij in de periode van 20 februari tot en met 5 juli 2023 in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [benadeelde 15] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten geldbedragen, te weten € 1950 en € 1000 en € 1750, door

- zich voor te doen als een betrouwbare aannemer en vervolgens
- te zeggen dat hij de benodigde werkzaamheden wel zou kunnen verrichten en (daartoe) een werkovereenkomst te (laten) ondertekenen en
- voorschotten/aanbetalingen te vragen (en te ontvangen) voor de werkzaamheden en
- na het ontvangen van één of meer voorschotten/aanbetalingen de overeengekomen werkzaamheden niet te verrichten en/of niet af te maken.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.



Strafbaarheid van het bewezenverklaarde



Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaken met parketnummers 18-109188-23, 18-086108-23 en 18-024748-24 bewezenverklaarde levert telkens op:

oplichting, meermalen gepleegd.

Het in de zaken met parketnummers 18-248628-23 en 18-071833-24 bewezenverklaarde levert telkens op:

oplichting.




Strafbaarheid van verdachte



Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.



Oplegging van straf




Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf geen passende afdoening is voor het enkel leveren van slecht werk en verzoekt het hof een andere strafmodaliteit op te leggen. Ook gelet op de gezondheidssituatie van verdachte, het hebben van een driedubbele bypass, is een gevangenisstraf niet passend. De raadsman verzoekt het hof, mede gelet op het tijdsverloop, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden in combinatie met een taakstraf van 240 uren, of daarvan het dubbele of zelfs nog meer uren, op te leggen.



Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.


Verdachte heeft zich in de periode van 9 juli 2021 tot en met 9 oktober 2023 schuldig gemaakt aan oplichting van 16 personen. Daarbij kwam verdachte via klussites met aangevers in contact en deed hij zich voor als bonafide aannemer. Hij kwam bij aangevers thuis, bekeek de klussen en heeft vervolgens aanbetalingen gevraagd (en ontvangen). Afspraken om de werkzaamheden uiteindelijk uit te voeren, kwam verdachte echter niet of niet goed na. Het door aangevers overgemaakte geld kwam op rekeningen van verdachte of zijn gezinsleden terecht en is door verdachte grotendeels gebruikt voor privé-uitgaven. Hij heeft de vele aangevers met veel ellende achtergelaten, bijvoorbeeld door, daar waar hij wel begonnen was, aangevers achter te laten met gesloopte ruimten en sanitair. Zij hebben veel moeite moeten doen en kosten moeten maken om verdachtes sloopwerk te laten herstellen. Nadat aangevers de overeenkomst met verdachte wilden ontbinden, heeft verdachte aangevers telkens hoop gegeven door te zeggen dat hij de aanbetaalde geldbedragen zou terugbetalen. Verdachte heeft dit vervolgens niet gedaan. Verdachte heeft met zijn handelen misbruik gemaakt van het door hem opgewekte en in hem gestelde vertrouwen en daarmee in de aannemersmarkt als geheel. Dergelijk handelen kan ervoor zorgen dat aangevers (en hun omgeving) geen vertrouwen meer hebben in aannemers, die zij wel nodig hebben voor het uitvoeren van klussen aan hun woningen, nu zij zelf die expertise niet hebben. En nu het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is aanbetalingen te doen, is het niet ondenkbaar dat zij grote moeite zullen hebben met dergelijke aanbetalingen en vrees zullen voelen dat zij (opnieuw) hun geld kwijt dreigen te raken. Verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten enkel laten leiden door geldelijk gewin en zich op geen enkele manier bekommerd om de gevolgen voor de benadeelden. Net als de rechtbank, is het hof van oordeel dat het zeer kwalijk is dat verdachte zelfs nadat hij op 13 september 2022 in verzekering is gesteld en is gehoord over een groot aantal oplichtingszaken, niet stopte met zijn oplichtingspraktijken en nog meer slachtoffers heeft gemaakt. Kennelijk was zijn financiële nood dermate hoog dat verdachte keer op keer gedurende een langere periode nieuwe slachtoffers maakte, wetende dat hij hetgeen was overeengekomen niet (goed en volledig) zou uitvoeren. Ondertussen zaten vele aangevers langere tijd in onzekerheid en in de rotzooi en vulde verdachte van de aanbetalingen het zijn ene financiële gat met het andere.


Wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 21 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte lang geleden onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke en andersoortige feiten. Gelet op het tijdsverloop nadien zal het hof daarmee geen rekening houden bij het bepalen van de straf(maat). Na het plegen van (een deel van) de bewezenverklaarde feiten is verdachte onherroepelijk veroordeeld voor een aantal overtredingen. Gelet hierop houdt het hof rekening met artikel 63 Sr.


Verder heeft het hof kennisgenomen van het verdachte betreffende reclasseringsrapport van 12 april 2024. Hieruit volgt onder meer dat de reclassering vanwege de ontkennende houding van verdachte geen inzicht heeft kunnen krijgen in zijn problematiek. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.


Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die door verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn vrouw en twee kinderen woont. Financieel staat hij er slecht voor en hij komt moeilijk rond met zijn gezin. Hij heeft veel schulden en zit al twee jaar in de schuldsanering waarbij hij samen met zijn gezin moet leven van weekgeld. Verdachte geeft aan eerder in de gevangenis te hebben gezeten en dat dit hem veel stress oplevert. In het verleden is vanuit Te-Samen een maatschappelijk werker betrokken geweest bij het gezin van verdachte, maar deze hulpverlening is niet lang geleden allemaal afgerond. Verdachte verklaart verder geen hartproblemen meer te hebben, maar wel geopereerd te moeten worden aan zijn benen.


Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Verdachte is op 13 september 2022 in verzekering gesteld. Het vonnis is van 10 april 2025, twee jaar en bijna 7 maanden nadat verdachte in verzekering is gesteld. Het hof stelt daarom vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM met bijna 7 maanden. Het hof zal dit in strafmatigende zin meewegen.


De ernst en hoeveelheid feiten rechtvaardigen de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is daarom van oordeel dat een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman verzocht, geen passende afdoening is.


Alles afwegende acht het hof, mede gelet op het tijdsverloop in eerste aanleg, net als de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het hof legt een deels voorwaardelijke straf op om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.



Vorderingen van de benadeelde partijen




Standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman gesteld dat de vorderingen niet ontvankelijk moeten worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van het hof.



Oordeel van het hof




Parketnummer 18-109188-23



Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.700,00, bestaande uit € 6.200,00 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.300,00, bestaande uit materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.300,00. Dit is het bedrag dat hij blijkens de aangifte aan verdachte als aanbetaling heeft betaald, aan verdachte ten laste is gelegd en door het hof bewezen is verklaard. Het hof zal het meer gevorderde aan aanbetaling (€ 200,00) daarom afwijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde € 3.700,00 aan restauratiekosten van het stucwerk en restauratie van het leidingwerk is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling door niet goed te stuken en het leidingwerk niet goed uit te voeren. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.



Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend als de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.040,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.040,00. Dit is het bedrag dat zij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.130,00, bestaande uit € 2.530,00 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 2.530,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.530,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.240,00, bestaande uit € 840,00 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 840,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 840,00. Dit is het bedrag dat zij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.



Daarnaast heeft de benadeelde partij gevorderd om verdachte te veroordelen in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, te weten de incassokosten van € 411,40. Het hof is van oordeel dat de incassokosten niet onder proceskosten vallen omdat deze niet zijn gemaakt in deze strafzaak. Deze incassokosten worden daarom niet toegewezen.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 14.204,21, bestaande uit € 13.604,21 aan materiële schade en € 600,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 9.450,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 9.450,00. Dit is het bedrag dat zij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde kosten voor een vervangende stukadoor is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling door niet goed te stuken. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.



Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof eveneens dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.390,00, aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 9.390,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



Daarnaast heeft de benadeelde partij gevorderd om verdachte te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten, te weten de invorderingskosten van € 2.259,95. Het hof is van oordeel dat de invorderingskosten niet onder proceskosten vallen omdat deze niet zijn gemaakt in deze strafzaak. Deze proceskosten worden daarom niet toegewezen.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.800,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen, zodat de vordering ook in hoger beroep aan de orde is.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 9.800,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.600,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen, zodat de vordering ook in hoger beroep aan de orde is.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.600,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.245,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen, zodat de vordering ook in hoger beroep aan de orde is.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 7.245,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.




Parketnummer 18-086108-23





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.155,45 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 714,40. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de rechtbank is toegewezen.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 714,40. Dit is het bedrag dat zij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.170,00 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 6.305,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.670,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetalingen aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2022, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde kosten voor herstelwerkzaamheden is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade (voor herstelwerkzaamheden) niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.




Parketnummer 18-248628-23





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 18.317,90, bestaande uit € 6.401,95 aan materiële schade en € 11.916,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.605,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.605,00. Dit is het bedrag dat zij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2021, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde kosten voor het stuken en betegelen van de badkamer is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade (voor herstelwerkzaamheden) niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.



Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.




Parketnummer 18-024748-24





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,00, bestaande uit € 500,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 500,00. Dit is het bedrag dat hij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2023, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



Ten aanzien van de gestelde immateriële schade oordeelt het hof dat de vordering eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het BW slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waaronder geestelijk letsel valt. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat behelst meer dan het ervaren van ongemak en spanningen. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door de benadeelde partij niet aangevoerd.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.404,90 aan materiële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.404,90. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.



Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtsreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.404,90. Dit is het bedrag dat hij als aanbetaling aan verdachte heeft betaald. Verdachte heeft deze schade niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2023, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



De strafrechter kan alleen een vordering toewijzen van schade die het rechtstreekse gevolg is van het specifieke strafbare feit dat ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (in dit geval: oplichting).Wat betreft de gevorderde kosten voor de schade die verdachte aan de woning van de benadeelde partij zou hebben toegebracht is het hof van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat die schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van verdachte (de oplichting) is veroorzaakt. Door de oplichting is er een aanbetaling gedaan. Dat is schade die rechtstreeks uit de oplichting volgt. De veroordeling voor oplichting betekent niet dat verdachte ook veroordeeld wordt voor bijvoorbeeld vernieling. Daarom kan de strafrechter dergelijke gevolgschade (voor herstelwerkzaamheden) niet toewijzen en kan de benadeelde partij in dat deel van de vordering nu niet worden ontvangen. Dat hoeft niet te betekenen dat de benadeelde partij geen recht heeft op vergoeding van die schade. Alleen kan de strafrechter die vergoeding in dit geval niet toewijzen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst wel alsnog indienen bij de burgerlijke rechter.




Parketnummer 18-071833-24





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]


De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding willen indienen, maar geen bedragen ingevuld. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat de vordering wordt gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen op de vordering tot schadevergoeding.



Verdachte heeft ook in hoger beroep geen bedragen ingevuld waar de geleden schade uit zou bestaan. Het hof is van oordeel dat het een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert als aan de benadeelde partij alsnog de gelegenheid wordt geboden om die schade in te vullen en te onderbouwen en daartoe de verdere behandeling van deze strafzaak aan te houden. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.




Ten aanzien van alle vorderingen van de benadeelde partijen


Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof ten aanzien van alle vorderingen de schadevergoedingsmaatregel op.



Bij het bepalen van het aantal dagen gijzeling dat bij het niet betalen van de afzonderlijke schadevergoedingsmaatregelen kan worden toegepast zal het hof rekening houden met het wettelijke maximum van 365 dagen voor alle maatregelen samen. Het hof zal dat naar evenredigheid bepalen, zoals opgenomen in het dictum van het arrest.



Verder zal het hof verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen (met uitzondering van die van benadeelde partij [benadeelde 15] ) tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, in alle gevallen tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.





Wetsartikelen




De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.





BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 en in de zaak met parketnummer 18-086108-23 en in de zaak met parketnummer 18-248628-23 en in de zaak met parketnummer 18-024748-24 en in de zaak met parketnummer 18-071833-24 tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 en in de zaak met parketnummer 18-086108-23 en in de zaak met parketnummer 18-248628-23 en in de zaak met parketnummer 18-024748-24 en in de zaak met parketnummer 18-071833-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.



Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.300,00 (tweeduizend driehonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) aan materiële schade af.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.300,00 (tweeduizend driehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 13 (dertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 december 2021.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.040,00 (drieduizend veertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.040,00 (drieduizend veertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 februari 2022.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.530,00 (tweeduizend vijfhonderddertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.530,00 (tweeduizend vijfhonderddertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2022.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 840,00 (achthonderdveertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Wijst af de door de benadeelde partij gevorderde incassokosten.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 840,00 (achthonderdveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 december 2021.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.450,00 (negenduizend vierhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.450,00 (negenduizend vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 september 2021.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.390,00 (negenduizend driehonderdnegentig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Wijst af de door de benadeelde partij gevorderde invorderingskosten.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.390,00 (negenduizend driehonderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 54 (vierenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 januari 2022.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.800,00 (negenduizend achthonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 9] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.800,00 (negenduizend achthonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 57 (zevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 december 2021.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.600,00 (vijfduizend zeshonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 10] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.600,00 (vijfduizend zeshonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 februari 2022.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.245,00 (zevenduizend tweehonderdvijfenveertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-109188-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.245,00 (zevenduizend tweehonderdvijfenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 42 (tweeënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 maart 2022.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 11] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-086108-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 714,40 (zevenhonderdveertien euro en veertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 11] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-086108-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 714,40 (zevenhonderdveertien euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 september 2022.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 12]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 12] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-086108-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.670,00 (zesduizend zeshonderdzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 12] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-086108-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.670,00 (zesduizend zeshonderdzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 november 2022.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 13] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-248628-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.605,00 (duizend zeshonderdvijf euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 13] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-248628-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.605,00 (duizend zeshonderdvijf euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 juli 2021.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 14] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-024748-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 14] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-024748-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 februari 2023.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-024748-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.404,90 (drieduizend vierhonderdvier euro en negentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-024748-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.404,90 (drieduizend vierhonderdvier euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 september 2023.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 15] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.






















Dit arrest is gewezen door mr. H.J. Deuring, mr. J.A.M. Kwakman en mr. I. Augusteijn, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Kiemel en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 september 2026.