Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5471

2026-08-25 Civiel recht 200.343.341
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.343.341
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Overig handel. Overeenkomst tot aanneming van werk. Facturen terecht onbetaald gelaten: som betalingen overtreft verschuldigde bedrag. Rechtsgeldige partiële ontbinding door opdrachtgever wegens onterechte opschorting opdrachtnemer in verband met uitblijvende betaling. Verbintenis tot ongedaanmaking (art. 6:271 BW) en verplichting tot schadevergoeding (art. 6:277 BW).

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (130.380 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.343.341
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 417971




arrest van 25 augustus 2026




in de zaak van






1 [appellant]


2. [appellante]

die wonen in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam1]
hierna: [appellanten]
advocaat: mr. L.M. van Ooij-Jongejan



en





[geïntimeerde]


handelend onder de naam [naam1] ,
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam2]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. A.B. Bouter





1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 24 januari 2024 en 29 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep


de memorie van grieven van [appellanten] met producties


de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] met producties


de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van [appellanten] met een productie


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 28 mei 2026 is gehouden





1.2.
Het hof heeft vervolgens arrest bepaald op heden.





2De kern van de zaak


2.1.
Partijen hebben een aannemingsovereenkomst met elkaar gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] de woonboerderij van [appellanten] zou verbouwen. Partijen verschillen van mening over welke werkzaamheden zijn overeengekomen en voor welke werkzaamheden betaald moet worden. [appellanten] zijn tijdens de werkzaamheden gestopt met het betalen van facturen, omdat zij volgens hen al genoeg betaald hadden aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft vervolgens de werkzaamheden stilgelegd. Als gevolg daarvan hebben [appellanten] de overeenkomst ontbonden voor dat deel van de overeenkomst dat nog niet was uitgevoerd. Volgens [geïntimeerde] is deze ontbinding onterecht en moeten [appellanten] de openstaande facturen betalen. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat zij het teveel betaalde terug moeten krijgen van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] hen daarnaast schadevergoeding moet betalen vanwege de ontbinding van de overeenkomst, bestaande uit de meerkosten die [appellanten] (hebben) moeten maken om de werkzaamheden alsnog uit te laten voeren door andere aannemers, kosten vanwege dubbele woonlasten en een vergoeding voor het mislopen van subsidie.



2.2.

[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank in conventie na vermindering van eis – samengevat – gevorderd dat de rechtbank:



primair




voor recht verklaart dat partijen een aannemingsovereenkomst zijn aangegaan op basis van regie en nacalculatie;



[appellanten] veroordeelt tot betaling van € 100.750,08, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten;





subsidiair


3. voor recht verklaart dat [appellanten] met [geïntimeerde] een aannemingsovereenkomst zijn aangegaan op basis van een overeengekomen vaste prijs zoals genoemd in de eerste en tweede offerte, vermeerderd met meerwerk en te verminderen met minderwerk;
4. [appellant] en [appellante] veroordeelt tot betaling van € 104.758,77, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten;



meer subsidiair


5. [appellanten] veroordeelt tot betaling van € 104.758,77 aan schadevergoeding, omdat [appellanten] ongerechtvaardigd zijn verrijkt, vermeerderd met rente en kosten. vergoeding van alle schade die [geïntimeerde] heeft nu [appellanten] ten koste van hem ongerechtvaardigd zijn verrijkt, ten bedrage van € 104.758,77, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten;


met een veroordeling van [appellanten] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.




2.3.

[appellanten] hebben in reconventie bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank:


1) voor recht verklaart dat de overeenkomst partieel is ontbonden, althans de overeenkomst alsnog partieel ontbindt, en;
2) [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van € 172.468,07 en de buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente.




2.4.
De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen en [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie. De rechtbank heeft in reconventie voor recht verklaard dat de overeenkomst tussen partijen partieel is ontbonden, [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten en [appellanten] tot betaling van de proceskosten in reconventie.



2.5.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat hun afgewezen vorderingen in gewijzigde vorm alsnog worden toegewezen. Ze vorderen in hoger beroep:


een verklaring voor recht dat de overeenkomst partieel of algeheel is ontbonden, althans dat de overeenkomst partieel of algeheel wordt ontbonden;



[geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 128.007,87, vermeerderd met de wettelijke rente;



[geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente;





2.6.

[geïntimeerde] heeft ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Hij vordert afwijzing van alle vorderingen van [appellanten] en daarnaast veroordeling van [appellanten] tot:


betaling van € 61.031,87, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente;


betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente;


terugbetaling van hetgeen [geïntimeerde] ter uitvoering van het eindvonnis van de rechtbank heeft voldaan aan [appellanten] , te weten een bedrag van € 5.868,87, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juni 2024 tot de dag van volledige betaling door [appellanten]





2.7.
Het hof oordeelt dat [appellanten] de door [geïntimeerde] verzonden facturen terecht onbetaald hebben gelaten en de overeenkomst gerechtvaardigd gedeeltelijk hebben ontbonden omdat [geïntimeerde] het werk ten onrechte heeft stilgelegd. Het hof beslist dat [appellanten] te veel aan [geïntimeerde] hebben betaald en dat [geïntimeerde] een bedrag aan [appellanten] moet terugbetalen en als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding, schadevergoeding aan [appellanten] moet betalen, namelijk de kosten die [appellanten] hebben moeten maken om het werk af te laten ronden door derden. Vergoeding van andere schade wordt afgewezen. Het hof licht zijn oordeel en beslissing hierna toe. Het hof zal daarbij de bezwaren (grieven) van beide partijen tegen de vonnissen van de rechtbank thematisch behandelen.





3De feiten waar het hof van uitgaat


3.1.
Het hof gaat uit van de feiten die door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1. tot en met 2.42. van het tussenvonnis van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:441) zijn vastgesteld, met het enige verschil dat het hof vaststelt dat er tussen partijen een overleg over de werkzaamheden en betalingen heeft plaatsgevonden op 27 juli 2021 in plaats van 26 juli 2021, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 2.20. heeft overwogen.



3.2.
Het hof stelt daarnaast het volgende vast. Op 27 september 2024 heeft ONE Expertise B.V. (hierna: ONE) haar rapport van 23 januari 2023 verder aangevuld. Zij heeft hierin opgenomen:



‘De meerkosten voor het thans door derden laten afronden van de werkzaamheden zijn op basis van de offertes en onze bevindingen ter plaatse vastgesteld op

€ 71.447,30 inclusief BTW, conform onderstaande specificaties.






Overeengekomen, maar niet uitgevoerd werk


14 Buitenriool en drainage € 733,82


24 Houtconstructies € 8.776,53


50 Impregneren € 3.614,63


52 Waterinstallaties € 655,86


44 Plafonds en wandsystemen € 4.514,36


55 Gasinstallaties € 294,51


60 Verwarmingsinstallaties € 4.432,48


70 Elektra installaties € 7.766,36


Totaal, exclusief B.T.W. € 30.788,55


B.T.W. 21% € 6.465,59


Totaal, inclusief B.T.W. € 37.254,09





Offertes afronding werk


Aanbrengen plafonds € 20.830,15


Aftimmerwerk wanden en kozijnen € 12.992,50


Leveren schuurdeuren € 1.269,99


Impregneren dak € 4.373,70


Leveren sloten € 772,17


Bouwmaterialen Bouwcenter en isolatie € 7.718,84


Raamdorpels € 586,10


Afronden riolering € 1.034,91


CV-Installatie afronden € 20.328,00


Elektra afronden € 17.484,50


Hoogwerker € 2.250,00


Beglazing € 4.734,12


Containers € 1.452,00


Bouwbegeleiding € 12,874,40


Totaal, inclusief B.T.W. € 108.701 ,38





Verschil cq. meerkosten € 71.447,30
’




ONE heeft haar rapport daarnaast aangevuld met de beantwoording van enkele door [appellanten] gestelde vragen ten aanzien van de berekening van het meerwerk en het schadebedrag.






4De toelichting op de beslissing van het hof



ongelukkige wijze van handelen en procederen




4.1.
Het hof merkt voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling het volgende op. Partijen hebben de afspraken die zij samen hebben gemaakt en de tussentijdse aanpassingen van die afspraken onvoldoende duidelijk vastgelegd. In de procedure – eerst bij de rechtbank en nu ook bij het hof – hebben zij ondanks de omvangrijke processtukken die zij hebben overgelegd niet het inzicht aan de rechter (in hoger beroep) verstrekt dat van partijen had mogen worden verwacht. Dit terwijl de rechter (in hoger beroep) moet nagaan of een partij voldoende heeft gesteld en, afhankelijk van de mate van betwisting door de wederpartij, haar stellingen voldoende heeft onderbouwd om te kunnen worden toegelaten tot bewijslevering. Het is daarbij niet aan de rechter (in hoger beroep) om actief zelfstandig in overgelegde producties op zoek te gaan naar mogelijke onderbouwing van stellingen en verweren van partijen. Dat is de taak van partijen. Zij dienen in hun conclusies en memories aan de rechter (in hoger beroep) uit te leggen wat in overgelegde producties te lezen/zien valt, dat hun concrete stellingen en verweren onderbouwt, maar dat hebben partijen in dit geding maar in uiterst beperkte mate gedaan. Het hof stelt vast dat door de door partijen gekozen wijze van procederen niet aan het stadium van bewijslevering wordt toegekomen. Het hof onderkent dat dit tot gevolg heeft dat de uitkomst van de procedure een juridische werkelijkheid weerspiegelt en niet per se aansluit bij de werkelijke gang van zaken. Dat is gezien het voorgaande voor rekening en risico van procespartijen.



opeisbaarheid facturen [geïntimeerde]





4.2.
Voor het oordeel van het hof is relevant wat partijen hebben afgesproken over de betaling van de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden. Daar gaat het hof eerst op in. [geïntimeerde] heeft daarover in eerste aanleg gesteld dat een betaaltermijn van 30 dagen na factuurdatum is overeengekomen. In grief vier van zijn hoger beroep heeft [geïntimeerde] dit standpunt aangepast en verwezen naar de offertes (zie hierna in dit arrest in rechtsoverweging 4.6. e.v.) waarin is opgenomen: ‘Betalingen: netto binnen 14 dagen na factuurdatum.’ Volgens [geïntimeerde] is dit een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 aanhef en onder a BW. [appellanten] hebben betwist dat sprake is van zo’n fatale termijn omdat op de offertes ook wordt vermeld: ‘Facturatie : volgens overeen te komen schema.’. Omdat zo’n schema niet is overeengekomen zijn volgens [appellanten] ook geen (uiterste) betaaldata overeengekomen. Omdat het gaat om uitleg van wat partijen op dit punt zijn overeengekomen en partijen daarover van mening verschillen past het hof de zogeheten Haviltex-maatstaf (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) toe. Die maatstaf komt erop neer dat voor de uitleg van wat partijen zijn overeengekomen bepalend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebruikte bewoordingen en verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, te beoordelen aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het hof stelt vast dat partijen niet een in de offertes genoemd facturatieschema hebben afgesproken, maar dat daarin wel wordt vermeld dat binnen 14 dagen na factuurdatum moet worden betaald. Op de afzonderlijke facturen is steeds vermeld dat het factuurbedrag binnen 30 dagen moet worden betaald. In de praktijk heeft [geïntimeerde] met regelmaat na uitvoering van een deel van het werk een factuur gestuurd. [appellanten] hebben de eerste tien facturen steeds binnen de gestelde termijn betaald (negen facturen binnen de termijn van 14 dagen en één factuur in deelbetalingen binnen de termijn van 30 dagen). Hieruit is af te leiden dat partijen over deze handelswijze overeenstemming hadden. Het standpunt van [appellanten] dat geen betaaldata zijn overeengekomen, wordt om die reden gepasseerd.



betalingsverplichting [appellanten]





4.3.
Het hof verwijst naar de vastgestelde feiten in rechtsoverweging 2.19. tot en met 2.37. van het vonnis van 24 januari 2024. Die vaststaande feiten komen erop neer dat [appellanten] na betaling van de facturen die op 2 juli 2021 zijn gedateerd de eerstvolgende factuur van 26 juli 2021 met factuurnummer 2021 686 en de daaropvolgende facturen van [geïntimeerde] niet meer hebben betaald. Op 18 augustus 2021 heeft [geïntimeerde] voor het laatst werkzaamheden aan de woonboerderij verricht. Partijen hebben daarvoor op 27 juli 2021 en daarna op 23 augustus 2021 met elkaar gesproken over de planning van de werkzaamheden en in het laatste overleg is ook een door [geïntimeerde] opgesteld kostenoverzicht ter sprake gekomen, waar [appellanten] na die bespreking naar zouden kijken. Op 26 augustus 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] geschreven dat hij het advies heeft gekregen om eerst een regeling of afspraak met [appellanten] te maken met betrekking tot het financiële plaatje voordat hij nog meer kosten gaat maken. Nadat de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellanten] in een brief van 8 september 2021 [geïntimeerde] erop heeft gewezen dat hij een bedrag van € 76.475,66 te veel in rekening heeft gebracht en hem heeft gesommeerd de resterende werkzaamheden af te maken, heeft [geïntimeerde] op 11 september 2021 de bouwkraan en diverse bouwmaterialen op het terrein van de woning weggehaald. In een mail van 13 september 2021 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar namens [appellanten] aan [geïntimeerde] bericht dat uit dit handelen wordt afgeleid dat [geïntimeerde] geen werkzaamheden meer zal uitvoeren zodat hij in verzuim is komen te verkeren. Daarbij is meegedeeld dat [appellanten] de overeenkomst partieel ontbinden en dat zij [geïntimeerde] aansprakelijk houden voor de (financiële) gevolgen daarvan, waarbij zij een onderzoeksbureau de stand van het werk zullen laten onderzoeken. Daarop heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [geïntimeerde] bij brief van 27 september aan de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellanten] geschreven dat er nog drie facturen van in totaal € 100.750,08 inclusief btw openstaan en dat [geïntimeerde] eerst betaling daarvan verlangt voordat hij verdere werkzaamheden zal uitvoeren. [appellanten] wordt in de genoemde brief gesommeerd het genoemde bedrag binnen 15 dagen aan [geïntimeerde] te betalen.


4.4.
Volgens [appellanten] is de reden voor het stoppen met betalen van de facturen dat zij door betaling van de eerdere facturen de overeengekomen aanneemsom zoals die volgt uit de offerte van 30 maart 2021 (zie rechtsoverweging 2.13. van dat vonnis) volledig hebben betaald. Het door [geïntimeerde] gestelde meerwerk betreft met uitzondering van werkzaamheden met betrekking tot het dak waarvoor € 3.000,- is betaald, werkzaamheden die in de initiële opdracht zijn begrepen, aldus nog steeds [appellanten] hebben verder onweersproken gesteld dat zij in de maanden vóór 26 juli 2021 meermalen hebben aangegeven dat de overeengekomen aanneemsom en de facturen niet met elkaar in overeenstemming zijn. Volgens [appellanten] was er sprake van een fundamenteel gebrek aan transparantie in de facturatie. De vraag die het hof nu moet beantwoorden is of [appellanten] terecht per 26 juli 2021 gestopt is met het betalen van facturen van [geïntimeerde] en vervolgens terecht de overeenkomst (partieel) heeft ontbonden dan wel [geïntimeerde] terecht het uitvoeren van werkzaamheden heeft opgeschort vanwege het uitblijven van betaling van zijn facturen.



4.5.
Het hof laat buiten beschouwing of het gebrek aan transparantie in de facturatie van [geïntimeerde] voldoende reden was voor [appellanten] om te stoppen met betalen, omdat het tot het oordeel komt dat het door [geïntimeerde] gefactureerde bedrag het op 26 juli 2021 door [appellanten] verschuldigde bedrag oversteeg, waardoor op dat moment geen opeisbare betalingsverplichting bestond voor [appellanten] Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot het oordeel komt dat [geïntimeerde] op 26 juli 2021 meer heeft gefactureerd dan [appellanten] moesten betalen. Daarvoor zal het hof eerst beoordelen welke werkzaamheden partijen zijn overeengekomen, waarbij het hof ook het meerwerk betrekt. Daarna zal het hof vaststellen welke werkzaamheden op 26 juli 2021 waren afgerond en welk bedrag [appellanten] op die datum dus aan [geïntimeerde] verschuldigd waren.



offertes en vaste aanneemsom





4.6.

[geïntimeerde] heeft het door hem in eerste aanleg ingenomen standpunt dat sprake is van een aannemingsovereenkomst op basis van regie, verlaten. Voor het hoger beroep betekent dit dat, gelet op de stellingen van partijen, het hof als vaststaand ervan uitgaat dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] werkzaamheden zou verrichten voor een vaste aanneemsom. Over de hoogte van die aanneemsom en welke werkzaamheden daarin zijn begrepen, zijn partijen het niet eens. [geïntimeerde] heeft twee offertes uitgebracht; één voorafgaand aan de werkzaamheden (hierna: offerte 1) en één lopende het werk (hierna: offerte 2). Van offerte 1 zijn twee gelijkluidende versies met een andere datering (10 augustus 2020 en 29 september 2020) ingebracht. [geïntimeerde] stelt dat de offerte van 10 augustus 2020 de basis van de overeenkomst vormt. [appellanten] beweren dat de opdracht op grond van de offerte van 29 september 2020 is gegund. Voor het bepalen van de hoogte van de aanneemsom en de vraag of sprake is van meerwerk, is de datering van offerte 1 van belang, omdat deze offerte niet aansluit bij de tekeningen van de architect van 11 augustus 2020, waarop de te verrichten werkzaamheden zijn gebaseerd. Als offerte 1 dateert van 10 augustus 2020 is deze discrepantie [geïntimeerde] niet aan te rekenen, als de offerte dateert van 29 september 2020 wel (zie hierna rechtsoverweging 4.8.).



4.7.

[geïntimeerde] stelt op 10 augustus 2020 offerte 1 te hebben opgesteld en deze tijdens een bespreking op 11 augustus 2020 met [appellanten] te hebben doorgenomen. De tekeningen van de architect zijn op 11 augustus 2020 een paar uur voor die bespreking met [geïntimeerde] gedeeld, zodat hij die nog niet had verwerkt in de offerte. [geïntimeerde] stelt dat de datering van de tweede versie van offerte 1 (29 september 2020) voortkomt uit het tijdstip waarop de offerte opnieuw is uitgedraaid en verstuurd. [appellanten] betwisten dit. [appellanten] erkennen dat partijen op 11 augustus 2020 de op die datum aan [geïntimeerde] verzonden tekeningen van de architect hebben besproken, maar volgens [appellanten] had [geïntimeerde] op die datum nog geen offerte opgesteld en is er ook geen offerte ter sprake gekomen tijdens dat overleg. Naar aanleiding van het overleg op 11 augustus 2020 heeft [geïntimeerde] de eerste offerte opgesteld en uitgebracht, op basis waarvan de opdracht is gegund, aldus [appellanten]



4.8.
Het hof constateert dat [geïntimeerde] bij de inleidende dagvaarding de ‘29 september 2020-versie’ van offerte 1 heeft overgelegd en pas bij conclusie van antwoord in reconventie een versie van 10 augustus 2020. In hoger beroep stelt [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord onder randnummer 7 dat partijen op 29 september 2020 overeenstemming hebben bereikt over de aanneemovereenkomst en beroept [geïntimeerde] zich pas tijdens de mondelinge behandeling op het feit dat de eerste offerte van eerdere datum is. Dit draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van het standpunt van [geïntimeerde] . Door [appellanten] wordt daarnaast stellig betwist dat offerte 1 dateert van 10 augustus 2020 en dat [geïntimeerde] al een offerte had uitgebracht voordat zij op 11 augustus 2020 de tekeningen van de architect gezamenlijk hebben besproken. Gezien deze betwisting van [appellanten] en de omstandigheid dat [geïntimeerde] in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg waar hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de offerte van 10 augustus 2020 direct op 11 augustus 2020 is geaccepteerd door [appellanten] , ervan uitgaat dat de aannemingsovereenkomst op 29 september 2020 tot stand is gekomen, heeft [geïntimeerde] dit onvoldoende onderbouwd. Het hof komt daarom aan bewijslevering op dit punt niet toe. Als vaststaand wordt daarom aangenomen dat offerte 1 dateert van 29 september 2020 en op die datum aan [appellanten] is verstrekt. Het is [geïntimeerde] vervolgens aan te rekenen dat de door hem uitgebrachte offerte op onjuiste – namelijk verouderde – tekeningen is gebaseerd. Niet betwist is door [geïntimeerde] dat hij op 11 augustus 2020 (nieuwe) tekeningen van de architect heeft ontvangen en dat uit deze tekeningen vergaande wijzigingen van de benodigde werkzaamheden voortvloeiden ten opzichte van eerdere tekeningen, schetsen en informatie van de woonboerderij. Evenmin staat ter discussie dat partijen de benodigde werkzaamheden die voortvloeien uit de tekeningen van de architect van 11 augustus 2020 op die datum gezamenlijk hebben doorgenomen. Het lag daarom op de weg van [geïntimeerde] om zijn offerte te baseren op de meest actuele en besproken tekeningen. [appellanten] mochten er als consument-opdrachtgevers ook van uitgaan dat de prijs waarvoor [geïntimeerde] het te verrichten werk op 29 september 2020 aanbood, gebaseerd was op die besproken tekeningen. Zij hoefden er niet bedacht op te zijn dat de offerte op verouderde uitgangspunten was gebaseerd en al helemaal niet voor zover dat niet uit de offerte zelf, maar alleen uit de nadere technische specificaties in de bijlagen bij de offerte bleek.



verhouding offerte 1 en 2





4.9.
Partijen verschillen vervolgens van mening over de vraag of offerte 2 een aanvulling op dan wel een vervanging van offerte 1 is. Partijen hebben hierover niet steeds eenduidige standpunten ingenomen. Het hof concludeert uit de memorie van grieven in incidenteel appel dat het standpunt van [geïntimeerde] nu is dat de aanneemsom bestaat uit de prijs voor de werkzaamheden die onder offerte 1 vóór acceptatie van offerte 2 (30 maart 2021) zijn uitgevoerd – en niet opnieuw in offerte 2 zijn opgenomen – en het totaalbedrag van offerte 2 (€ 241.295,03 incl. btw). [appellanten] stellen dat offerte 2 een vervanging is van offerte 1 en geen aanvulling daarop. Voorts betwisten zij een opdracht te hebben gegeven tot meerwerk; de werkzaamheden waarvoor [geïntimeerde] een meerprijs vordert zijn al begrepen in de initiële opdracht. Volgens [appellanten] moet hun standpunt gevolgd worden omdat [geïntimeerde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst onvoldoende inzicht heeft gegeven in de aanneemsom en daarmee de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden en zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk. Het hof zal dit eerst bespreken.



4.10.

[appellanten] stellen dat [geïntimeerde] met zijn manier van offreren en factureren zich schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193b BW e.v. en onderbouwen dat als volgt. [appellanten] moeten worden aangemerkt als consumenten en [geïntimeerde] als een handelaar in de zin van artikel 6:193a BW, zodat de afdeling in het Burgerlijk Wetboek die handelt over oneerlijke handelspraktijken op deze overeenkomst van toepassing is. De handelaar moet de consument voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op een duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over (onder andere) de totale prijs van het door hem uit te voeren werk. [geïntimeerde] heeft [appellanten] offerte 2 gestuurd zonder volledig en helder te zijn over de totale aanneemsom. Hij heeft niet gezegd dat er bovenop offerte 2 ook nog kosten verschuldigd waren van het werk dat al was uitgevoerd. Daarmee heeft [geïntimeerde] zich schuldig gemaakt aan een misleidende handelspraktijk (artikel 6:193c BW) of een misleidende omissie (artikel 6:193d BW). Daarnaast heeft [geïntimeerde] met deze handelswijze de informatieplicht geschonden die hij had op grond van artikel 6:230m BW. [geïntimeerde] had op grond van dit artikel voordat partijen de overeenkomst sloten, [appellanten] op duidelijke en begrijpelijke wijze moeten informeren over de totale prijs van het werk, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van het werk de prijs redelijkerwijs niet vooraf had kunnen worden berekend, de manier waarop de prijs moest worden berekend. [geïntimeerde] heeft dat niet gedaan, aldus nog steeds [appellanten]



4.11.
Het hof stelt voorop dat art. 6:193b lid 1 BW bepaalt dat een handelaar onrechtmatig handelt jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is. Een handelspraktijk is onder meer oneerlijk als de handelaar handelt in strijd met de vereisten van professionele toewijding en het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen (artikel 6:193b lid 2 aanhef en sub a en b BW). Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk als die misleidend of agressief is (artikel 6:193b lid 3 BW). Misleidend is een handelspraktijk onder meer indien informatie wordt verstrekt of weggelaten die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, zoals ten aanzien van de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend (artikelen 6:193c lid 1 aanhef en sub d en 193d lid 1 en 2 BW), waardoor de gemiddelde consument een besluit over de overeenkomst neemt dat hij anders niet had genomen.



4.12.
Het hof volgt [appellanten] niet in hun standpunt. Het volgende is daarvoor redengevend. [appellanten] baseren hun stellingen over de waarde van het uitgevoerde werk op het deskundigenrapport van ONE, waarin een berekening is opgenomen van zowel onder offerte 1 als onder offerte 2 uitgevoerde werkzaamheden. [appellanten] zijn er dus zelf ook van uitgegaan dat er reeds werkzaamheden waren uitgevoerd onder offerte 1 die betaald moesten worden, zoals de betonvloer op de begane grond en de houtconstructie van de verdiepingsvloer. Door [appellanten] is niet betwist dat deze werkzaamheden op offerte 2 niet vermeld staan, maar wel voorafgaand aan offerte 2 zijn gefactureerd. Op factuur 2021 639 d.d. 17 februari 2021 en factuur 2021 644 d.d. 11 maart 2021 staat vermeld dat het factuurbedrag (deels) ziet op de betonvloer van de begane grond, werkzaamheden die op offerte 2 niet meer opgenomen zijn. Daarnaast heeft [geïntimeerde] kort na het uitbrengen van offerte 2, op 6 april 2021, bij factuur 2021 649 een specificatie gestuurd naar [appellanten] van reeds uitgevoerde werkzaamheden, waarop deze werkzaamheden ook vermeld staan. Gelet hierop blijkt niet dat [geïntimeerde] – al dan niet opzettelijk – heeft verzwegen dat er bovenop offerte 2 nog kosten verschuldigd waren voor het reeds uitgevoerde werk of de indruk heeft gewekt dat offerte 2 alles omvattend was. Omdat [appellanten] ook zelf erkennen dat er onder offerte 1 werkzaamheden zijn uitgevoerd die betaald moeten worden, hebben zij in dat licht ook onvoldoende toegelicht welk besluit zij over de overeenkomst hebben genomen dat zij anders niet hadden genomen.



4.13.
Het beroep van [appellanten] op artikel 6:230m BW slaagt evenmin. In artikel 6:230h lid 2 sub g BW is bepaald dat de afdeling van het Burgerlijk Wetboek betreffende informatieplichten niet van toepassing is op overeenkomsten die zien op een ingrijpende verbouwing van bestaande gebouwen. [geïntimeerde] voert aan dat hier sprake is van een ingrijpende verbouwing van een bestaand gebouw zodat artikel 6:230m BW op de overeenkomst niet van toepassing is. [appellanten] bestrijden dat en verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2025:6572) waarin onder verwijzing naar overweging 26 van Richtlijn 2011/83/EU geoordeeld is dat onder een ingrijpende of grondige verbouwing in de zin van dit artikel moet worden verstaan een verbouwing die vergelijkbaar is met het bouwen van een nieuw gebouw, bijvoorbeeld wanneer alleen de gevel van een oud gebouw bewaard blijft, waarvan volgens de rechtbank in dat geval geen sprake was. Het hof begrijpt dat [appellanten] het standpunt innemen dat de verbouwing ook hier niet vergelijkbaar is met het bouwen van een nieuw gebouw en de eerdergenoemde uitzondering daarom niet van toepassing is. Dat ziet het hof anders. Gelet op het feit dat van de woonboerderij de vloer, de gevel en het dak zijn vervangen en slechts een aantal muren behouden zijn gebleven, zoals ook te zien op de door [geïntimeerde] overgelegde foto als productie 14 bij inleidende dagvaarding, hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof onvoldoende weersproken dat in dit geval sprake is van een ingrijpende verbouwing in de zin van artikel 6:230h lid 2 sub g BW. Artikel 6:230m BW is daarom op deze overeenkomst niet van toepassing.



4.14.
Omdat het beroep van [appellanten] op schending van informatieplichten en het uitoefenen van een oneerlijke handelspraktijk niet slaagt, gaat het hof niet mee in de lezing van [appellanten] dat offerte 2 een allesomvattende offerte is. Daarmee is komen vast te staan dat partijen een aannemingsovereenkomst zijn overeengekomen op basis van een vaste aanneemsom voor de werkzaamheden die onder offerte 1 vóór acceptatie van offerte 2 zijn uitgevoerd – en niet opnieuw in offerte 2 zijn opgenomen – en het totaalbedrag van offerte 2 (€ 241.295,03 incl. btw). Het hof constateert dat de uitgangspunten van ONE wel aansluiten bij het standpunt van [geïntimeerde] , maar dat partijen verschil van inzicht hebben over welke werkzaamheden onder offerte 1 zijn overeengekomen. Het hof komt daarom nu toe aan de bespreking van de werkzaamheden die partijen zijn overeengekomen en de daarvoor verschuldigde aanneemsom.



berekening aanneemsom




a. asbestinventarisatie




4.15.
Partijen zijn het erover eens dat [geïntimeerde] op 23 september 2020 in opdracht van [appellanten] een asbestinventarisatie heeft laten uitvoeren. Daarvoor zijn kosten (€ 460 excl. btw) in rekening gebracht, die door [appellanten] ook zijn betaald. [appellanten] hebben ter zitting aangevoerd dat dit geen meerwerk was maar onderdeel van de oorspronkelijke opdracht. Het hof verwerpt dit verweer omdat het onvoldoende is onderbouwd. De inventarisatie is immers uitgevoerd vóórdat de aannemingsovereenkomst eind september 2020 totstandgekomen is en wordt in offerte 1 niet afzonderlijk benoemd als onderdeel van die offerte. [appellanten] hebben verder niet onderbouwd waarom de asbestinventarisatie niettemin onderdeel daarvan is. De inventarisatie moet dan ook worden gezien als een afzonderlijke opdracht waarvan de vergoeding niet is begrepen in de vaste aanneemsom. [appellanten] hebben in eerste aanleg nog betoogd dat het bedrag voor de asbestinventarisatie volgens hen door [geïntimeerde] tweemaal is berekend, maar niet is gebleken dat de kosten op een andere factuur naast factuur 2021-636 van 12 januari 2021 in rekening zijn gebracht. Meer in het bijzonder is niet gebleken dat deze kosten op factuur 2021 649 van 6 april 2021 in rekening zijn gebracht, zoals [appellanten] vergeefs in hun akte uitlating producties van 29 november 2023 hebben betoogd. Het hof oordeelt daarom dat € 460 excl. btw voor de asbestinventarisatie bij de vaste aanneemsom moet worden opgeteld.


b. het onder offerte 1 uitgevoerde werk




4.16.

[appellanten] conformeren zich voor de vaststelling van het onder offerte 1 uitgevoerde – en daarmee overeengekomen – werk aan de opstelling in het rapport van ONE (overgelegd als productie 42 in hoger beroep), waarin op pagina 6 van dat rapport onder het kopje ‘Offerte 29 september 2020’ de post ‘Betonwerken betonvloer begane grond’ is opgenomen voor een bedrag van € 9.653,80 excl. btw en ‘Houtconstructies verdiepingsvloer’ voor een bedrag van € 9.689,64 excl. btw (samen € 19.343,44 excl. btw). [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat naast deze werkzaamheden nog veel meer werkzaamheden zijn verricht die onder offerte 1 vallen, zodat het hof in ieder geval de hiervoor genoemde werkzaamheden en het bedrag van € 19.343,44 excl. btw als uitgangspunt neemt. [geïntimeerde] betoogt dat er daarnaast € 3.570,- excl. btw aan meerwerk is verricht voor het uitgraven van de ondergrond en het afwerken van de zandlaag onder de nieuwe betonvloer. Het hof zal verderop in dit arrest ingaan op het meerwerk dat partijen wel of niet zijn overeengekomen, maar constateert dat op offerte 1 voor ‘grondwerken’ een bedrag van € 518,13,- excl. btw is opgenomen en op offerte 2 deze werkzaamheden niet meer vermeld staan. Door [appellanten] is erkend dat het aanbrengen van een laag zand onder de betonvloer hoort bij het overeengekomen werk en zij hebben niet betwist dat dit ook is uitgevoerd. [appellanten] stellen dat ONE alle werkzaamheden die zijn uitgevoerd onder offerte 1 in haar berekening heeft meegenomen, maar heeft niet toegelicht waaruit blijkt dat ONE deze grondwerkzaamheden heeft meegeteld. ONE noemt immers slechts de twee hiervoor genoemde posten. [appellanten] hebben dit dus onvoldoende onderbouwd waardoor het hof niet toekomt aan hun bewijsaanbod om ing. [naam2] van ONE te laten horen over de omvang van het door [geïntimeerde] (niet-)uitgevoerde werk. Het hof oordeelt daarom dat de kosten voor deze werkzaamheden (€ 518,13 excl. btw) moeten worden opgeteld bij het door ONE begrote bedrag voor het onder offerte 1 uitgevoerde – en daarmee overeengekomen – werk.



4.17.
De kosten voor de asbestinventarisatie en de onder offerte 1 uitgevoerde werkzaamheden komen samen uit op een bedrag van (€ 460,- + € 9.653,80 + € 9.689,64 + € 518,13 =) € 20.321,57 excl. btw, wat neerkomt op € 24.589,10 incl. btw.


c. het bedrag van offerte 2




4.18.
Offerte 2 sluit op € 199.417,38 excl. btw (€ 241.295,03 incl. btw). Het hof oordeelt dat partijen dus een vaste aanneemsom zijn overeengekomen van (€ 24.589,10 + € 241.295,03 =) € 265.884,13 incl. btw.



meerwerk





4.19.
Partijen verschillen verder van mening over de vraag of [geïntimeerde] meerwerk heeft uitgevoerd en zo ja, welke werkzaamheden dat zijn. Daarnaast staat ter discussie of [geïntimeerde] voor dat eventuele meerwerk extra kosten in rekening mocht brengen. [geïntimeerde] heeft een overzicht overgelegd (als productie 58 bij inleidende dagvaarding en productie 64 bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep en memorie van eis in incidenteel hoger beroep) waarop hij het volgens hem verrichte meerwerk heeft opgenomen (hierna: het meerwerkoverzicht). [appellanten] hebben verweer gevoerd tegen alle door [geïntimeerde] opgevoerde meerwerkposten. [appellanten] betogen dat zij, afgezien van de gewijzigde dakconstructie, [geïntimeerde] geen extra werkzaamheden hebben opgedragen. De werkzaamheden vielen volgens hen allemaal onder de scope van de opdracht. Daarnaast doen zij een beroep op artikel 7:755 BW. Dit artikel bepaalt dat in het geval de opdrachtgever toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wenst, de aannemer slechts een verhoging van de prijs kan vorderen als hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. [geïntimeerde] heeft voor geen enkel meerwerk een waarschuwing gegeven dat dit een prijsverhoging met zich zou brengen, zodat hij daarop ook geen aanspraak kan maken, aldus [appellanten] Het hof zal hierna de door [geïntimeerde] opgevoerde meerwerkposten langslopen en daarbij de verweren van [appellanten] bespreken.


1) meerwerk in verband met de aangepaste tekeningen van 11 augustus 2020




4.20.

[geïntimeerde] stelt ten eerste dat hij veel meerwerk heeft moeten verrichten omdat al kort na het begin van de werkzaamheden bleek dat de monumentale woonboerderij bouwtechnisch en constructief in veel slechtere staat verkeerde dan gedacht en dan door de architect in eerste instantie als uitgangspunt was genomen. De architect heeft op 11 augustus 2020 nieuwe tekeningen afgeleverd waarop wijzigingen in het werk ingetekend stonden en partijen hebben afgesproken het werk te baseren op deze nieuwe tekeningen, wat volgens [geïntimeerde] met zich bracht dat er meerwerk zou worden verricht ten opzichte van de eerste offerte. Waar eerst gebruik van de bestaande betonvloer was voorzien, moest nu de hele betonvloer gesloopt worden, de grond worden uitgegraven en een nieuwe, dikkere betonvloer gestort worden. Daarnaast moest de nieuwe vloer met zogenaamde inkassingen constructief met de wanden worden verbonden. Door de extra sloopwerkzaamheden heeft [geïntimeerde] ook meer bouwafval moeten afvoeren. Dit alles heeft volgens [geïntimeerde] € 28.216,50 excl. btw meer gekost dan in de eerste offerte begroot. Daarnaast moesten er meerdere onderdelen van de eerste verdiepingsvloer worden vervangen of verstevigd en daar een dubbele randbalk worden aangebracht, wat volgens [geïntimeerde] € 5.390,- excl. btw aan meerwerk betreft.



4.21.
Zoals het hof in rechtsoverweging 4.8. heeft overwogen, mochten [appellanten] als consument-opdrachtgevers ervan uitgaan dat de prijs waarvoor [geïntimeerde] het te verrichten werk op 29 september 2020 aanbood, gebaseerd was op de meest actuele, op 11 augustus 2020 besproken tekeningen. Niet ter discussie staat dat alle werkzaamheden die [geïntimeerde] in dit kader als meerwerk noemt, voortvloeien uit de architectentekeningen van 11 augustus 2020. Het komt voor zijn rekening en risico dat de door hem uitgebrachte offerte (en de daarin genoemde aanneemsom) van 29 september 2020 niet met die nieuwe architectentekeningen overeenkwam. Dat tijdens het overleg op 11 augustus 2020 het uit de architectentekeningen voortvloeiend meerwerk ten opzichte van offerte 1 besproken is en is afgesproken dat dit afzonderlijk in rekening zou worden gebracht, is niet komen vast te staan, omdat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij voor 11 augustus 2020 al een offerte had opgesteld en verstrekt aan [appellanten] Daarnaast is deze afspraak stellig door [appellanten] betwist. De extra werkzaamheden die [geïntimeerde] heeft moeten verrichten vanwege de aangepaste architectentekeningen van 11 augustus 2020 komen daarom niet als meerwerk voor vergoeding in aanmerking.


2) bouwplaatsinrichting




4.22.

[geïntimeerde] stelt € 5.000,- excl. btw aan extra kosten te hebben gemaakt voor de huur van een steiger. Al bij de rechtbank hebben [appellanten] deze post ter discussie gesteld. Zij hebben aangevoerd dat in de offertes al een post voor de steiger is opgenomen en dat het een raadsel is waarom daarvoor opnieuw kosten in rekening worden gebracht. Een onderbouwing ontbreekt, nog daargelaten dat dit geen meerwerk is, dat hiervoor geen opdracht is gegeven en dat niet is gewaarschuwd voor de noodzaak van een prijsverhoging, aldus steeds [appellanten] Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] toegelicht dat de gewijzigde keuze voor de dakbedekking meebracht dat gedurende vier maanden een steiger moest worden gehuurd. Voor het leggen van een normaal pannendak is een kraan nodig, maar omdat er besloten is houten V-delen op het dak te plaatsen, was volgens [geïntimeerde] een steiger noodzakelijk. In reactie daarop hebben [appellanten] opnieuw erop gewezen dat in de offertes al een post steigerwerk is opgenomen en betwist dat de keuze voor een andere dakbedekking (waarvoor partijen contant hebben afgerekend) tot gevolg heeft gehad dat langer steigers nodig waren. Het hof constateert dat [geïntimeerde] dat laatste ook niet nader heeft onderbouwd. Dat had naar het oordeel van het hof wel op zijn weg gelegen en daartoe heeft [geïntimeerde] – gezien het al bij de rechtbank gevoerde verweer – ook ruimschoots de gelegenheid gehad. Al om die reden kan het hof niet uitgaan van de door [geïntimeerde] opgevoerde meerwerkpost. Daarbij komt dat [geïntimeerde] niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging met betrekking tot het steigerwerk in verband met de gewijzigde keuze voor de dakbedekking en dat [appellanten] die noodzaak ook niet uit zichzelf had moeten begrijpen. Dat nog minder nu partijen al contant hadden afgerekend voor de gewijzigde keuze. [appellanten] beroepen zich met succes op artikel 7:755 BW. Het hof wijst deze meerwerkpost dus af.



4.23.

[geïntimeerde] noemt daarnaast op het meerwerkoverzicht kosten voor een toilet- en schaftvoorziening. Volgens [geïntimeerde] hadden partijen afgesproken dat [appellanten] dit zouden verzorgen en hebben [appellanten] de mogelijkheid geboden om van de voorzieningen in hun naastgelegen huurhuis gebruik te maken. Omdat dit volgens [geïntimeerde] niet wenselijk was in verband met vieze kleding en schoenen van de werklieden, heeft [geïntimeerde] zelf voor een toilet- en schaftvoorziening gezorgd. [appellanten] zou hem daarvoor € 3.250,- excl. btw verschuldigd zijn. Het hof wijst deze vordering af. [geïntimeerde] heeft, gelet op het feit dat [appellanten] een toilet- en schaftvoorziening in hun huurhuis ter beschikking hebben gesteld, niet onderbouwd waaruit volgt dat [appellanten] hem opdracht hebben gegeven deze toilet- en schaftvoorziening alsnog te verzorgen.


3) metselwerk




4.24.

[geïntimeerde] voert verder een meerwerkpost op voor metselwerk van de achtergevel voor een bedrag van € 1.940,- excl. btw. Op offerte 2 is een bedrag voor het metselen van de achtergevel opgenomen, maar de gevelstenen moesten voor hergebruik gereinigd worden (wat door [appellanten] onvoldoende was gedaan) en er moesten extra stenen besteld worden, aldus [geïntimeerde] . Het aanmetselen van de nieuwe slieten en het metselwerk aan de binnenzijde bij de poeren was volgens [geïntimeerde] evenmin voorzien en heeft respectievelijk € 1.490 excl. btw en € 700,- excl. btw gekost.



4.25.

[appellanten] voeren als algeheel verweer tegen de opgevoerde meerwerkposten voor het metselwerk aan dat hiervoor een bedrag op offerte 2 was opgenomen en dit dus onderdeel was van de opdracht. Dit verweer gaat niet op. Door [appellanten] is immers niet betwist dat er extra metselwerk is uitgevoerd, namelijk dat besloten is de achtergevel van de woonboerderij opnieuw op te metselen en dat de buitengevel gedeeltelijk hersteld moest worden vanwege de vervangen dakconstructie. [appellanten] betwisten dat de oorspronkelijke stenen van de achtergevel die zij hebben schoongemaakt, niet geschikt waren voor hergebruik en (verder) gereinigd moesten worden. Het hof acht het onvoldoende aannemelijk dat de stenen wél geschikt waren voor hergebruik. In een Whatsapp-bericht van 5 juli 2021 meldt [appellanten] aan [geïntimeerde] dat er specie c.q. stucwerk aan de stenen vastzit dat er moeilijk afgaat. Door [appellanten] is daarmee onvoldoende weersproken dat zij de stenen niet geheel hebben kunnen schoonmaken en extra reiniging noodzakelijk was. [appellanten] weerspreken verder dat [geïntimeerde] gevelstenen heeft moeten bijkopen. Ook dit verweer slaagt niet. [geïntimeerde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat door aanvullend metselwerk inkoop van meer stenen nodig was. Op zitting bij het hof heeft [geïntimeerde] daarover nog verklaard dat [appellanten] heeft gevraagd de verdieping van de garage te verhogen. [appellanten] hebben dat niet betwist. Het beroep van [appellanten] op artikel 7:755 BW op dit punt gaat niet op, omdat [appellanten] de noodzaak van een prijsverhoging hiervoor hadden moeten begrijpen. [appellanten] hadden moeten inzien dat voor extra metselwerk meer stenen benodigd waren en met reiniging van de stenen en inkoop van extra stenen kosten gemoeid zouden zijn. Tegen de meerwerkposten voor het aanmetselen van de nieuwe slieten en het metselwerk aan de binnenzijde van de woning bij de poeren hebben [appellanten] geen (ander) verweer gevoerd, zodat het hof deze posten ook zal toewijzen. Het bedrag aan meerwerk voor het metselwerk komt daarmee uit op € 4.130,- excl. btw (€ 4.997,30 incl. btw).


4) knieschotten en werkzaamheden badkamer




4.26.

[geïntimeerde] voert de volgende meerwerkposten op voor houtconstructies: € 2.780,- excl. btw voor het timmeren van knieschotten en € 500,- excl. btw voor betimmering van de badkamer. Met het storten van een betonvloer in de badkamer was een bedrag van € 1.600,- excl. btw gemoeid volgens [geïntimeerde] .



4.27.

[geïntimeerde] stelt op verzoek van [appellanten] op de eerste verdieping en de zolder knieschotten te hebben aangebracht en deze van passende bekleding te hebben voorzien. Dit was niet opgenomen in de offertes. [appellanten] voeren aan dat aanvankelijk de afspraak is gemaakt dat de binnenzijde van het dak tot in de punt zou worden afgewerkt, maar omdat dit omvangrijk maatwerk betreft heeft medewerker Swinkels van [geïntimeerde] [appellanten] gevraagd om dit werk te versimpelen door in plaats daarvan knieschotten te plaatsen. Dit onderdeel betreft het aftimmeren en behoort tot de aannemingsovereenkomst, aldus nog steeds [appellanten] , die ook hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] nooit heeft gewaarschuwd voor een prijsverhoging op dit punt. [geïntimeerde] heeft hier niet meer tegenin gebracht dan dat het niet nodig is om knieschotten aan te brengen omdat de aangebrachte verdiepingsvloer aansluit op het dakbeschot. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] daarmee niet voldoende betwist dat deze werkzaamheden als aftimmerwerk onderdeel van de overeenkomst uitmaken. Omdat [geïntimeerde] in het licht van de betwisting daarvan door [appellanten] verder onvoldoende heeft onderbouwd dat hij [appellanten] heeft gewaarschuwd voor een aan deze werkzaamheden gekoppelde prijsverhoging, moeten deze werkzaamheden voor rekening van [geïntimeerde] blijven en komen zij niet voor vergoeding als meerwerk in aanmerking. Het hof wijst deze meerwerkpost dus af.



4.28.

[appellanten] hebben verder volgens [geïntimeerde] aanvankelijk niet gevraagd de bouwkundige constructie van de badkamer te verzorgen, maar hebben tijdens de werkzaamheden [geïntimeerde] verzocht de badkamer te betimmeren, een betonvloer te storten, vloerverwarming daarop aan te brengen en muurtjes, verhogingen en een koof te plaatsen. Dit heeft extra kosten meegebracht. Volgens [appellanten] maakten deze werkzaamheden deel uit van de opdracht en zijn ze meegenomen in de overeengekomen aanneemsom. [appellanten] wijzen op hun e-mail van 9 maart 2020 die zij voorafgaand aan de offertes naar [geïntimeerde] hebben gestuurd, waarin staat opgenomen dat zij een badkamer gerealiseerd wensen. Daarnaast is door de architect de indeling van de badkamer ingetekend, aldus [appellanten] Het hof verwijst naar rechtsoverweging 4.8. waarin is overwogen dat het op de weg van [geïntimeerde] lag om zijn offerte te baseren op de meest actuele en besproken tekeningen en dat [appellanten] als consument-opdrachtgever er van mochten uitgaan dat de prijs waarvoor [geïntimeerde] het te verrichten werk aanbood gebaseerd is op de besproken werkzaamheden. Verder is daarin overwogen dat [appellanten] er niet van hoefden uit te gaan dat de offerte gebaseerd was op verouderde uitgangspunten en al helemaal niet voor zover dat niet uit de offerte zelf maar alleen uit de nadere technische specificaties in de bijlagen bij de offerte blijkt. Al in de e-mail van 9 maart 2020 hebben [appellanten] aangegeven dat zij de realisatie van een badkamer op de eerste verdieping wensen en in de tekeningen van de architect is ook een badkamer op de eerste verdieping ingetekend. Naar het oordeel van het hof betekent dit dat de badkamer behoort tot de opgedragen werkzaamheden waarvoor de vaste aanneemsom is afgesproken. Dat in de offerte niet uitdrukkelijk een kopje ‘realisatie badkamer’ of een ander kopje met deze strekking is opgenomen maakt dat niet anders, nu in de specificatie van de posten daarvan wel zaken als bijvoorbeeld ‘vloerverwarmingsinstallatie’ zijn opgenomen, die op een badkamer betrekking zouden kunnen hebben. [geïntimeerde] heeft in dit licht onvoldoende onderbouwd dat de werkzaamheden met betrekking tot de badkamer als meerwerk moeten worden aangemerkt.


5) dakelementen




4.29.

[geïntimeerde] vermeldt op zijn meerwerkoverzicht een post van € 3.950,- excl. btw voor het aanbrengen van V-delen op het dak. Partijen zijn dit meerwerk mondeling overeengekomen en hiervoor is € 3.000,- contant aan [geïntimeerde] betaald. Van deze meerwerkpost komt daarom slechts € 3.000,- voor vergoeding als meerwerk in aanmerking. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis onder 2.14. als vaststaand aangenomen dat dit bedrag inclusief btw is. Dat is door partijen in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat.



4.30.
De andere meerwerkpost die [geïntimeerde] onder het kopje ‘dakelementen’ aanvoert, is het leveren en plaatsen van boeidelen voor een bedrag van € 3.950,- excl. btw. [geïntimeerde] brengt naar voren dat hij op verzoek van [appellanten] deze boeidelen als afwerking van de dakbedekking heeft aangebracht en deze niet op een van de offertes vermeld waren. [appellanten] waren zich volgens [geïntimeerde] bewust van een prijsverhoging die uit dit meerwerk zou volgen. [appellanten] betogen dat het aanbrengen van boeidelen in eerste instantie al onderdeel was van de opdracht, omdat deze zijn opgenomen in de kleur- en materiaalstaat op de architectentekeningen van 11 augustus 2020. Het hof volgt [appellanten] in hun standpunt. Omdat de boeidelen als afwerking van de dakbedekking op de architectentekeningen van 11 augustus 2020 vermeld staan, hadden [appellanten] mogen verwachten dat deze werkzaamheden zouden worden uitgevoerd voor de op offerte 2 genoemde aanneemsom. Dat de kleur- en materiaalstaat waarop de boeidelen vermeld staan niet als onderlegger van de offertes heeft gediend, zoals [geïntimeerde] stelt, is door hem onvoldoende onderbouwd in het licht van de omstandigheid dat die kleur- en materiaalstaat als onderdeel van de tekeningen van 11 augustus 2020 is opgenomen zoals volgt uit de door [appellanten] in eerste aanleg overgelegde productie 6, pagina 72 van 92. In rechtsoverweging 4.8. is al overwogen dat [geïntimeerde] die tekeningen heeft ontvangen op 11 augustus 2020.


6) staalconstructie




4.31.
Partijen zijn het erover eens dat er een nieuwe staalconstructie in de woonboerderij is aangebracht, die niet in een van de offertes is opgenomen, maar wel door [appellanten] betaald moet worden. Partijen verschillen alleen van inzicht over de kosten hiervan. [appellanten] conformeren zich aan de berekening van ONE van de uitgevoerde werkzaamheden. ONE heeft de staalconstructie opgenomen in haar rapport voor een bedrag van € 6.900,- excl. btw. Volgens [geïntimeerde] waren de kosten € 8.700,- excl. btw en hij noemt daarbij in zijn specificatie onder andere het aanbrengen van HEA 220-profielen. Door [appellanten] is betwist dat in de woonboerderij HEA 220-profielen zijn aangebracht. Verder hebben [appellanten] aangevoerd dat [geïntimeerde] de arbeidskosten voor het aanbrengen van de staalconstructie en de kosten voor stelankers dubbel heeft berekend en dat er geen 50-tons kraan is ingezet door [geïntimeerde] , terwijl hij hiervoor wel kosten rekent. Gelet op deze betwistingen van [appellanten] heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat de kosten voor het aanbrengen van de staalconstructie € 8.700,- excl. btw bedragen en gaat het hof uit van een bedrag van € 6.900,- excl. btw.


7) rieten dakbedekking




4.32.

Onderdeel van de verbouwing was het vervangen van de rieten dakbedekking van
de woonboerderij en het leveren en plaatsen van 9 dakramen. [geïntimeerde] heeft [naam3]
BV (hierna: [naam3] ) benaderd met de vraag of zij deze werkzaamheden in zijn opdracht wilde uitvoeren. Naar aanleiding hiervan heeft [naam3] op 11 december 2020 een offerte van € 56.520,94 excl. btw aan [geïntimeerde] uitgebracht, die door hem is geaccordeerd, waarna [naam3] de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd. [geïntimeerde] heeft de facturen van [naam3] 1-op-1 aan [appellanten] doorberekend. [geïntimeerde] stelt dat een aantal werkzaamheden die in het kader van de rieten dakbedekking zijn verricht, meerwerk zijn.




4.33.

[appellanten] betwisten niet de offerte van [naam3] voor een totaalbedrag van € 56.520,94 excl. btw te hebben geaccordeerd. Onderdeel van die prijs is een bedrag van € 11.933,44 excl. btw voor het leveren en plaatsen van 9 dakramen van het merk Fakro. Op offerte 2 is voor de rieten dakwerkzaamheden een bedrag opgenomen van € 44.774,63 excl. btw, wat nagenoeg overeenkomt met het bedrag van de offerte van [naam3] min de prijs voor het leveren en plaatsen van de dakramen. [geïntimeerde] heeft geen verklaring gegeven waarom het op offerte 2 opgenomen bedrag voor de rieten dakwerkzaamheden (€ 44.774,63 excl. btw) verschilt van het bedrag dat [naam3] rekent voor de dakbedekkings-werkzaamheden min het leveren en plaatsen van de dakramen (€ 44.587,50 excl. btw). Het hof houdt daarom het bedrag aan dat [naam3] noemt en dat ook aan [appellanten] is gefactureerd. Voor zover [geïntimeerde] nog heeft bedoeld dat bedrag als meerwerk in rekening te brengen, heeft hij de grondslag daarvoor niet gesteld. Dit betekent dat op de aanneemsom van offerte 2 € 187,13 excl. btw (€ 226,43 incl. btw) in mindering moet worden gebracht. De prijs voor het leveren en plaatsen van de dakramen is ook in de berekening van ONE opgenomen als meerwerk, zodat het hof oordeelt dat [appellanten] het totaalbedrag van de offerte van [naam3] (€ 56.520,94 excl. btw) aan [geïntimeerde] verschuldigd zijn.



4.34.
Ten aanzien van de sloopkosten voor het oude dak begrijpt het hof de stellingen van [geïntimeerde] zo dat hij bedoelt dat de kosten die [naam3] hiervoor heeft gerekend (€ 6.702,50 excl. btw) voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat dit is meegenomen in het totaalbedrag van de offerte van [naam3] (€ 56.520,94 excl. btw) en deze kosten worden toegewezen, laat het hof dit onderdeel verder buiten beschouwing. Als [geïntimeerde] bedoeld heeft deze kosten los daarvan als meerwerk in rekening te brengen, kan het hof voor dit bedrag geen grondslag ontwaren in de processtukken van [geïntimeerde] , dan wel heeft [geïntimeerde] de grondslag dat het sloopwerk tegenviel en daarom als meerwerk in rekening kan worden gebracht gelet op het uitgangspunt dat sprake is van een vaste aanneemsom, onvoldoende onderbouwd.



4.35.
Voor het maken van de uitsparingen voor de dakramen en het aftimmerwerk aan de binnenzijde stelt [geïntimeerde] € 2.170,- excl. btw aan extra kosten te hebben gemaakt. Volgens [geïntimeerde] was de omvang van deze werkzaamheden nog niet duidelijk ten tijde van het uitbrengen van de offertes, zodat dit later als meerwerk aan hem is opgedragen. Op de offerte van [naam3] is ook expliciet vermeld dat het maken van uitsparingen niet in die opdracht is meegenomen. [appellanten] voeren aan dat het maken van de uitsparingen voor de dakramen op de tekeningen van de architect is vermeld en dus geen meerwerk betreft. Op de architectentekening zijn weliswaar dakramen ingetekend, waardoor het plaatsen van dakramen onderdeel van de opdracht is geworden, maar onweersproken is dat ten tijde van het uitbrengen van de offertes door [appellanten] nog niet besloten was welk type dakraam geplaatst zou worden waardoor de omvang van deze werkzaamheden en daarmee een inschatting van de prijs ook nog niet was te bepalen. Daarvoor heeft [naam3] een offerte uitgebracht. Vervolgens heeft [geïntimeerde] de daarin genoemde werkzaamheden die niet zijn inbegrepen in de door [naam3] uit te voeren werkzaamheden uitgevoerd. ONE heeft de werkzaamheden van [naam3] aangemerkt als meerwerk (zie ook rechtsoverweging 4.33.). De werkzaamheden die [geïntimeerde] op grond van de offerte van [naam3] heeft uitgevoerd zijn in navolging daarvan eveneens aan te merken als meerwerk.


8) waterinstallaties




4.36.

[geïntimeerde] stelt op verzoek van [appellanten] leidingen te hebben gelegd voor de door hen gewenste sprinklerinstallatie. Deze werkzaamheden zijn na het uitbrengen van de tweede offerte aan hem opgedragen en betreffen dus meerwerk ten bedrage van € 750 excl. btw. Ook voert [geïntimeerde] aan meerwerk te hebben verricht voor de inbouw van het wc-frame en de kranen in de badkamer voor de bedragen van respectievelijk € 630,- en € 550,- excl. btw. Daarnaast rekent [geïntimeerde] een bedrag van € 320,- excl. btw aan arbeid voor de - naar het hof begrijpt - genoemde werkzaamheden in de badkamer. [appellanten] erkennen dat [geïntimeerde] twee (extra) pvc-buizen heeft aangebracht voor de sprinklerinstallatie. Volgens hen kunnen die werkzaamheden echter niet meer dan een paar tientjes bedragen, terwijl [geïntimeerde] een bedrag rekent van € 750,- excl. btw, wat omgerekend circa 18 uur aan werk is. Daarnaast heeft [geïntimeerde] [appellanten] niet gewaarschuwd voor een prijsverhoging voor deze extra leidingen. Ten aanzien van de inbouw van het wc-frame voeren [appellanten] aan dat dit geen redelijke prijs is en zij betogen verder dat uiteindelijk geen kranen zijn geplaatst in de badkamer, alleen de inbouwelementen daarvoor, zodat zij de kosten daarvoor ook niet hoeven te dragen.



4.37.
Vaststaat dat [geïntimeerde] meerwerk heeft verricht voor de toevoerleidingen van de sprinklerinstallatie. [appellanten] hebben de hoogte van de genoemde prijs betwist, maar hebben gezien het feit dat [geïntimeerde] een aannemer is die dagelijks dergelijke prijzen calculeert, onvoldoende uitgelegd waarom deze kosten volgens hen niet redelijk zijn. Daarbij hebben zij niet concreet aangegeven wat de kosten volgens hen wel zijn. Verder hebben [appellanten] onvoldoende ingebracht tegen de stelling van [geïntimeerde] dat zij hadden moeten begrijpen dat met het aanbrengen van leidingwerk voor een sprinklerinstallatie – terwijl dit in eerste instantie niet was overeengekomen – extra kosten gemoeid zijn. Het hof wijst het bedrag van € 750,- excl. btw toe. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de werkzaamheden met betrekking tot de badkamer als meerwerk moeten worden aangemerkt. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 4.28. Dat brengt mee dat [geïntimeerde] ook niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat ten aanzien van de inbouw van het wc-frame en de kranen en de daarmee gemoeide arbeid sprake is geweest van meerwerk.




9) elektrotechnische installaties




4.38.

[geïntimeerde] stelt dat hij op 18 mei 2021 per e-mail het verzoek van [appellanten] kreeg tot aanpassing van de elektra in de woning (zie productie 23 bij de inleidende dagvaarding). Dit plan resulteerde volgens [geïntimeerde] in een forse uitbreiding van de elektrotechnische installatie, onder andere door een toename van het aantal wandcontactdozen met 85 stuks. Ook stelt [geïntimeerde] ten behoeve van de sprinklerinstallatie een extra elektrische aansluiting te hebben moeten maken in de berging. [appellanten] betwisten dat er 85 extra wandcontactdozen zijn geplaatst. Daarnaast voeren zij aan dat de reguliere prijs voor een wandcontactdoos op € 2,- incl. btw ligt, terwijl [geïntimeerde] een prijs van € 108,- per stuk rekent. [appellanten] betogen daarnaast dat zij bij het toesturen van hun wensen op het gebied van de elektra in de e-mail hebben aangegeven dat indien deze wensen (financiële) consequenties hebben, dit vooraf en voor de start van de werkzaamheden kenbaar gemaakt dient te worden. [appellanten] schrijven in de e-mail van 18 mei 2021: ‘Hierbij de scan van de elektra zoals wij deze bedacht hebben. Graag vooraf overleg indien afwijkend en voor aanvang/start aan deze werkzeemheden!!!’. Omdat [geïntimeerde] niets heeft laten weten voordat hij de elektra heeft gerealiseerd, mochten zij ervan uitgaan dat hier geen meerprijs voor gerekend zou worden, aldus [appellanten]



4.39.
Vaststaat dat [appellanten] nadat offerte 2 was uitgebracht hun (nadere) wensen kenbaar hebben gemaakt op het gebied van elektra. Dat is gebeurd door middel van de e-mail van 18 mei 2021. Hiervoor is al geoordeeld dat [geïntimeerde] meerwerk heeft verricht voor het aanleggen van de sprinklerinstallatie. Dat ten behoeve van de sprinklerinstallatie een extra elektrische aansluiting moest worden gemaakt in de berging wil het hof aannemen, maar dat komt niet tot uitdrukking in de specificatie van de post elektrotechnische installaties in het meerwerkoverzicht, zodat het hof daaraan voorbijgaat. In die specificatie is wel een bedrag voor een vloerverwarmingsmat opgenomen. Door [appellanten] is gesteld dat dit betrekking heeft op de badkamer. Dat is door [geïntimeerde] niet weersproken, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Al in rechtsoverweging 4.28. heeft het hof overwogen dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de werkzaamheden met betrekking tot de badkamer als meerwerk moeten worden aangemerkt. Dat brengt mee dat ook het voor de vloerverwarmingsmat opgevoerde bedrag niet toewijsbaar is. Dat de wensen met betrekking tot de wandcontactdozen en de door [geïntimeerde] in het meerwerkoverzicht opgenomen kabel niet vallen binnen de voor de elektrotechnische installaties begrote werkzaamheden zoals die zijn gespecificeerd in de offerte maar daarop een aanvulling zijn, heeft [geïntimeerde] in het licht van de betwisting niet voldoende onderbouwd en is het hof niet gebleken. Uit de e-mail volgt immers dat [appellanten] de bedoeling hebben gehad om met [geïntimeerde] te overleggen in het geval hun wensen afwijkend – naar het hof begrijpt: afwijkend van de afspraken – zijn en wel voorafgaande aan de uitvoering van die werkzaamheden. Uit de stellingen van [geïntimeerde] dat hij 85 extra wandcontactdozen naar aanleiding van de e-mail heeft geplaatst volgt al dat wat hem betreft sprake is geweest van een afwijking van de oorspronkelijke opdracht. Gelet op de e-mail van 18 mei 2021 en het uitdrukkelijke verzoek daarin had hij daarom, met [appellanten] moeten overleggen over deze afwijking van de afspraken en als hij van mening was dat sprake was van meerwerk [appellanten] er op moeten wijzen dat dit een prijsverhoging met zich bracht. Omdat hij dit niet heeft gedaan, mochten [appellanten] ervan uitgaan dat deze werkzaamheden binnen de overeengekomen vaste aanneemsom vielen. Deze meerwerkpost wordt daarom afgewezen.





4.40.
Concluderend, oordeelt het hof dat partijen het volgende meerwerk zijn overeengekomen (steeds exclusief btw):


 metselwerk € 4.130,00
 staalconstructie € 6.900,00
 dakramen € 11.933,44
 aftimmeren dakramen € 2.170,00
 waterinstallaties: leidingen sprinklerinstallaties € 750,00


 verschil offerteprijs [naam3] en offerteprijs [geïntimeerde] voor rietendakbedekking
€ 187,13



totaal € 26.070,57 excl. btw




en verder:


 V-delen dak € 3.000,00 incl. btw



minderwerk





4.41.
Het hof zal het tussen partijen overeengekomen minderwerk, voor zover relevant, meenemen bij vaststelling van de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden.



stelpost





4.42.
Tot slot voert [geïntimeerde] aan dat partijen de levering en plaatsing van gevelkozijnen met glas en een boerendeur zijn overeengekomen. Voor deze werkzaamheden moest een offerte worden opgevraagd bij een leverancier (hierna: [naam4] ), zodat de prijs op het moment van het uitbrengen van de offertes nog niet vaststond. Op offerte 2 is hiervoor een stelpost van € 12.600,- excl. btw opgenomen. De werkelijke kosten bedragen volgens [geïntimeerde] € 19.791,- excl. btw, maar hij heeft slechts € 18.491,- excl. btw bij [appellanten] in rekening gebracht, zodat sprake is van een meerprijs van € 5.891,- excl. btw ten opzichte van de stelpost. [appellanten] weerspreken niet dat sprake is van een stelpost en dat de werkelijke kosten voor deze werkzaamheden € 5.891,- excl. btw hoger uitvielen dan de opgenomen stelpost. [appellanten] betwisten wel dat [geïntimeerde] speciaal monumentaal glas heeft geplaatst, zoals hij op de meerwerkstaat heeft vermeld. [appellanten] brengen daarnaast naar voren dat [geïntimeerde] hen moest wijzen op de noodzaak van een prijsverhoging, omdat de werkelijke kosten het als stelpost opgenomen bedrag substantieel overschrijden.



4.43.
Het hof stelt voorop dat het bedrag van een stelpost een zogenaamde richtprijs betreft, zodat artikel 7:752 BW daarop van toepassing is. Dit betekent dat de prijs voor het onder de stelpost opgenomen werk met niet meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft gewaarschuwd, om hem de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen. [geïntimeerde] stelt dat hij de offerte en de tekeningen van [naam4] kort na ontvangst daarvan met [appellanten] heeft gedeeld, maar door [appellanten] is voldoende gemotiveerd betwist dat zij de offerte, met daarop de kosten voor de werkzaamheden, hebben ontvangen. Het hof komt tot dit oordeel omdat in het Whatsappbericht van 3 juni 2021 van [geïntimeerde] aan [appellanten] over de gewenste boerendeur wordt vermeld: “Deze deur heb je zelf vrije keus in vandaar even deze tekeningen dan kunnen we die mooi aanpassen (…)”. Over de bijbehorende offerte van [naam4] is niets vermeld in dit Whatsappbericht. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog gesteld dat [naam4] altijd één pdf stuurt, waarin zowel de offerte als de tekeningen staan, maar namens [appellanten] is er vervolgens terecht op gewezen dat in de e-mail van [naam4] aan [geïntimeerde] duidelijk is te zien dat er twee bijlagen zijn bijgevoegd: een pdf met de offerte en een pdf met de tekeningen. Ook overigens heeft [geïntimeerde] niet nader onderbouwd dat hij deze offerte aan [appellanten] heeft verstrekt. Door [geïntimeerde] is verder niet gesteld dat hij [appellanten] heeft gewezen op een prijsverhoging voor deze werkzaamheden, zodat slechts het bedrag van de stelpost plus 10% voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betekent dat [appellanten] € 12.600,- + € 1.260,- (10%) = € 13.860,- excl. btw aan [geïntimeerde] voor deze werkzaamheden verschuldigd zijn. Het hof merkt nog op dat [appellanten] aan hun vaststelling dat het bedrag van de stelpost in offerte 2 is verhoogd ten opzichte van offerte 1 geen voor het hof kenbare juridische consequenties heeft verbonden zodat het hof daaraan voorbijgaat.



vaststelling uitgevoerde werkzaamheden





4.44.
Het hof zal nu beoordelen welke werkzaamheden waren afgerond op 26 juli 2021, de datum waarop [appellanten] gestopt zijn met het betalen van facturen, en welk deel van de aanneemsom [appellanten] op die datum dus aan [geïntimeerde] verschuldigd waren te betalen. [appellanten] baseren zich voor de vaststelling en berekening van het uitgevoerde werk op het rapport van ONE. ONE heeft de werkzaamheden die zijn uitgevoerd vastgesteld op een bedrag van € 202.210,10 incl. btw. Het hof zal eerst de algemene bezwaren van [geïntimeerde] tegen het rapport van ONE behandelen, om daarna de uitvoering en waardering van de specifieke werkzaamheden te bespreken. Het rapport van de deskundige van ONE is meerdere malen in het geding gebracht. Het hof gaat bij haar bespreking uit van de laatste door [appellanten] ingebrachte versie van dit rapport, overgelegd als productie 42 bij memorie van grieven in het hoger beroep van [appellanten] Het hof overweegt daarnaast dat ONE haar rapport heeft gebaseerd op de stand van het werk ten tijde van haar bezichtiging op 15 oktober 2021. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] nog werkzaamheden heeft verricht nadat [appellanten] op 26 juli 2021 gestopt zijn met betalen, namelijk nog tot 18 augustus 2021. Zeer aannemelijk is dus dat de werkzaamheden minder ver gevorderd waren op 26 juli 2021 dan op 15 oktober 2021. Omdat [appellanten] niet hebben toegelicht welke werkzaamheden die ONE als afgerond heeft beschouwd pas na 26 juli 2021 verricht zijn (en op 26 juli 2021 dus nog niet betaald hoefden te worden), zal het hof voor de stellingen van [appellanten] over de stand van het werk op 26 juli 2021 aansluiten bij hetgeen ONE daarover heeft vastgesteld in haar rapport. Omdat het hof daarmee uitgaat van hetzelfde uitgangspunt als [appellanten] zelf ook hanteren, is hun bewijsaanbod om [naam2] (voornoemd) te laten horen op dit punt niet relevant.


1) bezwaren tegen deskundigenrapport ONE




4.45.

[geïntimeerde] betwist de juistheid van het rapport van ONE. Hij stelt dat hij slechts kort overleg heeft kunnen voeren met de deskundige tijdens de rondgang op de woonboerderij en geen redelijke termijn heeft gekregen om op het conceptrapport te reageren nadat hij dat toegestuurd kreeg. Omdat de deskundige uitgegaan is van onjuiste en onvolledige informatie over de uitgangspunten van de overeenkomst tussen partijen is de waarde van het rapport volgens [geïntimeerde] nihil.



4.46.
Het hof gaat hier niet in mee. [geïntimeerde] is uitgenodigd voor de bezichtiging van de woning door ONE op 15 oktober 2021. [geïntimeerde] heeft ter plaatse ook zijn input kunnen geven en gegeven, zoals hij zelf erkent. Dat van zijn input geen aantekening is gemaakt en dit niet in het rapport is meegenomen, maakt dit niet anders. ONE heeft verder uitgebreid toegelicht hoe zij tot haar berekening is gekomen. Zij is uitgegaan van de (bedragen op de) twee offertes en heeft als bijlagen bij het rapport de offertes opgenomen met daarop in geel gearceerd de werkzaamheden die volledig zijn uitgevoerd, in oranje gearceerd de werkzaamheden die gedeeltelijk zijn uitgevoerd en niet gearceerd de werkzaamheden die niet zijn uitgevoerd. Het had in het licht van die specificatie op de weg van [geïntimeerde] gelegen om concreet te onderbouwen wat er in deze vaststelling van uitgevoerde werkzaamheden ontbreekt of wat er aan de berekening van de verschuldigde aanneemsom voor de uitgevoerde werkzaamheden niet klopt. Dat heeft [geïntimeerde] zowel bij de rechtbank als in hoger beroep nagelaten. [geïntimeerde] heeft wel een eigen minderwerkstaat overgelegd, waarop hij het volgens hem niet uitgevoerde werk heeft opgenomen, zodat mogelijk a contrario daaruit kan worden afgeleid welk deel van het werk volgens [geïntimeerde] wel is uitgevoerd, maar [geïntimeerde] heeft dit niet toegelicht. Het was dan aan [geïntimeerde] om hier uitleg bij te geven en duidelijk te maken per post welke specifieke werkzaamheden wel zijn uitgevoerd. Dat [geïntimeerde] dit heeft nagelaten komt voor zijn risico, zodat het hof de berekening van ONE als uitgangspunt neemt.


2) berekening uitgevoerd werk




4.47.
Tegen deze achtergrond zal het hof nu de specifieke werkzaamheden langslopen aan de hand van de opsomming van ONE en beoordelen welk deel van het overeengekomen werk is uitgevoerd.



4.48.
ONE heeft bij de posten ‘21 Betonwerken poeren – stiepen’, ‘22 Metselwerken’, ‘24 Houtconstructies kapconstructie’ en ‘24 Houtconstructies dakelementen’ het gehele bedrag aangehouden zoals vermeld op offerte 2, zodat deze werkzaamheden als geheel uitgevoerd worden beschouwd.



4.49.
Op offerte 2 is voor houtconstructies en in het bijzonder binnen-/voorzetwanden een bedrag van € 36.037,18 excl. btw opgenomen. ONE heeft deze werkzaamheden voor een bedrag van € 18.459,30 excl. btw als uitgevoerd aangemerkt en daarbij de volgende verklaring gegeven. [appellanten] stellen 90% van de beplating van de voorzetwanden zelf te hebben aangebracht. [geïntimeerde] stelt dat dit slechts 10%-20% betrof. ONE heeft geconstateerd dat een substantieel deel, zeker 25%, van de werkzaamheden voor de gehele wandbeplating niet is uitgevoerd en neemt als uitgangspunt, aannemende dat de waarheid van de verklaringen van beide partijen ergens in het midden ligt, dat 75% van de beplating voor de voorzetwanden door [appellanten] is uitgevoerd. ONE rekent voor de uitgevoerde werkzaamheden onder deze post een bedrag van € 5.859,30 excl. btw. De buitenkozijnen zijn volgens ONE wel geplaatst, zodat [appellanten] daarvoor het in offerte 2 opgenomen bedrag van € 12.600,- excl. btw verschuldigd is (te vermeerderen met € 1.260,-, zoals hierboven in rechtsoverweging 4.43. toegelicht en hierna afzonderlijk opgenomen in de berekening in rechtsoverweging 4.61.). [geïntimeerde] brengt tegen dit alles slechts in dat ONE ten onrechte de werkzaamheden ten aanzien van de binnen-/voorzetwanden van de begane grond en de eerste verdieping bij elkaar heeft opgeteld, maar ontkent niet dat een deel van het werk niet is uitgevoerd. Het hof gaat daarom voor de binnen-/voorzetwanden uit van de door ONE berekende waarde van het uitgevoerde werk.



4.50.
ONE heeft het uitgevoerde werk voor de bintconstructies gewaardeerd op € 15.404,37 excl. btw. Dit is iets lager dan het hiervoor geoffreerde bedrag van € 16.292,67 excl. btw. Het verschil zit volgens ONE in de niet uitgevoerde werkzaamheden met betrekking tot de schoren. Door [geïntimeerde] is hiertegen geen verweer gevoerd, zodat het hof uitgaat van de juistheid van deze vaststelling en dit bedrag.


4.51.
De waarde van het uitgevoerde werk voor de rieten dakbedekking is volgens ONE € 41.160,- excl. btw. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.33. reeds overwogen dat de aanneemsom voor deze werkzaamheden wordt vastgesteld op het door [naam3] geoffreerde en aan [appellanten] doorberekende bedrag van € 44.587,50 excl. btw. Het verschil tussen deze bedragen zit volgens ONE in het impregneren van het rieten dak, dat niet is uitgevoerd. Dit is door [geïntimeerde] is erkend, zodat het hof uitgaat van de door ONE vastgestelde waarde van het uitgevoerde werk voor de rietendakbedekking.



4.52.
ONE heeft het uitgevoerde werk voor ‘dekvloeren en vloersystemen’ gewaardeerd op € 7.452,87 excl. btw. Het verschil met het geoffreerde bedrag voor deze werkzaamheden komt voort uit het bedrag voor de arbeid en het materiaal voor de vloerisolatie, waarvan [appellanten] stellen dit zelf te hebben aangebracht. [geïntimeerde] noemt op zijn minderwerkoverzicht een bedrag van € 720,72 excl. btw (wat gelet op de omschrijving naar het hof aanneemt alleen de arbeidskosten voor het aanbrengen van de isolatie betreft). Hij betoogt dat hij het isolatiemateriaal voor de begane grond vloer wel heeft geleverd, maar dat [appellanten] dit zelf hebben aangebracht. Door [appellanten] is dit onvoldoende betwist. Zij noemen als door hen zelf uitgevoerd in randnummer 26 van hun memorie van grieven ook slechts het aanbrengen van vloerisolatie op de begane grond en niet levering van het materiaal daarvoor. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vloerisolatie van de eerste verdiepingsvloer door [appellanten] zelf is verricht (zowel levering van het materiaal als het aanbrengen daarvan). [geïntimeerde] betoogt echter dat de isolatie van de eerste verdiepingsvloer in het geheel geen onderdeel van de overeenkomst was en de geoffreerde bedragen voor vloerisolatie slechts zien op de begane grondvloer. In dat licht hebben [appellanten] onvoldoende toegelicht welk minderbedrag gemoeid is met isolatie van de eerste verdiepingsvloer. Het hof zal daarom slechts de arbeidskosten voor het aanbrengen van de isolatie als niet uitgevoerd aanmerken en stelt de waarde van uitgevoerde werk voor ‘dekvloeren en vloersystemen’ daarom vast op (€ 7.452,87 + € 2.583 =) € 10.035,87 excl. btw.



4.53.
ONE heeft in haar rapport toegelicht dat het binnendeel van de riolering wel is aangelegd, maar het buitendeel niet en dat zij daarom 50% van het bedrag van de post riolering uit de offerte als uitgevoerde werkzaamheden heeft aangehouden. [geïntimeerde] erkent dat een deel van de rioleringswerkzaamheden, namelijk de aansluiting op de bestaande riolering, niet is uitgevoerd. Op offerte 2 is zowel een post ‘14 buitenriool’ (€ 733,82 excl. btw) als een post ‘51 binnenriolering’ (€ 1.303,30 excl. btw) opgenomen. Omdat partijen het erover eens zijn dat het binnendeel van de riolering wel is uitgevoerd, maar deze niet op de bestaande riolering is aangesloten en ONE verder geen uitleg heeft gegeven over hoe zij met deze beide posten rekening heeft gehouden in haar berekening, stelt het hof vast dat de werkzaamheden onder de post binnenriolering zijn uitgevoerd en de werkzaamheden onder de post buitenriolering niet. Dit is ook erkend door de advocaat van [appellanten] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Voor zover [appellanten] een bewijsaanbod hebben gedaan om [naam2] (voornoemd) te laten horen over ‘de omvang van het door [geïntimeerde] uitgevoerde en niet-uitgevoerde werk’ is dat bewijsaanbod dus niet relevant. En voor het overige verwijst het hof naar wat het hierna overweegt over dat bewijsaanbod in rechtsoverweging 4.69. Dat geldt mutatis mutandis evenzo voor de berekening van het uitgevoerde werk. Dit betekent dat [appellanten] (€ 1.303,30 - € 651,65,- =) € 651,65 excl. btw meer moeten betalen dan door ONE is berekend.



4.54.
Volgens ONE zijn werkzaamheden voor een bedrag van € 845,19 excl. btw verricht aan waterinstallaties door [geïntimeerde] . € 233,73 (€ 189,63 ‘Boiler close-in 2.2 kw’ en € 44,10 ‘Basis boileraansluitset’) staat als niet uitgevoerd aangemerkt, omdat dit het minderwerk voor de aansluiting van de boiler betreft. Hoewel [geïntimeerde] de boileraansluitset niet in zijn eigen minderwerkoverzicht heeft opgenomen, heeft hij niet weersproken dat de boiler niet is geïnstalleerd en daarmee ook de boileraansluitset als minderwerk moet worden beschouwd, zoals [appellanten] stellen. Daarom schaart het hof dit bedrag, conform de berekening van ONE, onder het niet uitgevoerde werk. Door ONE zijn in haar specificatie andere werkzaamheden, waaronder 17 arbeidsuren, voor de waterinstallaties als niet uitgevoerd aangemerkt voor een totaalbedrag van € 780,13 excl. btw (€ 34,63 ‘Pers muurplaat dubbel 16x16x1/2’, € 31,50 ‘Plugclip, transparant 16-19mm’ en € 714,- ‘Waterinstallaties’). [geïntimeerde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat het hof het uitgevoerde werk – conform de berekening van ONE – voor de waterinstallaties waardeert op € 845,19.



4.55.
ONE heeft het uitgevoerde werk voor de verwarmingsinstallaties gewaardeerd op € 4.112,49 excl. btw. Het niet uitgevoerde werk betreft volgens de specificatie van ONE de aansluiting van de radiatoren. [geïntimeerde] voert aan dat de waterleidingen waren aangelegd, maar betwist niet dat de radiatoren niet zijn aangesloten, zodat het hof het uitgevoerde werk voor de verwarmingsinstallaties vaststelt op het door ONE berekende bedrag.



4.56.
Het offertebedrag voor de cv-ketel, ventilatie en luchtbehandeling en de elektrotechnische installaties betreft opgeteld € 14.214,13 excl. btw. ONE waardeert het uitgevoerde leidingwerk voor de cv-ketel, ventilatie en luchtbehandeling en de elektra op totaal € 2.000,- excl. btw. Het overige deel van deze werkzaamheden is volgens ONE niet verricht en komt niet voor vergoeding in aanmerking. Volgens ONE blijkt uit door haar tijdens de bezichtiging genomen foto’s (overgelegd als productie 41 bij memorie van grieven) dat de installatietechnische werkzaamheden (CV, E en W) zich nog in een beginstadium bevonden. Overal staken leidingen uit en vrijwel niets was aangesloten, aldus ONE. Daarnaast waren het overgrote deel van de water- en cv-leidingen niet aangelegd. [geïntimeerde] betwist dit. Hij stelt dat het grootste deel van het leidingwerk al was verricht voor de casco bouw. De vloerverwarming met verdelers was al aangelegd. Het is juist dat er leidingen uitstaken op plaatsen, zoals ONE heeft opgemerkt, maar dat komt omdat er op die plaatsen nog een keukenkastje, wasbak of radiator zou komen. Alleen de cv-installatie zelf moest nog worden geïnstalleerd; dat zou volgens [geïntimeerde] € 2.000,- excl. btw betreffen. Voor wat betreft de elektrotechnische installaties stelt [geïntimeerde] , volgens zijn ‘minderwerkstaat’, dat daarvan slechts € 4.544,38 excl. btw niet is uitgevoerd. De wandcontactdozen (stopcontacten) waren aangelegd en ook de bedrading, onder meer naar de plafonds. Op de foto’s van ONE zijn die elektrakabels ook te zien. Zodra het plafond gegipst was, konden er spotgaten geboord worden en de spots worden aangesloten. Verder waren volgens [geïntimeerde] alle elektrapijpen goed aangebracht en kwamen deze uit op de plek waar [appellanten] de nieuwe meterkast wilde hebben.



4.57.
Omdat [geïntimeerde] toegeeft dat de cv-ketel niet is geïnstalleerd en deze installatie € 2.000,- zou kosten, oordeelt het hof dat de post ’60 cv-ketel’ in het geheel niet is uitgevoerd en dus niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat de werkzaamheden genoemd onder de post ’61 ventilatie en luchtbehandeling’ niet zijn uitgevoerd, is door [geïntimeerde] evenmin betwist, zodat [appellanten] ook deze werkzaamheden niet hoeven te betalen. Het hof oordeelt verder dat [geïntimeerde] voldoende heeft onderbouwd dat hij op het gebied van de elektrotechnische installaties meer werk heeft verricht dan ONE als uitgevoerd heeft vastgesteld. Op de door ONE gemaakte foto’s zijn aangebrachte leidingen en kabels te zien. Dat deze nog niet zijn af- of weggewerkt, maakt naar het oordeel van het hof niet dat [geïntimeerde] deze werkzaamheden in het geheel niet heeft uitgevoerd. [appellanten] hebben dat onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat het hof uitgaat van de waarde van het uitgevoerde werk voor de elektrotechnische installaties zoals [geïntimeerde] dat heeft vastgesteld, namelijk € 10.497,94 - € 4.544,38 = € 5.953,56.



4.58.
ONE heeft een aantal posten van offerte 2 niet opgenomen in haar berekening van het uitgevoerde werk, omdat deze werkzaamheden volgens haar in het geheel niet zijn verricht. De posten ‘40 stukadoorwerk’, ‘45 binnentimmerwerk’, ‘46 binnen schilderwerken’, ‘50 dakgoten en hwa’s’ zijn erkend minderwerk en dus niet uitgevoerd, zodat het hof hieraan verder voorbijgaat. De andere twee posten, ‘44 gipsplafonds’ en ‘55 gasinstallaties’ zijn door [geïntimeerde] ook op zijn eigen ‘minderwerkstaat’ opgenomen. Hij erkent deze werkzaamheden dus niet te hebben uitgevoerd. Het hof conformeert zich voor deze posten daarom eveneens aan de berekening van ONE.



4.59.
ONE neemt ten slotte in haar berekening van de waarde van het uitgevoerde werk een bedrag op van € 500,- voor de CAR-verzekering. Dat is lager dan het in offerte 2 opgenomen bedrag. Door [geïntimeerde] is hiertegen echter geen verweer gevoerd, zodat het hof uitgaat van de door ONE vastgestelde kosten voor de CAR-verzekering.



4.60.
In rechtsoverweging 4.40. heeft het hof geoordeeld dat partijen meerwerk zijn overeengekomen voor een totaalbedrag van € 26.070,57 excl. btw en (een contant afgerekend bedrag van) € 3.000,- incl. btw. Daarbij is geoordeeld dat dit meerwerk ook daadwerkelijk door [geïntimeerde] is verricht. [appellanten] stellen dat ONE in haar berekening al rekening heeft gehouden met eventueel meerwerk, zodat, als er al meerwerk zou zijn overeengekomen, dit niet moet worden opgeteld bij de waarde van het werk zoals ONE dat heeft berekend. Het hof volgt [appellanten] hierin niet. ONE heeft immers toegelicht de waarde van het werk te hebben vastgesteld aan de hand van de twee offertes, wat ook blijkt uit de bijlagen bij het rapport van ONE. Het meerwerk is logischerwijs niet op die offertes opgenomen. [appellanten] hebben verder evenmin toegelicht in welke posten ONE de bedragen aan meerwerk zou hebben verdisconteerd. [appellanten] hebben dit dus onvoldoende onderbouwd. Het totaalbedrag aan meerwerk moet dus bij de door ONE vastgestelde waarde van het werk worden opgeteld. Dat geldt ook voor de in rechtsoverweging 4.43. besproken stelpost.



4.61.
Het hof stelt de waarde van het uitgevoerde werk excl. btw op 26 juli 2021 vast op:



Asbestinventarisatie € 460,00


Grondwerken € 518,13


Betonwerken betonvloer begane grond € 9.653,80


Houtconstructies verdiepingsvloer € 9.689,64





Betonwerken poeren – stiepen € 378,00


Metselwerken € 2.892,18


Houtconstructies wanden en kozijnen € 18.459,30


Houtconstructies kapconstructie € 6.477,78


Houtconstructies bintconstructie € 15.404,37


Houtconstructies dakelementen € 28.691,85


Dakbedekkingen riet € 41.160,00


Dekvloeren en vloersystemen € 10.035,87


Binnenriolering € 1.303,30


Waterinstallaties € 845,19


Verwarmingsinstallaties € 4.112,49


Elektrotechnische installaties € 5.953,56



- Stelpost buitenkozijnen € 1.260,00

- Aangetoond meerwerk exclusief contante betaling € 26.070,57



subtotaal excl. btw € 183.366,03


subtotaal incl. btw € 221.872,90





Contant betaald meerwerk inclusief btw (V-delen dak) € 3.000,00


CAR € 500,00





totaal incl. btw € 225.372,90





4.62.
Het hof oordeelt dat [appellanten] op 26 juli 2021 € 225.372,90 incl. btw aan [geïntimeerde] verschuldigd waren. Op die datum hadden [appellanten] al € 238.104,70 incl. btw (en dus € 12.731,80 incl. btw te veel) aan [geïntimeerde] betaald. [appellanten] waren dan ook niet gehouden de op 26 juli 2021 door [geïntimeerde] aan [appellanten] gestuurde factuur 2021 686 te betalen.



4.63.

[geïntimeerde] vordert in incidenteel hoger beroep dat [appellanten] aan hem de openstaande facturen betaald. Gelet op het voorgaande wijst het hof de vordering van [geïntimeerde] af. Voor toewijzing van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is onder deze omstandigheden ook geen plaats.



gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst





4.64.
Omdat [appellanten] niet tot betaling gehouden waren, heeft [geïntimeerde] het werk op 18 augustus 2021 ten onrechte neergelegd en zich 30 augustus 2021 bij Whatsappbericht ongerechtvaardigd op opschorting beroepen. Dat betekent dat [geïntimeerde] per 30 augustus 2021 direct in verzuim is komen te verkeren. Daarmee staat ook vast dat [geïntimeerde] met betrekking tot het niet uitgevoerde werk is tekortgeschoten. Het hof gaat daarom voorbij aan de stellingen van [geïntimeerde] over de tekortkoming en het intreden van verzuim.



4.65.

[geïntimeerde] voert nog aan dat [appellanten] dit verzuim hebben prijsgegeven door [geïntimeerde] na het intreden van het verzuim alsnog een termijn van 21 dagen te geven om de overeenkomst na te komen, maar dit gaat niet op. De Hoge Raad heeft bepaald dat als een schuldeiser na het intreden van het verzuim de schuldenaar in de gelegenheid stelt om alsnog na te komen, dat niet betekent dat de schuldeiser afstand doet van zijn recht om zich op het eerder ingetreden verzuim te beroepen, of dat recht verwerkt.



4.66.
Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] de overeenkomst partieel ontbonden voor dat deel van het werk dat nog niet was uitgevoerd. [geïntimeerde] betoogt nog dat de (partiele) ontbinding niet rechtsgeldig is, omdat [appellanten] de ontbinding van de overeenkomst niet hebben gebaseerd op de onterechte opschorting door [geïntimeerde] , maar op grond van bedreiging, maar het hof ziet dat anders. In de mail van de rechtsbijstandsverzekeraar van 13 september 2021 waarin [appellanten] de overeenkomst gedeeltelijk hebben ontbonden, noemen [appellanten] dat [geïntimeerde] in gebreke en verzuim is gebleven in het kader van de uitvoering van de overeenkomst en stellen zij dat uit het handelen en de opmerkingen van [geïntimeerde] blijkt dat hij geen verdere werkzaamheden meer zal verrichten. Daarna wordt opgemerkt dat [appellanten] ‘gezien het vorenstaande’ de overeenkomst met [geïntimeerde] partieel ontbinden. Geen grief is verder gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] ervan uitging dat hij een gerechtvaardigd beroep op opschorting deed, geen omstandigheid is die aan de tekortkoming een zo bijzondere aard geeft dat deze de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst door [appellanten] niet rechtvaardigt, zodat dit in hoger beroep vaststaat. Het hof zal daarom de verklaring voor recht van de rechtbank dat de overeenkomst tussen partijen partieel is ontbonden voor dat deel van het werk dat door [geïntimeerde] niet is uitgevoerd, bekrachtigen.



4.67.
Aan de door [appellanten] in hun grief 2 toegelichte subsidiaire vordering tot een verklaring voor recht dat de aannemingsovereenkomst geheel is ontbonden of tot algehele ontbinding van die overeenkomst komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe.



gevolgen gedeeltelijke ontbinding





4.68.
Het voorgaande brengt mee dat [appellanten] de overeenkomst op goede gronden hebben ontbonden voor het deel van de werkzaamheden dat niet is uitgevoerd. Deze gedeeltelijke ontbinding heeft een aantal gevolgen. De wet bepaalt in artikel 6:271 BW dat ontbinding van een overeenkomst partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen. [geïntimeerde] hoeft het werk dus niet af te maken voor zover dat nog niet is uitgevoerd en [appellanten] hoeft het resterende deel van de aanneemsom niet te betalen. Artikel 6:271 BW bepaalt ook dat voor zover het ontbonden deel van de overeenkomst al is nagekomen, er voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking ontstaat voor de reeds ontvangen prestaties. [geïntimeerde] betwist niet dat hij een deel van het werk niet heeft uitgevoerd. [appellanten] stellen € 35.894,60 te veel te hebben betaald aan [geïntimeerde] en vorderen terugbetaling van dit bedrag. Het hof begroot het verschil tussen de waarde van het uitgevoerde werk en het bedrag dat door [appellanten] is betaald op € 12.731,80 incl. btw (zie hiervoor rechtsoverweging 4.62.) en wijst hierna de vordering van [appellanten] tot terugbetaling tot dat bedrag toe.



schadevergoeding voor meerkosten (artikel 6:277 BW)





4.69.

[appellanten] vorderen daarnaast schadevergoeding op basis van artikel 6:277 BW voor de extra kosten die zij hebben moeten maken om het werk te laten afronden door andere aannemers. In artikel 6:277 BW is bepaald dat de partij van wie de tekortkoming een grond voor (gedeeltelijke) ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is de schade te vergoeden die de wederpartij lijdt doordat de overeenkomst niet is nagekomen maar (gedeeltelijk) ontbonden. Gezien het feit dat [geïntimeerde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst, omdat hij het werk niet heeft afgemaakt (zoals in het voorgaande geoordeeld), en [appellanten] op grond van deze tekortkoming de overeenkomst gedeeltelijk hebben ontbonden, is [geïntimeerde] gehouden de schade die [appellanten] hierdoor hebben geleden, in beginsel te vergoeden. Deze schade bestaat uit het verschil tussen de kosten die [appellanten] hadden moeten maken als [geïntimeerde] het werk had voltooid en hetgeen zij hebben moeten betalen aan andere aannemers om het werk af te ronden. [appellanten] baseren zich voor hun vordering op het rapport van ONE, waarin een berekening is gegeven van deze meerkosten (zie rechtsoverweging 3.2.). [geïntimeerde] heeft ten aanzien van deze meerkosten ofwel het verweer gevoerd dat het werk (in deze omvang) niet noodzakelijk is ofwel de kosten te hoog zijn. Het hof zal nu de door [appellanten] opgevoerde en door [geïntimeerde] bestreden meerkosten per post behandelen. Het hof merkt daarbij het volgende op. [appellanten] stellen dat de berekening van ONE is gebaseerd op door [appellanten] opgevraagde, marktconforme offertes. Deze offertes zijn echter niet in de procedure ingebracht. Het hof heeft dat [appellanten] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden. In reactie daarop hebben zij aangeboden de offertes alsnog in het geding te brengen als het hof dat nodig vindt voor een te maken schatting. Aan dat tardieve ‘aanbod’ gaat het hof voorbij omdat het dit in strijd acht met de regels van een goede procesorde die ook meebrengen dat [appellanten] , die al langere tijd de beschikking over de offertes hebben, deze al veel eerder in het geding hadden kunnen brengen. [appellanten] hebben dus al ruimschoots de gelegenheid gehad hun vordering concreet met stukken te onderbouwen. Het komt voor hun risico dat zij dit niet hebben gedaan. Voor zover [appellanten] daarnaast een bewijsaanbod hebben gedaan om [naam2] (voornoemd) te laten horen over ‘hoe de berekening van de meerprijs tot stand is gekomen’ stelt het hof vast dat [naam2] daarover al heeft verklaard in het rapport. Daarin is immers opgenomen dat de meerkosten zijn vastgesteld op basis van offertes en bevindingen van ONE ter plaatse (zie rechtsoverweging 3.2.). Het hof acht dit bewijsaanbod daarom niet relevant op dit punt. Deze gang van zake is illustratief voor de hiervoor in rechtsoverweging 4.1. bedoelde wijze van procederen van beide partijen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is duidelijk geworden dat veel werkzaamheden inmiddels zijn afgerond en [appellanten] hebben dus kennis van de werkelijk gemaakte kosten. Inzicht in deze werkelijk gemaakte kosten is om [appellanten] moverende redenen niet aan het hof verschaft. [appellanten] hebben ook niet aangeboden dat inzicht alsnog te verschaffen en/of bewijs van de werkelijk gemaakte kosten in het geding te brengen. Het hof zal daarom, vanwege deze magere onderbouwing, veel bedragen, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , als onvoldoende onderbouwd afwijzen.


1) aanbrengen plafonds




4.70.

[appellanten] stellen dat zij voor het aanbrengen van de plafonds (€ 20.830,15 - € 5.462,38 =) € 15.367,77 incl. btw meerkosten moeten maken. Door [geïntimeerde] is erkend dat de werkzaamheden voor de (gips)plafonds niet zijn uitgevoerd, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.58., maar [geïntimeerde] weerspreekt de hoogte van het bedrag voor het afronden van deze werkzaamheden. [geïntimeerde] voert aan dat de kosten voor afronding van dit werk maximaal € 5.800 incl. btw zouden kunnen bedragen. Het hof oordeelt dat [appellanten] deze meerkosten onvoldoende hebben onderbouwd. ONE voert bij deze kosten aan dat aannemers die gevraagd worden het werk van een ander af te maken, een toeslag berekenen en bedragen daarom hoger kunnen uitvallen dan oorspronkelijk gecalculeerd, maar dit biedt onvoldoende verklaring voor het feit dat de begrote kosten bijna vier keer zo hoog zijn als het door [geïntimeerde] geoffreerde bedrag voor het aanbrengen van plafonds. Het hof zal de meerkosten daarom slechts toewijzen voor het verschil tussen het door [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord genoemde bedrag (€ 5.800 incl. btw) en het geoffreerde bedrag (€ 5.462,38 incl. btw) = € 337,62 incl. btw.


2) houtconstructies




4.71.
Volgens [appellanten] zijn de volgende kosten (incl. btw) gemoeid met het afronden van de werkzaamheden voor de houtconstructies:



Aftimmerwerk wanden en kozijnen € 12.992,50


Leveren schuurdeuren € 1.269,99


Leveren sloten € 772,17


Bouwmaterialen Bouwcenter en isolatie € 7.718,84


Raamdorpels € 586,10


Beglazing € 4.734,12




Dit bedrag - € 28.073,72 incl. btw - komt volgens [appellanten] voort uit veel aftimmerwerkzaamheden die nog moeten worden uitgevoerd en een groot deel te leveren materiaal. De beglazing had [geïntimeerde] volgens [appellanten] aanvankelijk wel geleverd, maar heeft hij weer meegenomen, zodat [appellanten] dat opnieuw moest aanschaffen. [appellanten] stellen dat de werkzaamheden voor ‘leveren schuurdeuren’, ‘leveren sloten’ en ‘raamdorpels’ vallen onder de geoffreerde stelpost ‘buitenkozijnen’, zodat dit onderdeel was van het werk. [geïntimeerde] weerspreekt dat een (groot) deel van de houtconstructie nog moest worden uitgevoerd en daarvoor dus meerkosten verschuldigd zijn. [geïntimeerde] meent dat het slechts gaat om kopplaten en dagkanten en dat voor het plaatsen daarvan een bedrag van € 2.500,- redelijk is. Hij betwist daarnaast dat het plaatsen van schuurdeuren, sloten en raamdorpels onderdeel was van de overeenkomst.




4.72.
Zoals het hof in rechtsoverweging 4.42. en 4.43. reeds heeft geoordeeld, is door [appellanten] niet betwist dat de werkzaamheden die vallen onder de stelpost ‘buitenkozijnen’ zijn uitgevoerd. [appellanten] hebben dus onvoldoende onderbouwd meerkosten te hebben moeten maken voor het (laten) afronden van deze werkzaamheden. Voor wat betreft het aftimmerwerk voor de wanden en kozijnen oordeelt het hof als volgt. Het geoffreerde bedrag voor deze werkzaamheden betrof € 36.037,18 excl. btw. Dat is inclusief een stelpost voor de buitenkozijnen van € 12.600 excl. btw. Als de stelpost buitenkozijnen buiten beschouwing wordt gelaten is het geoffreerde bedrag voor het aftimmerwerk € 23.437,18. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.49. vastgesteld (conform hetgeen [appellanten] heeft aangedragen) dat het uitgevoerde werk voor deze post (met uitzondering van de buitenkozijnen) een waarde heeft van € 5.859,30 excl. btw, zodat het niet uitgevoerde werk (€ 23.437,18 - € 5.859,30 =) € 17.577,88 excl. btw (21.269,23 incl. btw) bedraagt. De kosten voor afronding van het aftimmerwerk van de wanden en kozijnen bedragen volgens [appellanten] € 12.992,50 incl. btw. Ook als het hof de kosten voor de bouwmaterialen (€ 7.718,84 incl. btw) hierbij optelt, overstijgen de kosten de door [geïntimeerde] geoffreerde prijs niet en hebben [appellanten] door het laten uitvoeren van deze werkzaamheden door een andere aannemer dus geen schade geleden die [geïntimeerde] moet vergoeden. Daarnaast merkt het hof op dat het leveren en aanbrengen van vloerisolatie minderwerk betreft (zie rechtsoverweging 4.52.), zodat, zoals [geïntimeerde] terecht opmerkt, deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Tot de post buitenkozijnen behoorde ook de beglazing. Partijen hebben daartussen evenwel (weinig inzichtelijk) een onderscheid gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen heeft [appellanten] in het kader van het debat over het meerwerk niet betwist dat de werkzaamheden die vallen onder de stelpost ‘buitenkozijnen’ zijn uitgevoerd. In rechtsoverweging 4.43. is overwogen dat [appellanten] daarvoor € 13.860,- (€ 12.600,- + € 1.260,- (10%)) aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Dat bedrag is in rechtsoverweging 4.61. ook opgenomen in het overzicht van het uitgevoerde werk, waarbij het bedrag van € 12.600,- deel uitmaakt van het daar opgevoerde bedrag van € 18.459,30 voor ‘Houtconstructies wanden en kozijnen’ en het bedrag van € 1.260,- afzonderlijk onder de noemer ‘Stelpost buitenkozijnen’ is opgenomen. In het kader van de door [appellanten] gestelde meerkosten hebben zij vervolgens onweersproken gesteld dat het glas in de voorgevel en zijingang niet is geplaatst en door [geïntimeerde] weer is meegenomen. [geïntimeerde] voert aan dat hij het glas heeft ingekocht, maar weer heeft meegenomen. Voor de buitenkozijnen mét beglazing mocht [geïntimeerde] niet meer in rekening brengen dan het eerder genoemde bedrag van € 13.860,-, hoewel de kosten daarvan hoger waren. Dat betekent dat voor de beglazing is betaald. Nu de beglazing niet is aangebracht, zijn de volledige kosten voor het alsnog plaatsen van het glas in de voorgevel en zijingang meerkosten als gevolg van de ontbinding. ONE is daarvoor uitgegaan van een bedrag van € 4.373,70. Dat bedrag, dat is gebaseerd op een offerte die niet is overgelegd, is door [geïntimeerde] niet betwist. Het hof gaat daarom uit van dit bedrag.


3) impregneren dak




4.73.
Niet ter discussie staat dat het dak niet is geïmpregneerd. In offerte 2 was hiervoor een bedrag van € 3.614,64 excl. btw opgenomen en ONE rekent voor afronding van deze werkzaamheden hetzelfde bedrag. [appellanten] hebben dus onvoldoende onderbouwd meerkosten te moeten maken om het werk door een andere aannemer te laten afronden. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van [geïntimeerde] dat op dit punt sprake is van minderwerk.


4) afronden riolering




4.74.

[appellanten] stellen € 1.034,91 incl. btw kosten te (hebben) moeten maken aan het afronden van de riolering, terwijl in offerte 2 voor de werkzaamheden aan het buitenriool een bedrag van € 887,92 incl. btw was opgenomen. [geïntimeerde] voert geen verweer tegen deze meerkosten, zodat het hof deze vaststelt op een bedrag van (1.034,91 - € 887,92 =) € 146,99 incl. btw.


5) cv-installatie en elektra afronden




4.75.

[appellanten] voeren € 20.328,- incl. btw aan kosten op voor het afronden van de cv-installatie en de waterinstallatie, terwijl zij stellen dat zij nog een bedrag van € 6.513,25 excl. btw (€ 7.881,- incl. btw) aan [geïntimeerde] verschuldigd waren als hij het had afgerond. Dat komt neer op een bedrag van € 12.447,- incl. btw aan meerkosten. Het afronden van de elektrotechnische installaties kost volgens [appellanten] € 17.484,50 incl. btw. ONE geven als toelichting bij deze kostenposten dat een installatieschema ontbrak, zodat de nieuwe installateurs eerst hebben moeten uitzoeken hoe het reeds aangebrachte leidingwerk liep en of het voldeed om op aan te sluiten. Dit heeft hogere kosten meegebracht dan door [geïntimeerde] begroot. Daarnaast hebben de aannemers toeslagen berekend voor het afronden van iemand anders werk. [geïntimeerde] betwist dat deze werkzaamheden nodig zijn. Hij meent dat het overgrote deel van de cv- en waterinstallatie en de elektronische installaties al was verricht. Daarnaast voert [geïntimeerde] aan dat de kosten die [appellanten] hiervoor rekenen het door [geïntimeerde] geoffreerde totaalbedrag voor de installaties ver overstijgt, terwijl een aanzienlijk deel daarvan al was aangelegd. De kosten zouden volgens [geïntimeerde] hooguit 25% betreffen van hetgeen ONE heeft berekend.



4.76.

[appellanten] hebben naar het oordeel van het hof de kosten voor het afronden van de cv- en waterinstallatie en de elektra onvoldoende onderbouwd. Het hof wil aannemen dat de nieuwe installateurs werk hebben gehad aan het uitzoeken van en aansluiten op andermans werk, maar dit biedt – bij gebreke van overgelegde onderliggende offertes of facturen – onvoldoende verklaring voor kosten die, in het geval van de cv- en waterinstallatie, het door [geïntimeerde] geoffreerde bedrag 2,5 x overstijgen. Daarbij heeft [geïntimeerde] terecht aangevoerd dat [appellanten] een bedrag voor afronding van deze werkzaamheden hebben gerekend dat het geoffreerde bedrag voor de totale cv- en waterinstallatie overstijgt, terwijl een deel daarvan wel is uitgevoerd. Het hof merkt op dat [appellanten] bij de kosten voor afronding van de elektrotechnische installaties uitgaan van een waarde van het door [geïntimeerde] niet uitgevoerde werk van € 7.766,36 excl. btw. Het hof heeft de waarde van het niet uitgevoerde werk voor de elektrotechnische installaties in rechtsoverweging 4.57. vastgesteld op € 4.544,38 excl. btw (€ 5.498,70 incl. btw). Gelet daarop hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof evenmin voldoende onderbouwd waarom deze kosten ruim drie keer zo hoog zijn als het bedrag dat het gekost zou hebben om de elektra door [geïntimeerde] te laten afronden. Het hof wijst de meerkosten voor de installatiewerkzaamheden daarom af.


6) overige kosten




4.77.

[appellanten] vorderen ten slotte € 16.576,40 incl. btw voor de huur van containers (€ 1.452,-), huur van een hoogwerker (€ 2.250,-) en kosten voor bouwbegeleiding (€ 12.874,40). ONE merkt daarbij op dat er werk moest worden verricht op hoogte en het huren van een hoogwerker de meest economische keuze was om deze werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Voor het afvoeren van bouwafval waren daarnaast drie containers nodig. Verder was het vanwege het wegvallen van de hoofdaannemer voor [appellanten] noodzakelijk om extra bouwbegeleiding in te huren om de voortgang van het project te waarborgen. [geïntimeerde] stelt dat de niet uitgevoerde werkzaamheden enkel werkzaamheden betreffen binnen in de woning, zodat de huur van een hoogwerker niet noodzakelijk is. De kosten van huur van een hoogwerker voor binnenruimtes bedraagt volgens [geïntimeerde] ongeveer € 120,- per dag, wat hij onderbouwt met een screenshot van een website voor machineverhuur, waarop deze prijs zichtbaar is. De kosten die [appellanten] rekenen zijn daarom te hoog, aldus [geïntimeerde] . Het huren van een container acht [geïntimeerde] daarnaast wel redelijk, maar [geïntimeerde] betwist dat [appellanten] meer dan drie verschillende bouwcontainers nodig hebben gehad. De huur van een gebruikelijke bouwcontainer kost € 490,- incl. btw per 4 weken, inclusief aan- en afvoer, wat eveneens blijkt uit een door [geïntimeerde] overgelegd screenshot van een website van een containerverhuurder. De bouwbegeleiding is daarnaast volgens [geïntimeerde] niet noodzakelijk, omdat [appellanten] dagelijks aanwezig waren bij de bouw en ook veel werkzaamheden zelf deden. Daarbij acht [geïntimeerde] het niet redelijk dat [appellanten] , uitgaande van een gangbaar uurtarief van € 50,-, zes weken fulltime bouwbegeleiding hebben gerekend.



4.78.

[geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat de kosten die [appellanten] hebben gerekend voor de huur van een hoogwerker te hoog zijn. Hij heeft immers niet toegelicht hoeveel dagen [appellanten] de hoogwerker volgens hem nodig zouden hebben, zodat een dagprijs van € 120,- (als inderdaad alleen sprake zou zijn van binnenwerk) geen helderheid geeft over de volgens hem redelijke kosten. Het hof wijst deze kosten daarom toe voor het door ONE begrote bedrag van € 2.250,- incl. btw. Hetzelfde geldt voor de kosten die [appellanten] opvoeren voor de bouwbegeleiding. [geïntimeerde] acht fulltime bouwbegeleiding van zes weken niet redelijk, maar heeft niet uitgelegd hoeveel dagen of weken volgens hem wel met de nog uit te voeren werkzaamheden gemoeid zouden zijn en hoeveel tijd aan bouwbegeleiding hij dan wel redelijk vindt. Het hof zal deze kosten daarom eveneens toewijzen. Het bedrag dat [appellanten] hebben opgevoerd aan kosten voor de huur van bouwcontainers overstijgt ten slotte niet het bedrag dat [geïntimeerde] zelf aandraagt als een redelijke prijs (3 x € 490,- incl. btw), zodat het bedrag van € 1.452,- incl. btw ook voor vergoeding in aanmerking komt.



4.79.

[geïntimeerde] voert ten slotte aan dat de door [appellanten] vermeende geleden schade het gevolg is van een omstandigheid die aan [appellanten] kan worden toegerekend op grond van artikel 6:101 BW. [geïntimeerde] wijst daarbij op het feit dat [appellanten] hem op 8 september 2021 de mogelijkheid hebben gegeven om binnen een termijn van 21 dagen het werk uit te voeren, maar [appellanten] vervolgens – onterecht en onverwacht – op 13 september 2021 de overeenkomst gedeeltelijk hebben ontbonden. [geïntimeerde] meent dat daarom 75% van de kosten aan [appellanten] moet worden toegerekend. Gelet op hetgeen het hof in het voorgaande heeft geoordeeld (in het bijzonder in rechtsoverweging 4.64. en 4.65.), dat [geïntimeerde] door de onterechte opschorting van het werk per 30 augustus 2021 in verzuim is komen te verkeren en daarmee tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst en dat [appellanten] door [geïntimeerde] alsnog de mogelijkheid te bieden de overeenkomst na te komen geen afstand hebben gedaan van hun recht om zich op dit verzuim te beroepen, gaat het hof hieraan verder voorbij.



4.80.
Het hof oordeelt dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6:277 BW de volgende meerkosten (incl. btw) aan [appellanten] moet betalen:



aanbrengen plafonds € 337,62


beglazing € 4.373,70


afronden riolering € 146,99


huur containers € 1.452,00


huur hoogwerker € 2.250,00


bouwbegeleiding € 12.874,40





totaal incl. btw € 21.434,71





vergoeding gevolgschade (artikel 6:74 BW)





4.81.

[appellanten] vorderen naast schadevergoeding voor de meerkosten die zij hebben moeten maken, vergoeding van gevolgschade, namelijk dubbele woonlasten en misgelopen subsidie. Het hof gaat op deze beide onderdelen hierna in.


1) dubbele woonlasten




4.82.

[appellanten] komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] geen schadevergoeding aan hen hoeft te betalen voor dubbele woonlasten. [appellanten] stellen deze dubbele woonlasten te hebben moeten dragen als gevolg van het feit dat [geïntimeerde] het werk niet heeft afgerond. [appellanten] moesten andere aannemers inschakelen om het werk af te ronden, wat langer heeft geduurd dan als [geïntimeerde] het had afgemaakt, waardoor zij langer vervangende woonruimte hebben moeten gebruiken. [appellanten] vorderen totaal € 5.461,59 aan huurpenningen en gemeentelijke belastingen voor de periode van 30 september 2021 tot en met februari 2022. [appellanten] verwijzen ter onderbouwing van hun vordering naar hun akte van 21 februari 2024 die is overgelegd bij de rechtbank, waarin zij een vergelijking hebben gemaakt tussen de hypothetische situatie dat [geïntimeerde] het werk had afgerond en de huidige situatie waarin [appellanten] verkeren nu zij het werk door andere aannemers hebben laten afronden. [appellanten] betogen dat [geïntimeerde] het werk uiterlijk 30 september 2021 zou hebben opgeleverd als hij zijn verzuim na de ingebrekestelling van 8 september 2021 had gezuiverd en het werk zou hebben opgepakt. [appellanten] hebben na de ontbinding van de overeenkomst met [geïntimeerde] nieuwe aannemers gezocht, gewacht op offertes, nieuwe materialen laten bestellen en nieuwe technische tekeningen laten opstellen voordat de nieuwe aannemers konden beginnen met het werk. Dit heeft ervoor gezorgd dat de werkzaamheden pas eind februari 2022 zijn voltooid. [appellanten] hebben 1 maart 2022 de woonboerderij betrokken, zodat van extra kosten vanaf die datum geen sprake meer is. [geïntimeerde] weerspreekt dat hij het werk binnen acht weken had kunnen afronden. [appellanten] verwijzen naar een globale planning die in maart 2021 was opgesteld, maar die was, gezien de omvangrijke extra werkzaamheden die aan [geïntimeerde] waren opgedragen, niet meer reëel volgens [geïntimeerde] . [geïntimeerde] meent daarnaast dat de werkzaamheden die nog moesten gebeuren veel minder omvangrijk waren dan [appellanten] stellen en dus veel sneller klaar hadden kunnen zijn. Verder betwist [geïntimeerde] dat het voor [appellanten] onmogelijk was om de woning eerder dan in maart 2022 te betrekken. Volgens [geïntimeerde] was er hoogstens twee weken gemoeid met het bewoonbaar maken van de woning. Tot slot maakt [geïntimeerde] bezwaar tegen de hoogte van de kosten die [appellanten] vorderen, omdat deze gezien de duur van het verblijf en de daar aanwezige voorzieningen, volgens hem niet redelijk zijn.



4.83.
Het hof oordeelt, net als de rechtbank, dat [appellanten] in beginsel aanspraak kunnen maken op vergoeding van dubbele woonlasten als het laten voltooien van de werkzaamheden, die als gevolg van de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst niet meer door [geïntimeerde] zijn uitgevoerd, door de nieuwe aannemers meer tijd in beslag heeft genomen dan wanneer [geïntimeerde] het werk zou hebben afgemaakt. Het hof wijst de vordering van [appellanten] tot vergoeding van dubbele woonlasten echter af, omdat [appellanten] , gezien de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [geïntimeerde] het werk op 30 september 2021 zou hebben afgerond. Dat [appellanten] [geïntimeerde] op 8 september 2021 21 dagen hebben gegeven om zijn verzuim te zuiveren, wil niet zeggen dat [geïntimeerde] het werk in die tijd zou hebben kunnen voltooien. [geïntimeerde] heeft er verder terecht op gewezen dat de planning die partijen in maart 2021 hebben gemaakt, waar [appellanten] eveneens naar wijzen, niet meer reëel is, omdat nadien zowel meer- als minderwerk is overeengekomen, zodat [appellanten] niet meer uit kunnen gaan van het tijdspad voor afronding van de werkzaamheden dat daarin is gegeven. [appellanten] hebben verder onvoldoende toegelicht, gezien hetgeen [geïntimeerde] daarover naar voren heeft gebracht, dat zij de woning niet eerder dan in maart 2022 hebben kunnen betrekken. [appellanten] haken voor hun vordering aan bij de datum waarop alle werkzaamheden waren afgerond, maar hebben daarbij onvoldoende uitleg gegeven waarom de woning niet eerder bewoonbaar was.





2) mislopen subsidie




4.84.

[appellanten] voeren verder bezwaar aan tegen afwijzing door de rechtbank van hun schadevergoedingsvordering vanwege het mislopen van subsidiegelden. Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerde] niet de voor de aanvraag van de ISDE-subsidie benodigde isolatiepapieren overhandigd, waardoor de subsidie niet kon worden aangevraagd. Met [geïntimeerde] is de mondelinge afspraak gemaakt dat hij deze papieren zou aanleveren, aldus [appellanten] Het gaat om een bedrag van € 8.250,- dat [appellanten] hierdoor zijn misgelopen. [geïntimeerde] brengt daar tegenin dat hij geen afspraak heeft gemaakt met [appellanten] om de voor het verkrijgen van subsidie benodigde informatie aan te leveren en dat hij daar ook niet voor in gebreke is gesteld door [appellanten]



4.85.
Het hof wijst deze vordering eveneens af. Gezien de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] dat een dergelijke afspraak met hem is gemaakt, hebben [appellanten] deze afspraak onvoldoende onderbouwd. Zij hebben geen concrete feiten en omstandigheden aangedragen waaruit het bestaan van deze afspraak kan blijken. Het hof gaat daarom aan de overige verweren van [geïntimeerde] ten aanzien van deze schadevergoedingsvordering voorbij. Omdat de schadevergoedingsvorderingen van [appellanten] worden afgewezen, komt het hof ook niet toe aan bespreking van het eigen schuld-verweer dat [geïntimeerde] heeft gevoerd en het beroep op matiging dat [geïntimeerde] ten aanzien van de schade heeft gedaan.



expertisekosten





4.86.

[appellanten] hebben bij de rechtbank vergoeding van expertisekosten gevorderd voor de inzet van de deskundige van ONE. De rechtbank heeft deze vordering (voor een bedrag van € 2.871,94 inclusief btw) toegewezen. In hoger beroep vorderen [appellanten] vergoeding van extra expertisekosten die zij hebben moeten maken om ONE om een nadere onderbouwing te vragen van zijn bevindingen en conclusies. De extra expertisekosten bedragen € 2.972,97 zoals volgt uit de door [appellanten] als productie 43 overgelegde factuur van ONE. [geïntimeerde] meent dat het gevorderde bedrag niet redelijk is, omdat ONE gelijk meer onderbouwing had kunnen geven en inzet van 18,2 uur daarvoor niet noodzakelijk was.



4.87.
Het hof merkt op dat de aanvullende rapportage van ONE, zoals deze is overgelegd als productie 42 bij memorie van grieven, voor een groot deel correcties betreft op het door haar eerder opgestelde rapport dat bij de rechtbank in het geding is gebracht. Het hof acht het daarom niet redelijk dat deze kosten bij [geïntimeerde] in rekening worden gebracht en wijst de vordering tot vergoeding van deze extra expertisekosten af.



buitengerechtelijke incassokosten





4.88.

[appellanten] vorderen ten slotte buitengerechtelijke incassokosten over de door hen gevorderde hoofdsom. De rechtbank heeft deze kosten berekend conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en de vordering daarom toegewezen tot € 498,75. [appellanten] maken bezwaar tegen dit oordeel en willen het gehele door hen gevorderde bedrag. [geïntimeerde] is het evenmin eens met dit oordeel van de rechtbank, omdat hij van mening is geen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten aan [appellanten] verschuldigd te zijn. [appellanten] stellen dat hun gemachtigden diverse werkzaamheden hebben verricht om de verschuldigde hoofdsom betaald te krijgen. Mede gelet op de meerdere namens [appellanten] aan [geïntimeerde] verstuurde aanmaningen die in de procedure bij de rechtbank zijn ingebracht, oordeelt het hof dat [appellanten] dit voldoende hebben onderbouwd. [geïntimeerde] betwist dat het om redelijke kosten gaat, maar heeft dit niet verder toegelicht, zodat het hof hieraan voorbijgaat. Op de verplichting van [geïntimeerde] een bedrag van € 12.731,80 incl. btw aan [appellanten] terug te betalen is het Besluit van toepassing. De verplichting van [geïntimeerde] tot betaling van € 21.434,71 betreft schadevergoeding. Daarop is het Besluit niet van toepassing. De gevorderde vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de hand van de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Dat leidt tot toepassing van dezelfde staffel. Het hof wijst de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten toe voor het wettelijk bepaalde tarief van € 1.116,67 bij een toegewezen hoofdsom van € 34.166,51 (€ 12.731,80 incl. btw + € 21.434,71).



wettelijke rente





4.89.
De door [appellanten] gevorderde wettelijke rente over het terug te betalen bedrag is toewijsbaar vanaf 30 augustus 2021 omdat [geïntimeerde] op die datum in verzuim is komen te verkeren. De gevorderde wettelijke rente over de schadevergoedingsvordering is toewijsbaar vanaf het moment dat de schade zich heeft voorgedaan. Het hof merkt het moment dat [appellanten] de partiele ontbinding hebben ingeroepen op 13 september 2021 aan als dat moment, maar [appellanten] hebben niet de toewijzing van wettelijke rente per die datum gevorderd. Het hof zal daarom de ingangsdatum voor de verschuldigdheid van wettelijke rente stellen op de wel in de vordering opgenomen datum van 27 september 2021.



bewijs





4.90.
Hiervoor is het hof al meermalen ingegaan op de bewijsaanbiedingen van partijen en met name het bewijsaanbod van [appellanten] Overigens zijn door partijen geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan nu het geval is, zo stelt het hof vast.



conclusie





4.91.
Bij de rechtbank is [geïntimeerde] in conventie in de proceskosten veroordeeld. Het hof zal die veroordeling in stand laten. De vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen hij uit hoofde van het vonnis aan [appellanten] heeft voldaan zal worden afgewezen. In reconventie zijn [appellanten] in de kosten veroordeeld. Omdat het hof – anders dan de rechtbank – van oordeel is dat [appellanten] niet alleen terecht tot partiële ontbinding zijn overgaan, maar ook op goede grond aanspraak maken op terugbetaling van hetgeen zij te veel aan [geïntimeerde] hebben betaald en op schadevergoeding, zal het hof die beslissing vernietigen en [geïntimeerde] ook veroordelen in de proceskosten in reconventie. Omdat [geïntimeerde] de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij is in het principaal en incidenteel hoger beroep zal hij in de kosten daarvan worden veroordeeld. Onder de kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en, wat betreft het principaal hoger beroep, de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.




4.92.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).





5De beslissing


Het hof:




in principaal hoger beroep




5.1.
vernietigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 24 januari 2024 en 29 mei 2024, met uitzondering van de beslissingen in conventie in 3.1 tot en met 3.4 en in reconventie in 3.5. en 3.6. voor zover het betreft het bedrag van € 2.871,94 en de wettelijke rente over dat bedrag, die hierbij worden bekrachtigd;



5.2.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 12.731,80 incl. btw aan [appellanten] , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 augustus 2021 tot aan de dag van betaling;



5.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 21.434,71 aan [appellanten] , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2021 tot aan de dag van betaling;



5.4.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 1.116,67 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [appellanten] , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van betaling;



5.5.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in reconventie van [appellanten] tot aan de uitspraak van de rechtbank begroot op € 1.965,- aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief III);



5.6.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in hoger beroep:


€ 2.053 aan griffierecht
€ 142,42 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 3.340 aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2 procespunten x het toepasselijke tarief III);




5.7.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag en dat deze kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;



in incidenteel hoger beroep





5.8.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in hoger beroep, tot op heden begroot op € 1.670 aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2 procespunten x het toepasselijke tarief III x 0,5);




in principaal en incidenteel hoger beroep





5.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



5.10.
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mrs. G.D. Hoekstra, C. Hoogland en E.H.P. Brans en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.




Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610.


Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:575.


Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.